RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/997003-11 (A), 13/997011-11 (B) en 13/997011-12 (C) (Promis) Datum uitspraak: 3 mei 2013 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [plaats] op [1958], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1], [postcode plaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring "[locatie]" te [plaats]. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11, 12, 15, 18, 20, 22, 25 en 27 februari 2013 en 1, 6, 11, 13, 15, 22, 27 en 29 maart 2013 en 12 en 22 april 2013. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, reeds gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J. Plooij en J.J. Beliën en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M. Moszkowics naar voren hebben gebracht. 2. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijzigingen ter terechtzittingen van 11 februari 2013 en 13 maart 2013 - ten laste gelegd dat Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 21 juli 2010 te Gouda en/of/althans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg, het volgende heeft gedaan: verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s): - heeft/hebben een plan opgevat en/of besproken en/of een besluit genomen en/of ingestemd met een plan/besluit om [persoon 1] om het leven te brengen, en/of - is/zijn naar die [persoon 1] toe gegaan en/of - heeft/hebben tegen die [persoon 1] (in het Engels en/of in het Nederlands) gezegd dat hij een bericht van mr. en/of [persoon 2] had, en/of - heeft/hebben (vanaf korte afstand) een vuurwapen op die [persoon 1] gericht en/of - heeft/hebben (vervolgens) de trekker van dat vuurwapen overgehaald, althans getracht de trekker van dat vuurwapen over te halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde hij zich op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 21 juli 2010 te Gouda en/of te Nijkerk en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft schuldig gemaakt aan voorbereiding van het misdrijf van moord (te plegen op [persoon 1]), hebbende verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
- s)toen en daar opzettelijk een vuurwapen en/of munitie en/of een telefoon en/of een (vlucht)auto, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden gehad; Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 21 juli 2010 te Gouda en/of te Nijkerk en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een (vuur)wapen van categorie III, te weten een pistool, met opschrift Walther, type PP, kaliber 7.65 mm, en/of (bijbehorende) munitie, voorhanden heeft gehad; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde hij op of omstreeks 13 juni 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(
- s)opzettelijk een handgranaat, althans een voorwerp bestemd voor het treffen van personen en/of zaken door middel van een ontploffing, van de pin ontdaan en vervolgens die handgranaat, althans dat voorwerp, bij een (bedrijfs)pand (perceel [perceel 1]) door een raam naar binnen gegooid, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat (bedrijfs)pand en/of zich in dat (bedrijfs)pand bevindende meubels en/of een zich in dat (bedrijfs)pand bevindende (houten) vloer en/of radiator en/of andere zich in dat (bedrijfs)pand bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was; Ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 13 juni 2010 te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, althans een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; Ten aanzien van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 1 april 2011, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, te Amsterdam en/of Hattem en/of Nijkerk en/of Amstelveen en/of Utrecht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander (
- en)wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 3] en/of [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, te weten; - € 250.000,-- op of omstreeks 25 maart 2010 en/of - € 50.000,-- op of omstreeks 25 maart 2010 en/of - € 50.000,-- op of omstreeks 28 april 2010 en/of - € 7.500,-- op of omstreeks 10 mei 2010 en/of - € 50.000,-- op of omstreeks 18 juni 2010 en/of - € 23.000,-- op of omstreeks 13 september 2010 en/of - € 5.195,-- op of omstreeks 12 november 2010 en/of - € 5.195,-- op of omstreeks 16 februari 2011 en/of - € 70.000,-- op of omstreeks 24 februari 2011 en/of - € 4.000,-- op of omstreeks 7 maart 2011, hebbende verdachte en/of (één of meer van) zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijke weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid op verschillende tijdstippen (onder meer): - tegen [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat hij/zij een koper had(den) voor het softwareprogramma VTGM en/of aan die [persoon 3] contracten met een firma in Sofia, Bulgarije, getoond en/of - tegen [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat hij/zij in contact stond(
- en)met een leverancier voor buitenboordmotoren en/of - (meermalen) tegen [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat hij/zij in contact stond(
- en)met afnemers voor grote hoeveelheden goud en/of - (meermalen) tegen [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat hij/zij in contact stonden met leveranciers van grote hoeveelheden goud uit Iran en/of Zuid-Korea en/of de Filippijnen en/of - (meermalen) tegen [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat ene [persoon 4] goud en/of andere goederen wilde afnemen en/of - tegen die [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat een betaling aan Israël aan de grens was tegengehouden en dat daarom de Israëlische afnemers van goud boos waren op [persoon 3] en/of - [persoon 5] zich telefonisch in strijd met de waarheid voor laten doen als deze "[persoon 4]" en/of - (meermalen) tegen [persoon 3] gezegd en/of doen/laten zeggen dat hij/zij een grote partij textiel (spijkerbroeken) aangeschaft had(den) en/of - aan [persoon 3] en/of [rechtspersoon 2] een valse of vervalste factuur van [persoon 6] ter hoogte van € 477.000,-- betreffende spijkerbroeken, shirts, jassen en werkkleding toegezonden en/of overgelegd en/of - aan [persoon 3] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 1] een valse of vervalste vrachtbrief op naam van vervoerder "[rechtspersoon 4]" toegezonden en/of overgelegd en/of - aan [persoon 3] een koffertje getoond waarin een stapel briefjes met als bovenste een biljet van € 500 opgeborgen was, ten gevolge waarvan [persoon 3] en/of [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] (telkens) werd(
- en)bewogen tot voornoemde afgifte; Ten aanzien van het in zaak A onder 7 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 1 april 2011 te Amsterdam en/of Hattem en/of Nijkerk en/of Amstelveen en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- a)een geschrift valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, te weten: een factuur, gedateerd 30 maart 2010, van [persoon 6] voor [rechtspersoon 2], in verband met een partij textiel ter hoogte van € 477.000, door deze valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid - op te maken terwijl er geen textiel was aangeschaft/geleverd, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, en/of
- b)eerdergenoemde vals en/of vervalst geschrift voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van het in zaak A onder 8 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 april 2011, te Amsterdam en/of Hattem en/of Nijkerk en/of Amstelveen en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een geldbedrag van: - € 200.000 en/of - € 130.000 en/of - € 50.000 en/of - € 7.500 en/of - € 50.000 en/of - € 23.000 en/of - € 5.195 en/of - € 5.195 en/of - € 70.000 en/of - € 4.000 en/of - € 45.000 en/of - € 55.925 verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat deze geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf, te weten oplichting en/of verduistering en/of afpersing en/of afdreiging, in elk geval uit enig misdrijf, afkomstig waren; Subsidiair: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 april 2011 te Amsterdam en/of Hattem en/of Nijkerk en/of Amstelveen en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geldbedrag van - € 200.000 en/of - € 130.000 en/of - € 50.000 en/of - € 7.500 en/of - € 50.000 en/of - € 23.000 en/of - € 5.195 en/of - € 5.195 en/of - € 70.000 en/of - € 4.000 en/of - € 45.000 en/of - € 55.925, heeft verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of voorhanden gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(
- en)- middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf, te weten oplichting en/of verduistering en/of afpersing en/of afdreiging, in elk geval uit enig misdrijf afkomstig was/waren; Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde (ZD01) [persoon 5] op of omstreeks 15 december 2004 te Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een loods/ pand, gelegen aan de [perceel 2], immers heeft eerdergenoemde [persoon 5] en/of diens mededader(
- s)opzettelijk, via één of meer pijpdoorvoer(
- en)en/of ontluchtingsgat(
- en)een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof, in die loods/dat pand gegoten en/of in die loods/dat pand benzine, althans een brandbare vloeistof, gesprenkeld, en/of (vervolgens) die benzine, althans die brandbare vloeistof, aangestoken, althans (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) in die loods/dat pand, ten gevolge waarvan in die loods/dat pand brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de/het eerdergenoemde loods/pand en/of een in dat pand aanwezige handelsvoorraad en/of goederen, en/of een of meer pand(
- en)in de directe nabijheid van die loods/dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, welk feit hij, verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 15 december 2004 te Cuijk en/of Zaandam en/of/althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door met zijn mededader(s), althans alleen -aan die [persoon 5] te vragen of hij een brandje wilde maken en/of -die [persoon 5] een geldbedrag toe te zeggen voor die brandstichting en/of -het in brand te steken pand aan die [persoon 5] te tonen en/of -het tijdstip van de brand aan die [persoon 5] mede te delen en/of -tegen die [persoon 5] te zeggen dat het moest gebeuren en dat [persoon 5] zijn mond moest houden anders zou de rol plastic al klaar liggen en/of -aan die [persoon 5] een mes te tonen en/of -tegen die [persoon 5] te zeggen dat verdachte iemand had vermoord en/of een film te tonen betreffende een door verdachte gepleegde moord en/of -ervoor te zorgen dat er een grote hoeveelheid brandbaar materiaal in het in brand te steken pand aanwezig was; Subsidiair: hij op of omstreeks 15 december 2004 te Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een loods/pand, gelegen aan de [perceel 2], immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(
- s)opzettelijk, via één of meer pijpdoorvoer(
- en)en/of ontluchtingsgat(
- en)een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof, in die loods/dat pand gegoten en/of in die loods/dat pand benzine, althans een brandbare vloeistof, gesprenkeld, en/of (vervolgens) die benzine, althans die brandbare vloeistof, aangestoken, althans (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) in die loods/dat pand, ten gevolge waarvan in die loods/dat pand brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die loods/dat pand en/of een in die loods/dat pand aanwezige handelsvoorraad en/of goederen, en/of een of meer pand(
- en)in de directe nabijheid van die loods/dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2004 tot en met 30 april 2005 te Zaandam en/of Amstelveen en/of Rijswijk, en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, verzekeringsmaatschappij [verzekeringsmaatschappij 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 148.750 euro, in elk geval van enig geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - bij eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij een melding gedaan ter zake van brandschade aan perceel [perceel 2] te Zaandam en/of de in dit perceel aanwezige goederen en/of - een of meer facturen, althans schriftelijke bescheiden, met betrekking tot eerdergenoemde brandschade ter beschikking gesteld aan die verzekeringsmaatschappij, en/of - daarbij opzettelijk verzwegen dat die brandschade het gevolg was van een (mede) door hem/hen, verdachte en/of zijn mededaders, veroorzaakte brandstichting, waardoor die verzekeringsmaatschappij werd bewogen tot eerdergenoemde afgifte; en/of hij op of omstreeks 15 december 2004 te Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar [verzekeringsmaatschappij 1], wederrechtelijk te bevoordelen brand heeft gesticht in een loods/pand, gelegen aan de [perceel 2] en de in dit pand aanwezige inventaris en/of goederenvoorraad, immers heeft hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(
- s)via één of meer pijpdoorvoer(
- en)en/of ontluchtingsgat(
- en)een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof, in die loods/dat pand gegoten en/of in die loods/dat pand benzine, althans een brandbare vloeistof, gesprenkeld, en/of (vervolgens) die benzine, althans die brandbare vloeistof, aangestoken, althans (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) in die loods/dat pand, ten gevolge waarvan in die loods/dat pand en aan de in die loods/dat pand aanwezige inventaris en/of goederenvoorraad brand is ontstaan, welk(
- e)inventaris en/of goederenvoorraad was/waren verzekerd bij eerdergenoemde verzekeraar; Ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde (ZD02) [persoon 5] in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 januari 2007 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in (een ruimte van) een expositiehal/pand, gelegen aan het Forum 100 (MECC-gebouw), immers heeft eerdergenoemde [persoon 5] en/of een of meer van zijn mededader(
- s)opzettelijk in (die ruimte van) die hal/dat pand een tas met één of meer brandbare stof (fen) gebracht en/of neer gezet en/of (die) in die hal/dat pand gebrachte en/of aanwezige brandbare stof(fen) (al dan niet op afstand) tot ontbranding gebracht, ten gevolge waarvan in die hal/dat pand brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die hal/dat pand en/of zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; welk feit hij, verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 12 januari 2007 te Cuijk en/of Amstelveen en/of Maastricht en/of/althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door met zijn mededader(s), althans alleen -die [persoon 5] (een) geldbedrag (
- en)te geven en/of toe te zeggen en/of -tegen die [persoon 5] te zeggen dat hij zich beschikbaar moest houden en/of tegen die [persoon 5] te zeggen dat hij een ontploffing of brand moest veroorzaken in het MECC-gebouw en/of -aan die [persoon 5] een tas/doos met (een) brandbare stof(fen) en/of een ontstekingsmechanisme te (doen en/of laten) geven en/of -die [persoon 5] naar het MECC-gebouw te (doen en/of laten) vervoeren en/of -die [persoon 5] bij het MECC gebouw naar binnen te (doen en/of laten) loodsen en/of -die [persoon 5] te (doen en/of laten) tonen waar de tas/doos met (een) brandbare stof(fen) en/of een ontstekingsmechanisme moest(
- en)worden geplaatst; Subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 januari 2007 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in (een ruimte van) een expositiehal/pand, gelegen aan het Forum 100 (MECC-gebouw), immers heeft verdachte opzettelijk in (die ruimte van) die hal/dat pand een tas met één of meer brandbare stof(fen) gebracht en/of neer gezet, en/of heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(
- s)opzettelijk (die) in die hal/dat pand gebrachte en/of aanwezige brandbare stof(fen) (al dan niet op afstand) tot ontbranding gebracht, ten gevolge waarvan in die hal/dat pand brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die hal/dat pand en/of zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; Ten aanzien van het in zaak B onder 4 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 te Maastricht en/of Amsterdam en/of Amstelveen, en/of/althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, verzekeringsmaatschappij [verzekeringsmaatschappij 2] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in of omstreeks de periode van 12 januari 2007 tot en met 30 maart 2007 - bij die verzekeringsmaatschappij een melding gedaan ter zake van brandschade aan goederen in (een ruimte van) een expositiehal/pand, gelegen aan het Forum 100 (MECC-gebouw) en/of - een of meer facturen, althans schriftelijke bescheiden, met betrekking tot eerdergenoemde brandschade ter beschikking gesteld aan die verzekeringsmaatschappij, en/of - daarbij opzettelijk verzwegen dat die brandschade het gevolg was van een (mede) door hem/hen, verdachte en/of zijn mededaders, veroorzaakte brandstichting, waardoor eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij werd bewogen tot de afgifte van een bedrag van (ongeveer) 68.739,44 euro, in elk geval van enig geldbedrag, en/of (vervolgens) in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 31 mei 2007 - ten aanzien van de brandschade bij die verzekeringsmaatschappij een melding gedaan dat een of meer tijdens de brand beschadigde glazen sculptu(u)r(
- en)reeds voorafgaande aan die brand was/waren verkocht en/of besteld tegen een hogere waarde dan de waarde welke eerder was vastgesteld en/of - een of meer valselijk opgemaakte orderformulier(
- en)betreffende de verkoop/bestelling van een of meer (van die) glazen sculptu(u)r(
- en)ter beschikking gesteld aan die verzekeringsmaatschappij en/of - (een) medewerker(
- s)van die verzekeringsmaatschappij medegedeeld dat eerdergenoemde sculptu(u)r(
- en)was/waren verkocht en/of besteld en als gevolg van eerdergenoemde brand verloren was/waren gegaan, althans niet konden worden geleverd, waardoor eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij werd bewogen tot de afgifte van een bedrag van (ongeveer) 42.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, en/of hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 januari 2007 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar [verzekeringsmaatschappij 2], wederrechtelijk te bevoordelen brand heeft gesticht in (een ruimte van) een expositiehal/pand, gelegen aan Forum 100 (MECC-gebouw), en de in dit perceel aanwezige inventaris en/of goederenvoorraad, immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededader(
- s)in (die ruimte van) die hal/dat pand een tas met één of meer brandbare stof(fen) gebracht en/of neer gezet, en/of (die) in die hal/dat pand gebrachte en/of aanwezige brandbare stof(fen) (al dan niet op afstand) tot ontbranding gebracht, ten gevolge waarvan in die hal/dat pand en aan de in die hal/dat pand aanwezige inventaris en/of goederenvoorraad brand is ontstaan, welk(
- e)inventaris en/of goederenvoorraad (gedeeltelijk) was/waren verzekerd bij eerdergenoemde verzekeraar; Ten aanzien van het in zaak B onder 5 ten laste gelegdei hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2007 te Maastricht en/of Amstelveen en/of Gorssel en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) orderformulier(
- en)van het bedrijf [rechtspersoon 5], betreffende de (ver)koop en/of bestelling van een of meer (glazen) sculptu(u)r(en), te weten een orderformulier, gedateerd 9 december 2006, ten name van [persoon 7], en/of een orderformulier, ongedateerd, ten name van [persoon 8], en/of een orderformulier, gedateerd 8/9 december 2006, ten name van [persoon 9], en/of een orderformulier, gedateerd 12 januari 2006, ten name van [persoon 10], - zijnde/althans (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) op dat/die orderformulier(
- en)vermeld of doen vermelden dat het daarop vermelde schulptuur was verkocht en/of besteld, terwijl de telkens in dat orderformulier vermelde glassculptu(u)r(
- en)in werkelijkheid niet aan/door de tenaamgestelde van dat formulier was/waren verkocht en/of besteld tegen de in dat formulier vermelde prijs, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken en/of opzettelijk gebruik heeft gemaakt van eerdergenoemd(
- e)vals(
- e)en/of vervalst(
- e)geschrift(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)dat/die geschrift(
- en)doen toekomen aan verzekeringsmaatschappij [verzekeringsmaatschappij 2] in het kader van een verzekeringsclaim, en/of eerdergenoemde vals(
- e)en/of vervalst(
- e)geschrift(
- en)afgeleverd en/of voorhanden gehad; Ten aanzien van het in zaak B onder 6 ten laste gelegde (ZD05) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 1 november 2010 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Utrecht en/of Hattem en/of Nijkerk en/of althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander (
- en)wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld en/of door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaarmaking van een geheim, [persoon 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), te weten een geldbedrag van 45.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan eerdergenoemde [persoon 3] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld en/of welke bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaarmaking van een geheim hierin bestond(
- en)dat hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
- s)-die [persoon 3] (onder valse voorwendselen) heeft uitgenodigd voor een gesprek in een kantoor en/of -die [persoon 3] in dit kantoor heeft geconfronteerd met zichzelf, verdachte, en (één of meer van) zijn mededader(
- s)en/of aldus voor die [persoon 3] een dreigende en/of intimiderende situatie heeft opgeroepen en/of -aan die [persoon 3] een of meer cd's heeft getoond en/of daarbij heeft gezegd dat deze cd's opnamen bevatten van een gesprek inhoudende de planning en/of uitvoering van een moord, bij welk gesprek die [persoon 3] als (één van
- de)gespreksdeelnemer(
- s)aanwezig was en/of -tegen die [persoon 3] heeft gezegd dat hij 45.000 euro moest betalen en dat als die [persoon 3] deze 45.000 euro niet zou betalen er dan voor gezorgd zou worden dat hem iets zou overkomen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of -die [persoon 3] vervolgens heeft bezocht in of bij zijn woning, waarna die [persoon 3] tot betaling is overgegaan; Ten aanzien van het in zaak B onder 7 ten laste gelegde (ZD05) hij op of omstreeks 4 februari 2011 te Amstelveen en/of Voorschoten en/of althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaarmaking van een geheim [persoon 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 55.925 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan eerdergenoemde [persoon 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(
- s)-tegen die [persoon 2] gezegd dat hij opnames inzake een gesprek inhoudende de planning en/of uitvoering van een moord, bij welk gesprek die [persoon 2] (één van
- de)gespreksdeelnemer(
- s)was, bekend zou maken aan zijn partner, althans de inhoud van deze opnames bekend zou maken aan een of meer andere perso(o)n(
- en)en/of tegen die [persoon 2] gezegd dat hij 55.925 euro moest betalen, althans woorden van gelijke strekking; Ten aanzien van het in zaak B onder 8 ten laste gelegde (ZD06) hij op of omstreeks 07 juli 2011 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, serienummer [serienummer]), en/of munitie van categorie III, te weten 199 patronen (kaliber .38 special), voorhanden heeft gehad; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; Ten aanzien van het in zaak B onder 9 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juni 2011 tot en met 7 juli 2011 te Amstelveen en/of Heerhugowaard en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) overzicht(
- en)van gewerkte uren en/of werkzaamheden, te weten: één of meer urenbriefje(s), betreffende de periode van 9 t/m 10 juni 2011, en/of de periode van 14 t/m 17 juni 2011, en/of de periode van 20 t/m 24 juni 2011, en/of de periode van 27 t/m 31 juni 2011, zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(
- s)(telkens) de aanvangs- en/of vertrektijden en/of het aantal gewerkte uren en/of de aard van de werkzaamheden op dat/die overzicht(
- en)vermeld terwijl die tijden en/of gewerkte uren en/of werkzaamheden niet de werkelijke tijden en/of gewerkte uren en/of werkzaamheden waren, en/of opzettelijk gebruik heeft gemaakt van eerdergenoemd(
- e)vals(
- e)en/of vervalst(
- e)geschrift(
- en)en/of eerdergenoemde vals(
- e)en/of vervalst(
- e)geschrift(
- en)heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(
- s)dat/die overzicht(
- en)(telkens) overhandigd aan, althans ter beschikking gesteld van, (een) medewerker(
- s)van de Penitentiaire Inrichting "Westlinge" te Heerhugowaard; Ten aanzien van het in zaak B onder 10 ten laste gelegde (ZD08) hij op of omstreeks 4 mei 2009 te Huissen ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/aan een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats], althans een gebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, en/of (een deel van) de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, -een plan heeft opgevat/gemaakt om brand te stichten in die woning, en/of -zich een toegang tot eerdergenoemde woning heeft verschaft en/of -een (plastic) fles en/of een (plastic) oliecontainer met daarin een hoeveelheid kerosine en/of ethanol en/of benzine, althans (een) brandbare stof(fen) , in welke fles en/of oliecontainer (een) slagpijpje(s), althans een explosief en/of brandbaar voorwerp, was aangebracht, in de keuken en/of de woonkamer van die woning heeft geplaatst en/of -eerdergenoemd(
- e)slagpijpje(
- s)middels slagdraad heeft verbonden met een tijdschakelaar en/of -eerdergenoemde tijdschakelaar op een bepaald tijdstip heeft ingesteld, waarna eerdergenoemd(
- e)slagpijpje(
- s)zijn ontploft en/of ontbrandt; Subsidiair: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 26 november 2008 te [plaats] en/of/althans (elders) in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [persoon 5] door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen om opzettelijk brand te stichten in/aan een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats], althans een gebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, en/of (een deel van) de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was -aan die [persoon 5] heeft gevraagd brand te stichten in/aan een woning en/of -die [persoon 5] een geldbedrag heeft toegezegd voor die brandstichting en/of -de in brand te steken woning aan die [persoon 5] heeft getoond, althans samen met die [persoon 5] naar [plaats] is gereden teneinde die woning te lokaliseren en/of observeren; Ten aanzien van het in zaak B onder 11 ten laste gelegde [persoon 5] in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand/galerie gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een of meer schilderijen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 12] en/of [persoon 13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [persoon 5] en/of zijn mededader(s), waarbij die [persoon 5] en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door een of meer (schuif)slot(
- en)te forceren en/of door een (cilinder)slot te verbreken en/of te verwijderen en/of door een nieuw (cilinder)slot te plaatsen, in elk geval door middel van braak en/of verbreking en/of (een) valse sleutel(s), welk feit hij, verdachte, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Amstelveen en/of te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door: - die [persoon 5] (al dan niet gebruik makend van (psychisch) overwicht dat hij, verdachte, over hem had) opdracht te geven dat feit te plegen en/of de in dat pand gevestigde galerie leeg te halen, en/of - die [persoon 5] opdracht te geven de weg te nemen spullen te verkopen en een deel van de opbrengst daarvan (als beloning) in het vooruitzicht te stellen, en/of - die [persoon 5] gereedschap ter beschikking te stellen, bestemd voor de uitvoering van die diefstal; Subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een perceel gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een of meer schilderijen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 12] en/of [persoon 13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door een of meer (schuif)slot(
- en)te forceren en/of door een (cilinder)slot te verbreken en/of te verwijderen en/of door een nieuw (cilinder)slot te plaatsen, in elk geval door middel van braak en/of verbreking en/of (een) valse sleutel(s); Ten aanzien van het in zaak B onder 12 ten laste gelegde (ZD09) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 januari 2010 tot en met 2 maart 2010 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander (
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 12] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (ongeveer) 17.337,50 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -een inbraak in perceel [adres 3] te Amsterdam in scene gezet en het doen voorkomen alsof daarbij goederen waren gestolen, welk(
- e)goed(eren) door verdachte en/of zijn mededader(
- s)althans (het bedrijf van) zijn echtgenote [persoon 14] aan voornoemde [persoon 12] in consignatie was/waren gegeven en/of -bij voornoemde [persoon 12] een melding gedaan ter zake van eerdergenoemde ontvreemde goederen en/of -een brief met daarin een opgave van de geleden schade als gevolg van die ontvreemde goederen naar voornoemde [persoon 12] verzonden of doen verzenden en/of -aan voornoemde [persoon 12] een vergoeding gevraagd voor die schade, waardoor [persoon 12] werd bewogen tot eerdergenoemde afgifte; Ten aanzien van het in zaak B onder 13 ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 november 2009 tot en met 08 december 2009 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Rotterdam en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels verzekeringsmaatschappij [rechtspersoon 6] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (ongeveer) 2.450 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -tegen (een) medewerker(
- s)van eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij gezegd en/of die medewerker(
- s)een verklaring ter beschikking gesteld inhoudende, dat [persoon 15] op het moment van het veroorzaken van de schade aan het winkelen was en/of dat verdachte en/of zijn vrouw [persoon 14] enerzijds en [persoon 15] anderzijds elkaar niet kenden, terwijl die [persoon 15] op dat moment voor verdachte en/of zijn vrouw [persoon 14] werkzaam was en/of terwijl die [persoon 15] en verdachte elkaar al geruime tijd kenden en/of -een (valse of vervalste) nota betreffende de inkoop van een glazen sculptuur ad 2.450 euro aan (een) medewerker(
- s)van eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij ter beschikking gesteld, althans getoond, terwijl die sculptuur in werkelijkheid een veel lagere inkoopwaarde vertegenwoordigde, waardoor eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij werd bewogen tot eerdergenoemde afgifte; Ten aanzien van het in zaak B onder 14 ten laste gelegde (ZD11) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 september 2009 tot en met 30 oktober 2009 te Utrecht en/of Amstelveen en/of Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander (
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, verzekeringsmaatschappij [verzekeringsmaatschappij 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 55.357 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -een aanrijding in scene gezet en/of -bij eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij een schade gemeld ter zake van beschadiging van een of meer beeldjes/kunstwerken veroorzaakt door eerdergenoemde aanrijding en/of een of meer valse verklaringen ter beschikking gesteld aan en/of afgelegd ten overstaan van (een) medewerker(
- s)van eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij en/of -een of meer factu(u)r(
- en)en/of certifica(a)t(
- en)en/of schadeformulier(
- en)en/of overeenkomst(
- en)en/of foto('
- s)met betrekking tot eerdergenoemde aanrijding en/of beschadiging en/of schade aan eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij ter beschikking gesteld, waardoor verzekeringsmaatschappij [verzekeringsmaatschappij 2] werd bewogen tot eerdergenoemde afgifte; Ten aanzien van het in zaak B onder 15 ten laste gelegde (ZD12) hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2008 tot en met 7 oktober 2008 te Alphen aan de Rijn en/of te Gorssel en/of Amstelveen en/of Laren en/of Voorthuizen en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een schilderij van [kunstenaar] heeft verworven en/of overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed (eren) betrof; Ten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 november 2010 tot en met 11 november 2010 te Leiden en/of Amsterdam en/of Amstelveen, en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 16] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 30.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - eerdergenoemde [persoon 16] voorgehouden/verteld dat hij verdachte en/of zijn mededader(
- s)bezig was/waren met een (lucratieve) goudtransactie en/of dat die transactie hem en/of zijn mededader(
- s)binnen 2 à 3 maanden, althans binnen een betrekkelijk korte termijn een omvangrijk rendement zou opleveren, en/of dat hij en/of zijn mededader(
- s)voor deze goudtransactie nog een (voor)financiering nodig had(den), en/of - die [persoon 16] gevraagd om een geldbedrag van 30.000 euro over te maken en/of in te leggen, waarbij hij, verdachte, die [persoon 16] heeft beloofd (naar keuze) dat geld binnen een week terug te betalen met een rendement van 10% dan wel dat geld binnen 3 maanden terug te betalen met een (nog) veel groter rendement, waardoor die [persoon 16] werd bewogen tot eerdergenoemde afgifte; Subsidiair: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2010 tot en met 27 september 2012 te Leiden en/of Amsterdam en/of Amstelveen, en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van (ongeveer) 30.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 16], althans aan (een) ander(
- en)dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag hij en/of zijn mededader(
- s)in het kader van een (voor)financiering van een (goud)transactie, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 3. Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie - zoals hierna uitgebreider wordt toegelicht - is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4. De afspraak tussen de Staat der Nederlanden en [persoon 5] De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de op artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering gebaseerde afspraak tussen de Staat der Nederlanden en [persoon 5] (hierna: [persoon 5]), door of namens partijen ondertekend op tijdstippen in juni 2011 - hierna: de afspraakii - binnen de grenzen van het recht is gebleven. De rechtbank dient de rechtmatigheid van de afspraak te beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment dat de afspraak tussen partijen tot stand kwam. Feiten en omstandigheden die na de totstandkoming van de afspraak hebben plaatsgevonden, kunnen de rechtmatigheid van de afspraak niet aantasten. De afspraak [persoon 5] heeft zich verbonden om (als getuige) onvoorwaardelijk, zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van verklaringen over een zevental in de afspraak aangeduide gepleegde strafbare feiten, te weten: - het (mede)plegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen in Amsterdam; - het (mede)plegen van poging tot moord, subsidiair het plegen van voorbereiding tot moord op [persoon 1] (hierna: [persoon 1]); - het (mede)plegen van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen in een loods in Zaandam; - het (mede)plegen van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen in een expositiehal in Maastricht; - met betrekking tot het eerste feit: het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een handgranaat en een gestolen auto; - met betrekking tot het tweede feit: het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en een gestolen auto; - het (mede)plegen van diefstal met braak en oplichting. De Staat der Nederlanden heeft zich verbonden om [persoon 5] door de officier van justitie te laten vervolgen voor genoemde feiten en [persoon 5] de toezegging te doen dat bij onverkorte nakoming van de afspraak door [persoon 5] voor diens aandeel in die feiten een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren zal worden geëist, uitgaande van een basis strafeis van twaalf jaren cel. Bovendien is afgesproken dat de officier van justitie positief zal adviseren indien [persoon 5] een verzoek tot gratie indient van een nog openstaande taakstraf van 200 uren en een geldboete van € 900,-. Rechtmatigheid van de afspraak De rechtbank toetst of de afspraak in dit geval rechtmatig was en zal daarnaast ingaan op gevoerde verweren met betrekking tot de afspraak. Ofschoon de afspraak niet in een gerechtelijk vooronderzoek tegen alle verdachten is gemaakt en niet alle raadslieden zich achter de nader te noemen verweren hebben geschaard, acht de rechtbank het aangewezen dat in elk vonnis, dat dit proces [X] voortbrengt, de gevoerde verweren met betrekking tot de rechtmatigheid van de afspraak worden besproken. Het standpunt van de verdediging over de afspraak Namens enkele verdachten is naar voren gebracht dat de route naar de afspraak en de bereidheid tot het afleggen van verklaringen niet geheel te toetsen is in het voorliggende dossier, dat er geen dringende noodzaak voor de afspraak was, dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis en dat de basis strafeis te laag is gesteld. Het standpunt van het Openbaar Ministerie over de afspraak Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat het volledige openheid van zaken heeft gegeven over de onderhandelingen met [persoon 5], over zijn kluisverklaringen en over wat aan hem toegezegd is in ruil voor zijn verklaringen. Uit het dossier blijkt niet van bemoeienissen van [persoon 5]s broer of van [persoon 17] bij wat [persoon 5] met het Openbaar Ministerie en de politie heeft besproken. De noodzakelijkheid van de - toen nog te maken - afspraak is getoetst door de rechter-commissaris en die heeft de voorgenomen afspraak rechtmatig geoordeeld. De afspraak was nodig voor een succesvolle vervolging van [verdachte] (hierna: [verdachte]) en [persoon 18] (hierna: [persoon 18]). Tot slot is de strafeis tegen [persoon 5] door het Openbaar Ministerie uitgelegd. Die is passend en het Openbaar Ministerie blijft daarbij. Beoordeling door de rechtbank De beoordeling houdt in of de afspraak met [persoon 5] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van strafbare feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de afspraak ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Naast de wettelijke regels waaraan de afspraak van artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering moet voldoen, dient de officier van justitie zich te houden aan de regels, neergelegd in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: Aanwijzing), in werking getreden op 1 april 2006. Hierin heeft het College van procureurs-generaal beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g en volgende van het Wetboek van Strafvordering. De Aanwijzing schrijft voor dat de officier van justitie bij het doen van de toezegging rekening dient te houden met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid. De Aanwijzing voorziet in duidelijke procedurele waarborgen doordat de Centrale Toetsingscommissie, het College van procureurs-generaal en zo nodig de Minister van Justitie de voorgenomen afspraak toetsen alvorens deze tot stand komt. De wet en de Aanwijzing voorzien in transparantie over de (totstandkoming van
- de)gemaakte afspraken naar de rechter en de verdediging en in toetsing van de uiteindelijke afspraak door de rechter-commissaris en de zittingsrechter aan de eisen van onder meer proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op de wetsgeschiedenis is het maken van een afspraak als de onderhavige alleen toelaatbaar als uiterste redmiddel in zaken van georganiseerde criminaliteit of in zaken van leven en dood. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [persoon 5] over het teweegbrengen van een ontploffing, (de voorbereiding van) een poging tot moord op [persoon 1] en de brandstichtingen in Zaandam en Maastricht betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank komt tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een afspraak met [persoon 5] te komen. [persoon 5] kon immers verklaren over een aantal ernstige tot zeer ernstige strafbare feiten waarvan aannemelijk was dat zonder die verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot inhoudelijk relevante opsporing en vervolging van verdachten kon worden overgegaan. Zo was - ten tijde van de totstandkoming van de afspraak - met betrekking tot de aanslag op [persoon 1] in Gouda uitsluitend [persoon 5] in beeld en dan alleen voor wat betreft bedreiging. Voor de aanslag met de handgranaat was zelfs nog niemand in beeld van politie en justitie. Verder betroffen de verklaringen van [persoon 5] niet alleen vermeende uitvoerders en vermeende tussenpersonen, maar ook vermeende opdrachtgevers. [persoon 5] heeft verklaard zelf de uitvoerende rol te hebben gespeeld in het zwaarste delict dat het dossier [X] kent: de poging tot moord op [persoon 1]. [persoon 5] heeft ook verklaard betrokken te zijn geweest bij de in zwaarte opvolgende delicten in dit dossier. De rechtbank overweegt ambtshalve dat deze omstandigheid geen overschrijding van de grenzen van juiste proporties meebrengt, nu [persoon 5] kon verklaren over vermeende opdrachtgevers van dit feit die eerder geheel buiten beeld van politie en justitie waren gebleven. Het spreekt voor zich dat een getuige die vanuit het criminele circuit zo uitgebreid kan verklaren over een reeks van strafbare feiten over een reeks van jaren, zelf veelal ook ernstige strafbare feiten zal hebben begaan. De wetgever heeft de mogelijkheid van een afspraak met een criminele getuige echter juist met het oog op de bestrijding van zeer ernstige criminaliteit in het leven geroepen. Onder deze omstandigheden heeft het Openbaar Ministerie zonder overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit een afspraak met [persoon 5] kunnen sluiten waarbij hem de maximaal mogelijke strafkorting werd toegezegd. Het verweer van de verdediging dat zij zich geen goed beeld kan vormen over de route naar de afspraak, is expliciet gevoerd met het oog op bewijsuitsluiting. Voor zover ook is beoogd te betogen dat mogelijk sprake is geweest van een rechtens onaanvaardbare externe beïnvloeding van [persoon 5] bij het maken van de afspraak, vindt dat betoog geen steun in het dossier in het algemeen en de resultaten van de verhoren van de broer van [persoon 5] en [persoon 17] in het bijzonder. Met betrekking tot het verhoor van de broer van [persoon 5] zij hier tot slot nog opgemerkt dat door diverse raadslieden is nagelaten om gebruik te maken van de door de rechter-commissaris geboden gelegenheid om vragen op te geven voor het verhoor, dat om medische redenen buiten aanwezigheid van het Openbaar Ministerie en de verdediging moest plaatsvinden. De verdediging heeft gesteld dat de tegen [persoon 5] geformuleerde basis strafeis van twaalf jaren niet in verhouding is met de door hem gepleegde feiten of de tegen medeverdachte [verdachte] geëiste straf en dat feitelijk sprake is van 'een toezegging van een kwart van de in die lijn te eisen straf'. De verdediging stelt zich hier kennelijk op het standpunt dat de basis strafeis verhoudingsgewijs zo laag is dat sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basis strafeis geldt dat het Openbaar Ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft, welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basis strafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basis strafeis heeft kunnen komen. Bij de vaststelling van de basis strafeis heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir in de zaak tegen [persoon 5] in de eerste plaats de ernst van de feiten in aanmerking genomen, met de volgende opbouw van deze strafeis: voor de twee gevallen van brandstichting twee jaar cel, voor de diefstal met braak drie maanden cel, voor de granaataanslag één jaar en negen maanden cel en voor de poging tot moord acht jaar cel. Daarnaast is rekening gehouden met het feit dat [persoon 5] een zelfmelder was en eigener beweging een groot aantal strafbare feiten heeft opgebiecht, de opsporing waarnaar hij niet alleen heeft geholpen maar die hij ook heeft geïnitieerd, omdat voor bijna alle strafbare feiten geen daderindicatie bestond. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie overwogen dat [persoon 5] onder druk en dreiging tot het plegen van de strafbare feiten is overgegaan, er financieel nauwelijks wijzer van is geworden, en dat met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening diende te worden gehouden. Dit overziende acht de rechtbank de basis strafeis van twaalf jaren niet zo onverklaarbaar laag dat kennelijk sprake zou zijn van een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Derhalve acht de rechtbank de afspraak met [persoon 5] ook op dit punt niet onrechtmatig. De verweren worden verworpen. Samenvatting en conclusie De afspraak met [persoon 5] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie heeft het maken van de afspraak op goede gronden dringend noodzakelijk geacht en heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Uit de omvang van de vervolging noch uit de strafeis kan worden afgeleid dat aan [persoon 5] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank concludeert dat zij geen redenen ziet om aan te nemen dat de officier van justitie zich niet aan de wet of de Aanwijzing zou hebben gehouden. De afspraak is rechtmatig. 5. Oordeel over de bruikbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige 5.1 Het Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat aan de verklaringen van de kroongetuige [persoon 5] om meerdere redenen gewicht toekomt. Ten eerste zijn zij onder ede bevestigd. Ten tweede heeft [persoon 5] zijn levensverhaal vanaf ongeveer 2003 in de zomer van 2010 uitgebreid op schrift gezet, voordat iemand hem er op attendeerde dat hij ermee naar de politie zou kunnen gaan. Vastgesteld kan worden dat de brief van augustus 2010 authentiek van inhoud is. Een dergelijk document kan de latere verklaringen extra gewicht en overtuigende kracht geven. Ten derde heeft hij zelf de misdrijven bekend, dat maakt hem een getuige van het dichtst bij het vuur. Daarnaast worden zijn verklaringen op veel punten bevestigd en - enkele vergissingen in datum of tijd daargelaten - op geen enkel punt wezenlijk ontkracht. In die bevestiging van zijn verklaringen per zaaksdossier, de consistentie en de onderlinge samenhang van zijn verklaringen over alle zaaksdossiers waarin hij een rol speelt, kan de rechtbank de bijzondere redenen vinden voor het gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs, welke redenen op grond van artikel 360, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering nodig zijn in de motivering van het vonnis. Het Openbaar Ministerie is van mening dat geen sprake is van enig vormverzuim met betrekking tot de rechtmatigheidtoets van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft alle vorderingen tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen verdachte onder parketnummer 13/997003-11 toegewezen. Voorts heeft de rechter-commissaris in de beschikking van 10 juli 2011 in elk van de zaken waarin zijn oordeel was gevraagd, waaronder dus de zaak tegen verdachte, overwogen dat de voorgenomen afspraak aan de wettelijke eisen voldoet, en zijn oordeel deugdelijk gemotiveerd. De rechter-commissaris is niet gehouden in de zaak 13/997011-11 een rechtmatigheidtoets te verrichten, aangezien de afspraak met [persoon 5] op die zaak geen betrekking heeft. [persoon 5] heeft over deze feiten geen verklaringen afgelegd. Het Openbaar Ministerie merkt nog op dat een eventueel vormverzuim in het oordeel van de rechter-commissaris over de rechtmatigheid, of het feit dat een vordering tot gerechtelijk vooronderzoek niet is toegewezen, er niet toe kan leiden dat de verklaringen van de (kroon)getuige niet voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt. In dat geval zou slechts sprake zijn van een vormverzuim dat de strafzaak van de kroongetuige zelf raakt. Als na het ondertekenen van de overeenkomst, ook als daarbij een vorm zou zijn verzuimd, de verklaringen van de getuige voor tactisch onderzoek beschikbaar komen, staat aan het gebruik daarvan niets in de weg. Het Openbaar Ministerie is van mening dat geen grond bestaat voor de stelling van de verdediging dat het motief van [persoon 5] om zich tot de politie te wenden is dat hij bang zou zijn geweest dat zijn DNA zou worden herkend. 5.2 Het standpunt van de verdediging De beschikking van de rechter-commissaris van 10 juni 2011 waarin hij de afspraak met de kroongetuige rechtmatig acht kan geen betrekking hebben op de zaak Maastricht, nu zich geen toewijzingsbeschikking van het GVO in die zaak in het dossier bevindt, zodat de door [persoon 5] afgelegde verklaring in die zaak niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Overigens kan geen enkele verklaring van [persoon 5] tot het bewijs worden toegelaten. Op basis van de beschikkingen van 10 juni 2011 valt niet te toetsen of aan de proportionaliteits- en subsidiariteitsvereisten is voldaan. Op 6 juni 2011 zijn door de rechter-commissaris met [persoon 5] tien vorderingen GVO doorgenomen, maar niet blijkt welke dat waren, in het bijzonder niet de vier tegen verdachte. De afspraak is niet meer rechtmatig te noemen en de verklaringen van de kroongetuige zijn niet langer bruikbaar. Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan staat vast dat op hoogstens vier GVO's door de rechter-commissaris is beschikt. Het in 2012 geopende GVO met nummer 13/997011-11 ging niet gepaard met een rechtmatigheidstoets, dus zijn de betreffende verklaringen van [persoon 5] niet bruikbaar. Als de rechtbank, in weerwil van de geopperde bezwaren tegen de status van [persoon 5], toch van oordeel is dat de verklaringen van [persoon 5] bruikbaar zijn, doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek [persoon 5] alsnog te horen, maar dan zonder enige beperking. Het motief van [persoon 5] om te verklaren is volgens de verdediging de angst van [persoon 5] om ontmaskerd te worden aan de hand van achtergelaten DNA-materiaal. Het was in zijn belang om iemand naar voren te schuiven die hem zou hebben aangestuurd en onder wiens invloed hij tot de feiten is gekomen. Opmerkelijk is dat [persoon 5] na het incident met de granaat nog een aanslag zou plegen op het leven van [persoon 1]. Het is niet reëel te veronderstellen dat iemand zich om reden van welke druk dan ook zou willen inlaten met dergelijke feiten. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Het onderwerp van de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 5] is door zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging aan de orde gesteld. Een kritische benadering van de verklaringen van een kroongetuige ligt voor de hand nu hij van het Openbaar Ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen. Deze bijzondere positie maakt dat de verklaringen van [persoon 5] met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd. Bruikbaarheid van de verklaringen van [persoon 5] Artikel 360, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de rechter een bijzondere motiveringsplicht heeft indien de verklaringen van de kroongetuige voor het bewijs worden gebruikt. De enige begrenzing die de wetgever geeft aan het gebruik van de verklaring van een kroongetuige tot het bewijs, ligt besloten in artikel 344a, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. Dit voorschrift houdt in dat de ondersteuning van de verklaring van een kroongetuige niet mag worden gevonden in de verklaring van een andere kroongetuige. Voor het overige gelden voor het gebruik van de verklaringen van een kroongetuige de gebruikelijke regels van het bewijsminimum zoals vastgelegd in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat de verklaringen van [persoon 5] minder bruikbaar zijn en hooguit als steunbewijs kunnen dienen, wordt dat, gelet op het voorgaande, door de rechtbank niet onderschreven. Waar het de de auditu-verklaringen van [persoon 5] betreft, zijn deze in beginsel bruikbaar voor bewijs, indien de verdediging de gelegenheid heeft gehad om [persoon 5] te bevragen. Dat heeft zij, zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting. Het zou dan ook te ver gaan om in het algemeen aan de verklaringen van [persoon 5] reeds daarom op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, temeer daar de belangrijkste beweerde bron van de de auditu-verklaringen, [verdachte], zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het enkel ontkennen van de beweringen van [persoon 5]. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 5] Op de rechtbank is [persoon 5], in zijn wijze van verklaren bij de politie en bij de rechter-commissaris maar ook ter terechtzitting, zelfverzekerd, helder en in grote lijnen consistent overgekomen. Aan deze algemene positieve indruk draagt bij dat [persoon 5] zichzelf heeft belast in zaken waarin hij tot op dat moment bij politie en justitie in het geheel niet in beeld was gekomen en dat zijn, op punten gedetailleerde, verklaringen grotendeels bevestiging krijgen in overige onderzoeksbevindingen. Dat dat niet voor alle onderzoeksbevindingen geldt, is niet verwonderlijk nu [persoon 5] over vele feiten heeft verklaard, die soms flink in het verleden lagen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van enig vormverzuim met betrekking tot de rechtmatigheidtoets van de rechter-commissaris die verdachte zou kunnen baten. In het algemeen merkt de rechtbank op dat eventuele verzuimen in dit traject niet vanzelf leiden tot onbruikbaarheid van de verklaringen van de (kroon)getuige voor het bewijs in de zaak van een medeverdachte. In het bijzonder constateert de rechtbank dat de rechter-commissaris alle vorderingen tot het openen van gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen verdachte onder parketnummer 13/997003-11 heeft toegewezen. Voorts heeft de rechter-commissaris in de beschikking van 10 juni 2011 in elk van de zaken waarin zijn oordeel was gevraagd, waaronder de zaak tegen verdachte, overwogen dat de voorgenomen afspraak aan de wettelijke eisen voldoet, en heeft hij zijn oordeel deugdelijk gemotiveerd. Het verweer dat de rechter-commissaris gehouden was om in de zaak met parketnummer 13/997011-11 een rechtmatigheidtoets te verrichten, treft geen doel, nu de afspraak met [persoon 5] op die zaak geen betrekking had. [persoon 5] heeft over deze feiten geen verklaringen afgelegd. Ook dit verweer treft geen doel. Voorwaardelijk verzoek om [persoon 5] te horen: De verdediging heeft verzocht om alsnog kroongetuige [persoon 5] zonder enige beperking als getuige te horen indien de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen van [persoon 5] bruikbaar zijn. Het motief van [persoon 5] om te verklaren, is volgens de verdediging de angst van [persoon 5] om ontmaskerd te worden aan de hand van achtergelaten DNA-materiaal. Het was in zijn belang om iemand naar voren te schuiven die hem zou hebben aangestuurd en onder wiens invloed hij tot de feiten is gekomen. Opmerkelijk is dat [persoon 5] na het incident met de granaat nog een aanslag zou plegen op het leven van [persoon 1]. Het is niet reëel te veronderstellen dat iemand zich om reden van welke druk dan ook zou willen inlaten met dergelijke feiten. De rechtbank, vaststellende dat de verklaringen van kroongetuige [persoon 5] bruikbaar zijn, wijst dit verzoek af nu zij geen noodzaak voor inwilliging daarvan ziet, gelet op de ter onderbouwing geponeerde stellingen, die overigens in een veel eerder stadium aan deze getuige hadden kunnen worden voorgelegd. Welke beperking van betekenis in dat stadium daarbij een rol van betekenis zou hebben gespeeld, heeft de verdediging evenmin aangegeven. 6. Verweer tot bewijsuitsluiting in verband met onrechtmatige doorzoeking 6.1 Standpunt verdediging De verdediging acht het niet geloofwaardig dat de doorzoeking op 7 juli 2011 zich geconcentreerd zou hebben op valsheid in geschrift en oplichting en eventueel witwassen en voert hiertoe het volgende aan. De afspraak met kroongetuige [persoon 5] en zijn verklaringen zijn niet los te zien van het tactische onderzoek met betrekking tot oplichting en valsheid in geschrift en de doorzoeking van 7 juli 2011 die in dat kader plaatsvond, waarbij deels dezelfde personen waren betrokken. Opvallend is dat op 27 juni 2011 de laatste handtekening onder de afspraak is gezet en een dag later het proces-verbaal aanvraag doorzoeking is opgemaakt. De doorzoeking stond dus niet los van de verklaringen van [persoon 5]. De bij de doorzoeking betrokken rechters-commissarissen wisten ook van de afspraak met [persoon 5] en over het feit dat de rechters-commissarissen meer wisten dan waarop de aanvraag tot de doorzoeking op 7 juli 2011 betrekking had, hebben zij in het kader van de doorzoeking geen rekening en verantwoording afgelegd. De toewijzingsbeslissing van de doorzoeking van 7 juli 2011 van de rechter-commissaris bevindt zich in de zaak van verdachte niet in het dossier. De doorzoeking in de zaak van verdachte is aldus niet rechtmatig te oordelen. De aanwezigheid van een rechter-commissaris bij de doorzoeking, zoals uit het dossier blijkt, kan dit gebrek niet sauveren omdat er een toewijzingsbeslissing in de zaak [persoon 14] (hierna: [persoon 14]) was die de aanwezigheid van de rechter-commissaris bij de doorzoeking verklaart. Met betrekking tot het aangetroffen wapen is het ook een vreemde gang van zaken dat de vordering ter zake is uitgebreid met een overtreding van de Wet wapens en munitie op basis van een proces-verbaal van de KLPD van na de doorzoeking. Het naar de doorzoeking meenemen van ongeveer twintig man personeel onder wie de wapenspecialist [persoon 19], nota bene degene die het wapen - de rechtbank begrijpt: dat [persoon 5] zou hebben gebruikt bij de aanslag in Gouda - van [persoon 5] in beslag heeft genomen, en de aanwezigheid van een explosievenhond passen evenmin bij een doorzoeking die gericht was op valsheid in geschrift en oplichting en eventueel witwassen. Ook zijn verbalisanten direct op de geheime bergplaats van het aangetroffen wapen afgestevend. Daaraan moet informatie ten grondslag hebben gelegen die niet in het proces-verbaal van aanvraag is verantwoord. Ook bevreemdt het dat in het proces-verbaal van doorzoeking niet is gerelateerd dat officier van justitie Beliën aanwezig was, terwijl die heeft verklaard aanwezig te zijn geweest. Voorts staat in de piketmelding van verdachte dat hij is aangehouden en in verzekering is gesteld onder de omschrijving 'handgranaat [straatnaam perceel 1]'. Dit bewijst dat de zaken niet gescheiden waren en de parketnummers in elkaar overvloeiden. In strijd met de artikelen 6 en 8 van het EVRM en de artikelen 10 en 14 van de Grondwet is verdachte door het Openbaar Ministerie de kans op bewijs à décharge ontnomen door materiaal van verdachtes eigen beveiligingscamera's willens en wetens te vernietigen. Voor het wissen van dit materiaal bestond geen wettelijke grondslag. Het Openbaar Ministerie kan zich er niet op beroepen dat verdachte zijn belang bij de beelden moet schetsen, aangezien het Openbaar Ministerie de onrechtmatigheid heeft begaan. Voornoemde verzuimen kunnen niet worden hersteld en bewijsuitsluiting dient te volgen. Nuancering naar welk in beslag genomen materiaal nu wel en niet van het bewijs zou moeten worden uitgezonderd, is gelet op de aangegeven verzuimen niet aan de orde. De uitsluiting moet alle resultaten van deze doorzoeking van 7 juli 2011 treffen. Tot slot is aangevoerd dat medeverdachte [persoon 2] te lang zijn verdachtenstatus en dus de zijn uit die status voortvloeiende rechten is onthouden. 6.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat deze verweren dienen te worden verworpen. Eind juni, begin juli 2011 was inderdaad een breder onderzoek tegen verdachte gaande dan waarvoor de doorzoeking begin juli 2011 is gevraagd en dat wisten de twee betrokken rechters-commissarissen ook. Dat toen door het Openbaar Ministerie enkel is gevraagd om de doorzoeking te doen op de in het proces-verbaal van aanvraag genoemde verdenking van valsheid in geschrift en oplichting, twee dagen voor de doorzoeking aangevuld met de verdenking van witwassen, laat zich verklaren. Het onderzoek op basis van de kluisverklaringen moest nog helemaal op gang komen en het Openbaar Ministerie wilde niet het risico lopen dat bewijsmateriaal van de actuele verdenking van oplichting zou verdwijnen als bij verdachte bekend zou worden dat [persoon 5] inmiddels was aangehouden en gedetineerd zat in verband met de aanslagen in Gouda en op de [straatnaam perceel 1]. Uit tactisch oogpunt is op 7 juli 2011 dus niet gezocht naar bewijs voor andere feiten. Overigens is aan deze doorzoeking geen enkele informatie van [persoon 5] ten grondslag gelegd. Wat het aangetroffen wapen betreft, heeft [persoon 5] verklaard daar niet van te hebben geweten en de verdediging heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het is niet zo dat verbalisanten direct naar de geheime bergplaats zijn gelopen. En waarom zou het Openbaar Ministerie de kunstgreep uithalen om via een verdenking van oplichting naar een wapen te gaan zoeken, terwijl de politie op basis van de Wet wapens en munitie terzake zelfstandig kan optreden? Uit de aanwezigheid van inspecteur van politie [persoon 19], een forensisch opsporingsdeskundige, kan niet worden afgeleid dat de recherche vermoedde een wapen aan te treffen, nu bij uitgebreidere doorzoekingen doorgaans een forensisch opsporingsdeskundige aanwezig is. De vermelding 'handgranaat [straatnaam perceel 1]' op de piketmelding berust op een begrijpelijke fout: het deelonderzoek naar de oplichting werd in feite toen verricht door het Amsterdamse Bureau Financieel Economische Recherche waar de zaak, anders dan bij de Nationale Recherche, bekend stond als betrekking hebbend op de zaak van de [straatnaam perceel 1]. Ook op grond hiervan kan niet worden geconcludeerd dat het doel van de doorzoeking een andere is geweest dan in de stukken naar voren is gebracht. Het Openbaar Ministerie is van mening dat verdachte door het wissen van de beveiligingsbeelden niet in enig verdedigingsbelang is geschaad. De verdediging heeft niet onderbouwd wat zij met de beveiligingsbeelden denkt te kunnen aantonen. Het gaat om beelden buiten de woning en het is onduidelijk gebleven wat de beelden zouden kunnen zeggen over het al dan niet binnen in de woning direct doorlopen naar de ruimte waar het wapen is gevonden. Deze beelden worden standaard uit oogpunt van veiligheid en afscherming van de identiteit van de bij een doorzoeking aanwezige opsporingsambtenaren gewist. Niet kan worden gezegd dat de beelden zijn gewist met bewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Daarbij heeft de verdediging tijdens het vooronderzoek geen onderzoek gedaan naar de gang van zaken tijdens de doorzoeking, terwijl zij die mogelijkheid wel had, bijvoorbeeld door het bevragen van getuigen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt het eerste deel van het verweer als te zijn gericht tegen de omstandigheid dat de rechter-commissaris bij het verlenen van de machtiging om te doorzoeken wetenschap zou hebben gehad van (een deel van) de verklaringen van de kroongetuige [persoon 5] die over andere, ernstiger zaken dan valsheid in geschrift, oplichting en witwassen gingen. Er staat geen rechtsregel in de weg aan het verlenen van een machtiging tot doorzoeking voor bepaalde feiten terwijl de rechter-commissaris wetenschap heeft van overige verdenkingen tegen een verdachte. De stelling dat de rechter-commissaris daar - de rechtbank begrijpt: eigener beweging - rekening en verantwoording over zou moeten afleggen, vindt geen steun in het recht. Het toepasselijke criterium is of de vordering van de officier van justitie, gebaseerd op een proces-verbaal van aanvraag, die verlening kan dragen. De inhoud van dit proces-verbaal van aanvraagiii kon de machtiging tot doorzoeking, gericht op de verdenking van valsheid in geschrift en oplichting en (later) witwassen, zeker dragen. Ook de rechtbank mist in haar dossier de schriftelijke beslissing tot doorzoeking van 7 juli 2011 van de rechter-commissaris in de zaak tegen verdachte. Wel bevinden zich in het dossier: - de schriftelijke bevestiging van 28 juli 2011 van de mondelinge beslissing tot uitbreiding van de doorzoeking, gelet op de aanvullende verdenking ter zake van de Wet wapens en munitie; - het op de doorzoeking betrekking hebbende 'Verslag van binnentreden en proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming' van 14 juli 2011 van de rechter-commissaris, waarin deze verklaart dat deze doorzoeking is verricht in de onderzoeken tegen verdachte en [persoon 14] 'op bevel van deze rechter-commissaris'. Op grond van deze stukken kan worden vastgesteld dat ook in de strafzaak tegen verdachte sprake is geweest van een beslissing tot doorzoeking van diens woning op 7 juli 2011, zodat het verweer, dat de bedoelde doorzoeking in de zaak tegen verdachte niet als rechtmatig valt te beoordelen, geen doel treft. Het proces-verbaal van de Koninklijke Landelijke Politiediensten van na de doorzoeking betreft de schriftelijke onderbouwing en bevestiging van de tijdens de doorzoeking door de officier van justitie gedane nadere vordering tot uitbreiding van de verdenking, gelet op de vondst van het wapen. In deze gang van zaken valt geen verzuim te ontdekken. De stelling dat verbalisanten bij de doorzoeking direct naar de geheime bergplaats van het aangetroffen wapen zijn afgestevend, wetende van die bergplaats, vindt haar weerlegging in het proces-verbaal dat naar aanleiding van die stelling is opgemaakt: de zoekende verbalisanten wisten voorafgaand aan de doorzoeking niet van de geheime bergplaats, die pas ongeveer vijf kwartier na aanvang van de doorzoeking werd aangetroffen.iv Uit de aanwezigheid van forensisch opsporingsdeskundige [persoon 19] en een explosievenhond bij de doorzoeking, de vermelding 'handgranaat [straatnaam perceel 1]' op het piketformulier noch het in het proces-verbaal van de doorzoeking onvermeld laten van de aanwezigheid van officier van justitie Beliën bij de doorzoeking, kan worden afgeleid dat de recherche vermoedde een wapen aan te treffen, nog los van de vraag welk steekhoudend motief politie en justitie zouden hebben gehad om de vermeende werkelijke reden van de doorzoeking, het ophalen van een wapen, te verhullen. Ten aanzien van de vermelding op het piketformulier merkt de rechtbank nog op dat in het proces-verbaal van aanvraag voor de doorzoeking expliciet melding wordt gemaakt van de granaataanslag op de [straatnaam perceel 1]: deze vermelding kwam dus niet uit de lucht vallen. In het licht dat hetgeen namens verdachte hiervoor naar voren is gebracht, is hij door het wissen van de beveiligingsbeelden niet in enig rechtens te respecteren verdedigingsbelang geschaad, bij gebreke van onderbouwing van wat de verdediging met de beelden van buiten de woning had kunnen aantonen. Het verweer dat medeverdachte [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) een tijd lang de verdachtenstatus is onthouden, treft geen doel reeds omdat niet is gesteld welk door het vermeende verzuim verkregen materiaal in de zaak tegen verdachte van het bewijs zou moeten worden uitgesloten. Dit nog los van het feit dat van derdenwerking van de Schutznorm hier geen sprake is. De verweren van de verdediging worden verworpen. 7. Waardering van het bewijs ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde (Zaaksdossier 4) 7.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie acht het medeplegen van een poging tot moord in de periode 1 mei tot en met 21 juli 2010 te Gouda bewezen. Deze poging heeft aldus vorm gekregen dat allereerst een plan is opgevat om [persoon 1] om het leven te brengen, dat dit plan vervolgens is besproken, dat een besluit is genomen en dat een vijfde medepleger is aangetrokken om het besluit ten uitvoer te leggen. Op grond van de verklaringen van [persoon 5], [persoon 18] en [persoon 1] alsmede op grond van de geluidsopname van 24 juni 2010, de fotoconfrontatie en de technische bevindingen betreffende het vuurwapen, kan het ten laste gelegde worden gekwalificeerd als een poging tot moord en kan verdachte als medepleger betiteld worden. Uit het rapport van de technische recherche blijkt dat het wapen geschikt was om kogels mee af te schieten. Uit de verklaringen van [persoon 5] en [persoon 18] volgt dat [persoon 5] beoogde [persoon 1] dood te schieten. Aldus kan worden uitgesloten dat [persoon 5] de trekker bewust niet heeft overgehaald. Dat [persoon 1] in zijn verklaringen de mogelijkheid niet uitsluit van een bedreiging dan wel waarschuwing doet daaraan niet af. [persoon 1] heeft verklaard dat hij zag dat zijn belager het wapen vlakbij zijn gezicht had, de vinger bij de trekker. Het Openbaar Ministerie acht voorts het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen: het medeplegen van voorbereiding van het misdrijf moord door destijds, tezamen en in vereniging, een vuurwapen met munitie, een telefoon en een auto ter voorbereiding voorhanden te hebben, en daarnaast het feit van het voorhanden hebben van een pistool. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij pleidooi betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken en puntsgewijs onderdelen aangegeven die aantoonbaar onjuist zijn. Verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling verklaard dat het [persoon 2] was, die hem en ook [persoon 18] wilde aanzetten tot de moord op [persoon 1]. Dat is de reden waarom verdachte het gesprek in Nijkerk heeft opgenomen, namelijk om vast te stellen hoe ver [persoon 2] wilde gaan. Verdachte besefte dat het gesprek op de band ook belastend voor hem zelf kon uitpakken, maar dat nam hij op de koop toe. Als je iets op de band wilt krijgen, dan moet je nu eenmaal zelf initiatieven nemen. Er was trouwens al een eerder gesprek geweest waarin [persoon 2] had voorgesteld om [persoon 1] wat aan te doen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank 7.3.1 De bewijsmiddelen De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [persoon 5] heeft verklaard dat op 6 juli 2010 [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) en [persoon 18] (de rechtbank begrijpt: [persoon 18]) langskwamen op de camping in Terwolde. Er werd duidelijk gemaakt dat [persoon 5] op iemand moest schieten als tegenprestatie voor het feit dat [verdachte] [persoon 5] zou redden van de gebroeders [persoon 20 en persoon 21] te Cuijk. Hierop heeft [persoon 5] 'ja' gezegd. Op 9 juli 2010 kwam [persoon 18] [persoon 5] ophalen op de camping en zij zijn vervolgens naar Utrecht gereden om een nieuwe telefoon te kopen. [persoon 18] heeft de telefoon gekocht voor [persoon 5]. Door [verdachte] en [persoon 18] werd besloten dat [persoon 18] een onderkomen moest vinden voor [persoon 5]. Het werd [hotel 1]. Op 12 juli 2010 werd [persoon 5] opgehaald door [persoon 18] en [verdachte] en zij lieten hem een huis in Gouda zien. Voordat het huis gepasseerd werd, zeiden [verdachte] en [persoon 18] tegen [persoon 5] dat hij goed moest opletten.v Op 18 juli 2010 kwam [verdachte] langs in het hotel. [verdachte] vertelde dat [persoon 18] in principe van [persoon 2] de opdracht had aangenomen voor deze liquidatie en de opdracht was opgenomen op een voicerecorder.vi Op 20 juli 2010 vernam [persoon 5] van [verdachte] dat de auto was aangekomen en dat [persoon 5] de volgende dag moest uitchecken. Duidelijk was dat de liquidatie aanstaande was. [persoon 5] vroeg aan [verdachte] of hij alles geregeld had: nieuw navigatiesysteem, een nieuwe mobiele telefoon, een vuurwapen dat door [verdachte] en [persoon 18] ter beschikking gesteld zou worden en de handschoenen. Deze zouden door [persoon 18] geregeld worden. [verdachte] vertelde dat alles geregeld was en dat [persoon 5] de volgende dag opgehaald zou worden. Op 21 juli 2010 kwamen [verdachte] en [persoon 18] met de auto en zij zijn vervolgens met zijn drieën naar Utrecht gereden. Eerst werd er langs een dumpstore gereden om een schoonmaaksetje voor een vuurwapen te kopen. Rond 16.00 uur waren zij bij de woning van [persoon 18] en [persoon 5] zag dat [persoon 18] een vuurwapen op tafel legde. [verdachte] heeft vervolgens het vuurwapen uit elkaar gehaald en schoongemaakt. [verdachte] heeft in overleg met [persoon 18] acht patronen in het magazijn (de rechtbank begrijpt: de patroonhouder) van het vuurwapen gedaan. [verdachte] heeft het vuurwapen vervolgens doorgeladen. Ook heeft hij gekeken of de pal op rood stond, de vergrendeling. Vervolgens zette hij een demper op het vuurwapen en overhandigde het wapen aan [persoon 5] en wees de veiligheidspal aan en zei dat deze naar beneden moest, waardoor het schietklaar zou zijn. Na te hebben gepind en een tas gekocht te hebben, werd de auto opgehaald. Tijdens de rit van het winkelcentrum naar de Golf toe heeft [verdachte] de naam gezegd van de persoon die geliquideerd moest worden. Nadat de auto was opgehaald, zijn [verdachte] en [persoon 18] [persoon 5] gaan voorrijden naar een hotel in Bodegraven. Dit hotel had [persoon 5] gereserveerd. vii [persoon 5] is naar de woning in Gouda gereden. Na enige tijd zag hij dat de voordeur geopend werd. Omdat [persoon 5] de woning in wilde om de opdracht van [verdachte] en [persoon 18] uit te voeren zei hij dat hij een message had van [persoon 2]. Terwijl hij dit zei duwde hij tegen de voordeur en probeerde binnen te komen. [persoon 5] ervoer weerstand en moest kracht zetten. Op datzelfde moment pakte hij met zijn rechterhand het doorgeladen vuurwapen uit de tas en richtte het doorgeladen vuurwapen op de man. Op het moment dat [persoon 5] het vuurwapen op de man richtte begon de man te krijsen en te schreeuwen. [persoon 5] haalde vervolgens de trekker over en richtte het vuurwapen op de borst van de man. Nadat de trekker was overgehaald merkte [persoon 5] dat het vuurwapen niet af ging. [persoon 5] raakte in paniek en rende weg.viii [persoon 5] had van [verdachte] gehoord dat de persoon dood moest. [verdachte] vertelde dat [persoon 5] hem drie of vier keer in zijn borst moest schieten en vervolgens nog een schot in zijn hoofd.ix Op 21 juli 2010 doet [persoon 1] aangifte. Op 21 juli 2010 deed [persoon 1] tussen 21.00 uur en 21.15 uur de deur van zijn woning te Gouda open. Hij zag een man staan die Engels tegen [persoon 1] sprak. [persoon 1] wilde de deur dicht doen, maar zag dat de man vervolgens een stap/sprong naar voren maakte en half in de deuropening kwam te staan. De man praatte vervolgens Nederlands en zei 'wacht even ik heb een message van meneer [persoon 2]'. [persoon 1] probeerde vervolgens de man naar buiten te duwen. De man had een doosje bij zich en [persoon 1] zag dat de man een pistool uit het doosje haalde, een zwart pistool met een demper. [persoon 1] zag vervolgens dat de man het pistool op hem probeerde te richten. Dit ging lastig omdat hij tussen de deur klem zat. [persoon 1] begon vervolgens hard om hulp te roepen en de man rende weg.x [persoon 1] heeft in de loop gekeken van het pistool.xi Het vuurwapen (Walther, type PP, serienummer [serienummer]) is door [persoon 5] ingeleverd.xii Dit wapen is onderzocht. Het betrof een pistool met geluiddemper. Kaliber 7.65mm. Het is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het magazijn was gevuld met zeven onbeschadigde kogelpatronen met het kaliber 7.65mm. Op 18 oktober 2010 zijn proefschoten met het pistool verricht. Bij deze poging ging het wapen niet af. Bij nader onderzoek aan het pistool bleek de slede niet volledig gesloten. Na het sluiten werden probleemloos vier schoten afgevuurd.xiii [persoon 18] heeft verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]), [persoon 2] (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) en [persoon 3] (de rechtbank begrijpt: [persoon 3]) regelmatig gesprekken hadden over de problemen met [persoon 1]. Van [verdachte] begreep [persoon 18] dat zij [persoon 1] uit de weg wilden ruimen.xiv Het gesprek waarin dit besloten was had al plaatsgevonden en later is dit nogmaals besproken, waarbij dit is opgenomen. Het idee om het op te nemen kwam bij [verdachte] vandaan.xv [persoon 18] werd door [verdachte] geïnstrueerd over wat hij moest zeggen tijdens de bespreking op het kantoor van [persoon 3] in Nijkerk. [persoon 18] moest zich voordoen als specialist, de huurmoordenaar. [persoon 18] moest heel duidelijk gif, neerpoffen en langeafstandsgeweer zeggen. Het moest een soort bevestiging worden van de bedoelingen van [persoon 2] en [persoon 3]. [persoon 18] had een opname-apparaatje bij zich.xvi [verdachte] heeft ter terechtzitting erkend aan het gesprek van 24 juni 2010 deelgenomen te hebben. Een eerder gesprek was niet opgenomen en het initiatief van het tweede gesprek kwam bij [verdachte] vandaan.xvii Naast deze twee gespreksdeelnemers, deden [persoon 2]xviii en [persoon 3] mee in het gesprek dat plaatsvond in het kantoor van [rechtspersoon 1] te Nijkerk.xix Het opgenomen [naam 1] is uitgewerkt: 24.41.8 S2 Kijk, dat van de straat aftrekken is geen optie meer, want hij heeft gewoon bescherming (...) Dat hebben we geconstateerd en dat is gewoon extra gevaarlijk. Nou ja, vergiftigen zou een optie zijn geweest als we 'm ergens heen konen lokken (...) Dat is ook geen optie meer. (...) Dus dan blijven er twee dingen over. En dan mogen jullie daar ook wel over meedenken, maar ik denk [persoonlijk] [je kan 'm] 25.15.7 S1 neerpoffen 25.16.6 S2 Simpelweg [neerpoffen], ja [...] en doorrijden, motor in de brand en weg. Ja dan wordt ie wel gevonden. Ja, shit happens, vertelt ie ook in ieder geval niets meer. (...) Dat is optie één. (...) 25.34.2 S2? [optie twee is] van een afstand [...] en dan schiet [...] 25.38.5 S2 met een lange afstandsgeweer, pof, en dan maar laten liggen en dan heeft [persoon 18] alle tijd om weg te komen. (...) Ik vind wel dat we dit moeten overleggen, want kijk [...] het is niet jullie verantwoordelijkheid hoe [persoon 18] het gaat doen (...) maar ik wil niet achteraf horen: Ja, hoe hebben jullie dat zo kunnen doen. (...) 27.48.1 S2 Het verschil zit 'm hierin. Bij een drive-by-shoot, shooting, dan zullen ze veel eerder in z'n directe kring gaan zoeken en dan zullen ze veel eerder gaan kijken naar jou en naar [persoon 3] en zeggen, oke, met wie gaan die mannen om, wat zijn de belangen, waarom en waarvoor en huppelepup. 28.8.3 S1 Dat is gewoon liquidatie.xx [persoon 18] heeft verklaard dat [persoon 5] kort na deze bespreking in beeld kwam. [persoon 18] had van [verdachte] de opdracht gekregen om [persoon 5] ergens onder te brengen, dat werd uiteindelijk [hotel 1]. [persoon 18] moest er bijna dagelijks naar toe van [verdachte] en [persoon 5], om geld te brengen en kleding op te halen.xxi Op 12 juli 2010 heeft [persoon 18] samen met [verdachte] [persoon 5] de woning van [persoon 1] getoond. [persoon 5] wilde de zaak verkennen. [persoon 18] heeft een Volkswagen Golf geregeld. Die auto is op 21 juli 2010 opgehaald door [verdachte], [persoon 5] en [persoon 18]. Hiervoor was het wapen opgehaald bij de woning van [persoon 18], waar [persoon 18] het wapen voor [verdachte] bewaarde. [verdachte] haalde het wapen uit elkaar en zette het weer in elkaar en legde aan [persoon 5] uit hoe het wapen werkte. Het wapen werd gepoetst. [verdachte] heeft het wapen met demper aan [persoon 5] overhandigd. Nadat de Golf was opgehaald, zijn ze in de richting van Bodegraven gereden. Onderweg zijn [persoon 18] en [persoon 5] uit elkaar gegaan. Eén of twee dagen later hoorde [persoon 18] van [verdachte] dat het mislukt was. [verdachte] was kwaad en riep dat [persoon 5] het verkloot had.xxii 7.3.2 De bewijsoverwegingen Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte, als medepleger, op 21 juli 2010 te Gouda samen met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd om [persoon 1] van het leven te beroven. Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte tezamen met zijn mededaders de voorbereidingshandelingen, zoals onder 2 is ten laste gelegd, heeft verricht, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij het vuurwapen met munitie, een telefoon en een auto voorhanden heeft gehad. Deze voorwerpen waren bestemd tot het begaan van een moord. Gelet op de verklaring van [persoon 5] dat hij in de woning van [persoon 18] het wapen door verdachte overhandigd kreeg, dat daar door verdachte was schoongemaakt, geladen en doorgeladen en van een demper was voorzien en de verklaring van [persoon 18] dat hij het wapen in zijn woning voor verdachte bewaarden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het vuurwapen tezamen met zijn mededaders, voorhanden heeft gehad, zoals ten laste gelegd onder 3. Het standpunt van verdachte dat [persoon 2] de motor achter het voornemen was, kan verdachte niet baten. Zo daarvan al sprake was, neemt dat verdachtes strafbare betrokkenheid als medepleger van dit feit niet weg. De suggestie van de verdediging dat het ervoor moet worden gehouden dat sprake is geweest van een schijnaanslag, wordt niet door bewijsmiddelen ondersteund. En waar het verdachte is, die zich op diverse momenten krachtig heeft uitgesproken ten gunste van moord, waarbij zijn stellige bewoordingen geen ruimte voor twijfel overlieten, en waarbij hij zich vervolgens intensief heeft bemoeid met de uiteindelijke uitvoering, had het op de weg van verdachte gelegen om de suggestie dat het allemaal maar schijn was, vanuit zijn opzet helder te onderbouwen. Dat heeft hij op geen enkele wijze gedaan. De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer voorbij. Ook de suggestie dat verdachte met de geluidsopname van 24 juni 2010 de gespreksdeelnemers alleen maar had willen afpersen is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. 8. Waardering van het bewijs ten aanzien van het in zaak A onder 4 en 5 ten laste gelegde (Zaaksdossier 3) 8.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie is van mening dat het onder 4 (medeplegen van het teweeg brengen van een ontploffing) en 5 (medeplegen van het voorhanden hebben van de handgranaat) in zaak A ten laste gelegde, bewezen kan worden. De verklaring van [persoon 5] stemt vrijwel overeen met de bekennende verklaring van [persoon 18]. Deze twee verklaringen vormen het dragende bewijs. De verklaring van verdachte - inhoudende de ontkenning en de uitdrukkelijke suggestie dat [persoon 18] de aanslag in opdracht van [persoon 2] heeft gepleegd - kan niet in het minst overtuigen. Zijn aanval op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 5] mist doel, te meer daar de verklaringen van [persoon 5] en [persoon 18] ook door andere bevindingen worden bevestigd, zoals het verblijf van [persoon 5] in [hotel 2] te Amsterdam en de verklaring van getuige [persoon 11]. Daarnaast kan steun worden gevonden in de verklaring van [persoon 2] voor het door [persoon 18] genoemde motief voor de aanslag. Immers, aanvankelijk zouden de Israëlische kopers van goud op vrijdag 11 juni 2010 bij [persoon 2] op kantoor komen, terwijl [persoon 5] de dag daarvoor de granaat naar binnen moest gooien. Later is de afspraak verzet naar maandag 14 juni 2010, maar na de aanslag, op zondag 13 juni 2010, kwamen de kopers niet meer. Medeverdachte [persoon 2] heeft verklaard dat de kopers volgens [verdachte] waren afgeschrikt. Verdachte heeft het plan bedacht, de anderen opdracht gegeven, de granaat ter beschikking gesteld en bepaald wanneer het moest gebeuren. Ten aanzien van de handgranaat kan ambtshalve vastgesteld worden dat het beschreven en door [persoon 5] herkende voorwerp een voorwerp is bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [persoon 5] niet geloofwaardig kunnen zijn, en heeft in het kader daarvan gewezen op diens standpunt inzake de herkomst van de handgranaat en de herkomst van de auto die [persoon 5] ter beschikking was gesteld. 8.3 Het oordeel van de rechtbank 8.3.1 De bewijsmiddelen De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Volgens [persoon 5] begon het verhaal in mei 2010. [verdachte] en [persoon 18] kwamen langs op de camping in Terwolde en [verdachte] zei: 'Ik ga je wat vragen en er is slechts 1 antwoord mogelijk'. [persoon 5] moest klusjes doen: ergens een handgranaat naar binnen gooien en ergens anders een magazijn leegschieten. Nadat [persoon 5] hierop ja antwoordde, zei [verdachte] dat [persoon 5] het goede antwoord had gegeven en dat [persoon 5] hiervoor € 10.000,- zou krijgen.xxiii Op 3 juni 2010 kwamen [persoon 18] en [verdachte] langs op de camping in Terwolde. [persoon 18] haalde uit zijn zwarte heup/buideltasje een blauwe poetsdoek en daaruit kwam een handgranaat tevoorschijn. De handgranaat had een donkere kleur, een ring, een beugel en een pen. [verdachte] vertelde dat het binnenkort moest gebeuren; [persoon 5] hoefde alleen nog maar de handgranaat op de [straatnaam perceel 1] naar binnen te gooien. [persoon 5] kreeg de handgranaat van [verdachte], die deze van [persoon 18] had ontvangen, en [verdachte] zei daarbij dat [persoon 5] de handgranaat goed moest opbergen. 7 juni 2010 vertelde [verdachte] op de carpoolplaats Bunschoten-Spakenburg aan [persoon 5] dat hij wilde dat het donderdagavond gebeurde, want dan had [verdachte] een alibi. [verdachte] benadrukte dat het donderdagavond goed moet gebeuren anders wist [persoon 5] wat er zou gaan gebeuren.xxiv Donderdagavond 10 juni 2010 besloot [persoon 5] de handgranaat niet te gooien, nu er mensen in het kantoorpand aanwezig waren. Toen [persoon 5] op 11 juni 2010 door [verdachte] werd gebeld, begon [verdachte] gelijk te vloeken en te tieren en uitte doodsbedreigingen. [verdachte] zei dat, doordat [persoon 5] de aanslag niet had uitgevoerd, het hem tweeënhalve ton zou kosten in euro's. [persoon 18] begon na aankomst op de camping ook gelijk te vloeken en te tieren. Nadat [persoon 5] had uitgelegd waarom hij de aanslag niet had gepleegd en [persoon 18] gekalmeerd was, zei [persoon 18] tegen [persoon 5] dat hij nog één kans kreeg van [verdachte] en [persoon 18]. De granaataanslag moest nu op zondag 13 juni 2010 uitgevoerd worden.xxv Nadat een op het terrein aanwezige BMW Cabrio op zondag 13 juni 2010 rond 18.30 uur wegreed van het kantoorpand, besloot [persoon 5] de granaat te gooien, en daarmee te voldoen aan de opdracht van [verdachte] en [persoon 18]. De hoek waarin [persoon 5] moest gooien, was hem op 11 juni 2010 door [persoon 18] exact verteld, aangezien in de andere hoek een camera hing. Bij het kantoorpand aangekomen, stapte [persoon 5] uit, pakte de handgranaat en trok de pin eruit. Met zijn andere hand pakte [persoon 5] de hamer en sloeg vervolgens een klein ruitje in. Nadat hij de vitrage opzij had geduwd met de hamer, gooide [persoon 5] de handgranaat naar binnen. [persoon 5] rende terug naar zijn auto en hoorde een enorme knal. Later heeft [persoon 5] het motief gehoord om de granaat te gooien: [verdachte] wilde tijd rekken door onrust te zaaien.xxvi [verdachte] had de opdracht om in het pand aan de [straatnaam perceel 1] een handgranaat te gooien in eerste instantie aan [persoon 18] gegeven. [verdachte] en [persoon 2] hadden onenigheid over een verloren rechtszaak en [verdachte] wilde onder de gouddeal uitkomen die hij met [persoon 2] en [persoon 3] had. [verdachte] zei dat hij kopers had, maar dat was een gebakken lucht-verhaal. Het idee van [verdachte] was dat de kopers zich terug zouden trekken vanwege de granaataanslag op het pand aan de [straatnaam perceel 1]. [verdachte] wilde dat alle schijnwerpers op de [straatnaam perceel 1] kwamen te liggen en [persoon 5] moest het klusje opknappen. [persoon 18] heeft in opdracht van [verdachte] aan [persoon 5] twee panden, namelijk de één aan de [straatnaam perceel 1] te Amsterdam en verder het pand van [persoon 2] in Gouda, getoond zodat [persoon 5] kon bepalen bij welk pand hij de opdracht zou uitvoeren. Daarnaast heeft [persoon 18] in opdracht van [verdachte] een auto geregeld, die door [persoon 5] is opgehaald samen met [persoon 18]. Ten aanzien van de handgranaat heeft [persoon 18] verklaard dat hij die van [verdachte] ontving, voordat [verdachte] en hij op de camping arriveerden, en in zijn buideltasje heeft gedaan. Op de camping is de handgranaat aan [persoon 5] gegeven en werd besproken hoe [persoon 5] van plan was om die granaat naar binnen te gooien. [persoon 5] vertelde dat hij geld nodig had voor een hotel en dat heeft [verdachte] hem gegeven.xxvii [persoon 22] heeft aangifte gedaan van vernieling, bedreiging en poging tot moord c.q. doodslag. Op 13 juni 2010, omstreeks 19.25 uur, is er door een onbekende een explosief door het raam van het kantoor in de [perceel 1A] (de rechtbank begrijpt: [perceel 1]) te Amsterdam gegooid. Het explosief is in het kantoor ontploft en daardoor is er schade ontstaan aan het raam van het kantoor en in het kantoor zelf. In het pand was gevestigd [rechtspersoon 7] en een maatschap van advocaten en notarissen '[rechtspersoon 8]'.xxviii Uit het onderzoek uitgevoerd door het Bureau Recherche Expertise blijkt dat het perceel [perceel 1] een vrijstaand kantoorpand betrof. In de kantoorruimte achter het geperforeerde glas werd een beugel van een handgranaat aangetroffen en aan de bovenzijde van de beugel stond het nummer 8444. Voor de ramen hing vitrage. In de onderste ruit van het geperforeerde raam bevond zich een grotere opening waardoor de handgranaat mogelijk naar binnen zou kunnen zijn geworpen, omdat deze opening zich het dichtst bij het punt van de ontploffing bevond. Daarnaast werd, nadat een boek was opgetild, een gat in de vloer zichtbaar en werden stukjes metaal aangetroffen, mogelijk toebehorend aan de handgranaat. Verspreid door de kamer werden kleine kogeltjes en stukjes metaal dan wel kunststof aangetroffen. De verbalisanten zagen dat de radiator onder het geperforeerde raam was ontzet en op enkele plaatsen was beschadigd waardoor deze was gaan lekken.xxix Uit onderzoek van de aangetroffen resten in perceel [perceel 1] kan bijna met zekerheid geconcludeerd worden dat het hier om een Joegoslavische handgranaat model M75 ging. Dit is een verdedigingsgranaat.xxx 8.3.2 De bewijsoverwegingen Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [persoon 5] geloofwaardig is, mede gelet op hetgeen over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van zijn verklaringen is geoordeeld in het begin van dit vonnis. Bovendien wordt zijn verklaring in dit zaaksdossier op essentiële punten en grote lijnen bevestigd door de verklaringen van [persoon 18] en overigens ook door andere bewijsmiddelen, zoals hiervoor weergegeven. Het verblijf van [persoon 5] in het [hotel 2] op 10-11 juni 2010xxxi wordt bevestigd door de gegevens van het hotel.xxxii Concluderend is de rechtbank derhalve van oordeel dat zijn verklaringen geloofwaardig zijn. Ten aanzien van de levering van de handgranaat gaat de rechtbank uit van de verklaring van [persoon 18] dat hij de handgranaat van verdachte heeft gekregen. De rechtbank ziet geen reden om op dit punt van de verklaring van [persoon 18] af te wijken, die op overige punten wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen in het dossier. Uit de verklaring van [persoon 5] dat hij de handgranaat uit handen van [verdachte] ontvangen heeft, volgt dat verdachte de handgranaat voorhanden had. De rechtbank overweegt ten overvloede dat zij haar overtuiging mede ontleent aan het door [persoon 5] en [persoon 18] genoemde motief, namelijk het creëren door [verdachte] van een reden waarom de zogenaamde [persoon 4] zijn afspraak met betrekking tot een bezoek aan [persoon 2] niet kon nakomen. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [persoon 2] waar deze verklaart dat het tijdsverloop ten aanzien van de granaataanslag opvallend is. [verdachte] had namelijk tegen [persoon 2] gezegd dat [persoon 4] en twee familieleden op 11 juni 2010 op het kantoor van [persoon 2] aan de [straatnaam perceel 1] zouden komen om de goudzaak te bespreken. Die dag kwam er echter niemand. [verdachte] vertelde vervolgens dat zij het vliegtuig gemist hadden en pas zondag konden vliegen in verband met de Sabbat en nu op 14 juni 2010 zouden komen. Die maandagochtend kwam er weer niemand.xxxiii Deze data komen geheel overeen met de niet uitgevoerde aanslag op 10 juni en vervolgens de opdracht om de aanslag op 13 juni 2010 uit te voeren. Alles overwegende concludeert de rechtbank dat verdachte tezamen en in vereniging met [persoon 18] en [persoon 5] de granaataanslag op 13 juni 2010 heeft gepleegd en een handgranaat voorhanden heeft gehad. Het dossier bevat weliswaar geen categorie in de zin van de Wet wapens en munitie, maar genoegzaam uit het dossier blijkt dat de handgranaat een voorwerp is bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing. Uit het dossier blijkt dat na het opbranden van de vertragingslading, het slagpijpje detoneertxxxiv (ontploft) hetgeen ook is gebeurd, gelet op de ontstane schade in het kantoorpand aan de [straatnaam perceel 1]. 9. Waardering van het bewijs ten aanzien van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde (Zaaksdossier 5) 9.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte [persoon 3] heeft opgelicht voor de op 25 maart 2010 betaalde bedragen van € 250.000,- en € 50.000,-, het op 28 april 2010 betaalde bedrag van € 50.000,- en het op 10 mei 2010 betaalde bedrag van € 7.500. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe aangevoerd dat er nimmer sprake is geweest van een werkelijke goudtransactie. Verdachte heeft alles uit zijn duim gezogen. De verhalen en handelingen van verdachte, door tegen [persoon 3] te zeggen dat hij in contact stond met afnemers van goud en dat ene [persoon 4] goud wilde afnemen, vormen een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen en waren gericht op het doen van betalingen door [persoon 3]. Bij de doorzoeking in de woning van verdachte is niets gevonden dat duidt op werkelijke contacten met [persoon 4] en [persoon 5] heeft verklaard dat hij zich in opdracht van verdachte tegenover [persoon 2] moest voordoen als [persoon 4], hetgeen wordt bevestigd door sms-berichten. De enkele verwijzing naar [persoon 23], die stelt ene [persoon 4] te kennen, is volstrekt onvoldoende om het bestaan van [persoon 4] aannemelijk te maken. Feit is dat verdachte een aanzienlijk deel van de investeringen van [persoon 3] aantoonbaar direct in eigen zak heeft gestoken, en uit geen enkel gegeven in het dossier blijkt dat er ook maar iets door hem of [persoon 18], die volgens verdachte betaald zou zijn voor 'beveiligingswerk', is gedaan in het kader van de voorbereidingen van een gouddeal. Ten aanzien van de overige betalingen: Ten aanzien van de op 18 juni 2010 door [rechtspersoon 3] aan verdachte betaalde € 50.000,-, heeft het Openbaar Ministerie vrijspraak gevorderd. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe aangevoerd dat dit bedrag niet betaald is als gevolg van oplichting door verdachte, maar dat het een aanbetaling van [persoon 3] aan verdachte betreft voor de moord op [persoon 1]. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe aangevoerd dat [persoon 5] heeft verklaard dat [persoon 18] € 100.000,- zou krijgen voor de aanslag op de man in Gouda en dat hij daarvan al € 50.000,- had ontvangen en dat [persoon 3] in zijn eigen verklaring over zijn betalingen aan verdachte het in juni 2010 betaalde bedrag van € 50.000,- in het geheel niet noemt. De op 13 september 2010 door [rechtspersoon 2] aan verdachte overgemaakte € 23.000,-, zijn betaald onder invloed van het verzonnen verhaal dat er textiel (spijkerbroeken) was aangeschaft, dat [persoon 3] de BTW nog moest betalen die al door '[persoon 5]' (in werkelijkheid verdachte [persoon 27]) zou zijn afgedragen, waarbij een valse factuur van € 477.000,- van [persoon 6] en een valse vrachtbrief zijn overgelegd. Dat [persoon 3] had kunnen vermoeden of zelfs weten dat er helemaal geen textiel was aangeschaft, doet er niets aan af dat [persoon 3] door oplichting is bewogen tot de betaling van deze € 23.000,-. Ten aanzien van de op 12 november 2010 door [persoon 3] aan verdachte betaalde € 5.195,- heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat dit als gevolg van oplichting door [persoon 3] is betaald. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van [persoon 3], die deels door [persoon 2] wordt bevestigd, volgt dat verdachte, in aanwezigheid van [persoon 2] en de man die zich [persoon 5] noemde, zei dat hij met [persoon 5] € 700.000,- had opgehaald in verband met de gouddeal, dat hij [persoon 3] toen een koffertje liet zien met bovenop een briefje van € 500,-, dat verdachte zei dat [persoon 5] dat geld ging overmaken maar dat eerst € 77.000,- overgemaakt moest worden voor de BTW van de textiel en dat [persoon 3] toen € 5.195,- heeft overgemaakt om goed over te komen. Hieruit volgt dat [persoon 3] onder invloed van een onnavolgbaar verhaal van verdachte en na het tonen van een koffertje met een biljet van € 500,-, dit bedrag heeft overgemaakt, hetgeen is aan te merken als oplichting. Ten aanzien van de op 16 februari 2011 door [persoon 3] aan verdachte overgemaakte € 5.195,- heeft het Openbaar Ministerie naar voren gebracht dat uit het dossier niet duidelijk wordt waarom deze betaling is gedaan, maar heeft aan dat standpunt geen conclusie verbonden. Ten aanzien van de op 24 februari 2011 door [rechtspersoon 2] aan verdachte overgemaakte € 70.000,- heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat [persoon 3] hiermee is opgelicht door verdachte en [persoon 2] met een verzonnen verhaal over bedrijven in Bulgarije die geïnteresseerd zouden zijn in het softwareprogramma VTGM en dat [persoon 2] dit verhaal bevestigde. [persoon 3] heeft verklaard dat hij voor deze transactie € 70.000,- moest overmaken. Ten aanzien van het door [persoon 3] aan verdachte op 7 maart 2011 betaalde bedrag van € 4.000,- onder vermelding van "autokosten" heeft het Openbaar Ministerie vrijspraak van de ten laste gelegde oplichting gevorderd, nu hier weliswaar mogelijk sprake is geweest van oplichting door verdachte door [persoon 3] voor te houden dat hij autopech had en dat [persoon 3] de kosten moest voorschieten, maar dat de tenlastelegging geen gedragingen bevat die in het licht van deze betaling als een samenweefsel van verdichtsels gezien kunnen worden. 9.2 Het standpunt van de verdediging De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging, weergegeven in de pleitnota als puntsgewijs commentaar op het requisitoir, voor zover van belang voor de ten laste gelegde oplichting van [persoon 3] aldus: Getuige [persoon 23] heeft [persoon 4] gezien, er wordt in telefoongesprekken aan [persoon 4] gerefereerd en verdachte heeft aangegeven [persoon 4] aan de telefoon gehad te hebben. Gegeven dit alles had de officier van justitie op zijn minst genomen de mogelijkheid open moeten houden dat [persoon 4] bestond. Er is geen bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij [persoon 5] die zich zou hebben voorgedaan als [persoon 4]. Het initiatief voor de gouddeal is niet van verdachte maar van medeverdachte [persoon 2] uitgegaan. [persoon 3] heeft zelf verklaard dat de eerste € 400.000,- die door hem zijn aanbetaald voor logistiek, derhalve voor de smokkel van het goud, waren bedoeld. Er is geen sprake van oplichting van [persoon 3] met betrekking tot de textieldeal, want [persoon 3] wist dat het geld bestemd was om schulden mee te betalen. De spijkerbroeken hebben nooit bestaan. 9.3 Het oordeel van de rechtbank 9.3.1 De bewijsmiddelen De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [persoon 3] is (mede)eigenaar van de bedrijven [rechtspersoon 1]xxxv, [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 2]xxxvi Op 25 maart 2010 is vanaf de rekening van [rechtspersoon 1] € 250.000,- overgemaakt en vanaf de rekening van [rechtspersoon 2] € 50.000,- naar de derdenrekening van [persoon 2], onder vermelding van "security deposit gold contract". Op 26 maart 2010 maakt [persoon 2] € 200.000,- en € 130.000,- over van zijn derdenrekening naar de privérekening van [verdachte].xxxvii De privérekening van [verdachte] heeft het rekeningnummer [rekeningnummer 1].xxxviii Op 28 april 2010 werd vanaf de rekening van [rechtspersoon 2] € 50.000,- overgemaakt naar de privérekening van [verdachte] onder vermelding van "spoedoverboeking".xxxix Op 10 mei 2010 maakt [persoon 3] vanaf zijn privérekening € 7.500,- over naar de privérekening van [verdachte] onder vermelding van "spoedoverboeking". xl Op 18 juni 2010 werd vanaf de rekening van [rechtspersoon 3] € 50.000,- overgemaakt naar de privérekening van [verdachte] onder vermelding van "spoedoverboeking". xli In een aan [verdachte] gerichte brief, gedateerd 8 februari 2010, ondertekend door [persoon 2] en [persoon 3] staat - onder meer - geschreven: "(...) Het doel van de aan jou te betalen, en door jou vervolgens ter fine van de samenwerkingsovereenkomst aan te wenden gelden is, kort gezegd, (
- a)de inkoop door jou van goederen en (
- b)het maken van allerlei verkoopkosten in de ruimste zin (...). Gezamenlijk zullen we conform afspraak de komende maanden de volgende bedragen naar jou overmaken: Investering Beoogde periode Bedrag [persoon 3] ([rechtspersoon 2]) maart € 300.000,- [persoon 2] ([rechtspersoon 9]) maart € 30.000,- [verdachte] (privé) maart € 30.000,- [persoon 3] ([rechtspersoon 2]) april € 7.500,- [persoon 3] ([rechtspersoon 2]) april € 50.000,- [persoon 2] ([rechtspersoon 9]) april € 10.000,- [persoon 3] ([rechtspersoon 2]) mei € 7.500,- [persoon 3] ([rechtspersoon 2]) juni € 50.000,- (...)"xlii [persoon 2] heeft verklaard dat ze (de rechtbank begrijpt: [verdachte], [persoon 3] en [persoon 2]) bezig waren met een gouddeal die volgens hem volkomen legaal was.xliii [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat alle bedragen die door [persoon 3] aan hem zijn betaald, betaald zijn in het kader van de smokkel van goud.xliv Ter terechtzitting heeft [persoon 3] verklaard dat de € 300.000,- die hij op 25 maart 2010 heeft overgemaakt naar de derdenrekening van [persoon 2] bedoeld waren voor het logistieke proces voor de gouddeal. xlv [persoon 3] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte], die bij hem was geïntroduceerd door [persoon 2], rijke vrome joden vertegenwoordigde die goud wilden afnemen. Er moest geïnvesteerd worden in logistiek en daarvoor moest hij, [persoon 3], € 350.000,- inleggen. De opbrengst van de gouddeal zou voor hun drieën samen 140 miljoen euro bedragen. [persoon 3] heeft verder verklaard dat [persoon 4] de vrome jood was die het goud zou gaan kopen, maar dat hij nooit iemand heeft gezien van de zijde van de kopers. Het bedrag van € 50.000,- dat hij in april 2010 aan [verdachte] heeft overgemaakt, heeft vermoedelijk ook te maken met de gouddeal en ook de bedragen van € 7.500,- en € 50.000,- hebben daarmee te maken. [persoon 3] heeft verklaard dat [verdachte] had verteld dat de betaling voor het goud bij de grens was tegengehouden, dat de Israëliërs daarom boos waren en dat er daarom € 50.000,- naar [verdachte] overgemaakt moest worden.xlvi [persoon 2] was de directeur en [persoon 3] vertrouwde hem. [persoon 2] zou het allemaal regelen en de grote bedragen maakte [persoon 3] allemaal over op verzoek van [persoon 2].xlvii [persoon 5] heeft verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) vertelde dat hij, [persoon 5], naar iemand moest bellen en zich moest voordoen als [persoon 4] of [persoon 24], een buitenlander met een Israëlische achtergrond, die gebrekkig Engels sprak, dat hij de tekst van [verdachte] gedicteerd kreeg en dat het om een zakelijk gesprek ging, inhoudende dat het uitgesteld moest worden omdat de papieren nog niet klaar waren. [persoon 5] weet dat er werd opgenomen door [persoon 2]. [persoon 5] heeft verder verklaard dat hij later, in de auto langs de weg van Uithoorn naar Mijdrecht weer gebeld heeft naar [persoon 2] en zich moest voordoen als [persoon 4] of [persoon 24].xlviii [persoon 3] heeft verklaard dat hij geld heeft afgedragen voor investeringen die hij nooit had gedaan als hij alle feiten had gekend, dat hij door list en bedrog op het verkeerde been is gezet, waardoor hij geïnvesteerd heeft in zaken die op niets zijn uitgelopen.xlix 9.3.2 De bewijsoverwegingen ten aanzien van de in maart tot en met juni 2010 betaalde bedragen De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [persoon 3] door oplichting heeft bewogen tot betaling van de in maart tot en met juni 2010 overgemaakte bedragen van € 250.000,-, € 50.000,-, € 50.000,-, € 7.500,- en € 50.000,-. Uit de verklaring van [persoon 3] volgt dat deze bedragen aan verdachte, al dan niet via de derdenrekening van [persoon 2], zijn overgemaakt ten behoeve van het logistieke proces van de gouddeal. Dat [persoon 4] geen verzinsel was, maar wel degelijk zou hebben bestaan, en dat hij de aan hem overgemaakte bedragen wel degelijk zou hebben aangewend ten behoeve van de, weliswaar illegale gouddeal, is door verdachte op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Integendeel. De verklaring van [persoon 5] dat hij zich meerdere malen in opdracht van verdachte telefonisch tegenover [persoon 2] als [persoon 4] heeft moeten voordoen, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat het bestaan van deze [persoon 4] met wie de grote gouddeal gesloten zou worden, volledig door verdachte verzonnen is. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [persoon 3], waardoor deze bewogen is tot afgifte van de hiervoor genoemde bedragen. Anders dan het Openbaar Ministerie acht de rechtbank ook bewezen dat de door [persoon 3] in juni 2010 overgemaakte € 50.000,- als gevolg van oplichting door verdachte is betaald. [persoon 3] heeft bij de politie over dit bedrag expliciet verklaard dat dit in het kader van de gouddeal is betaald, meer in het bijzonder, nadat door verdachte zou zijn verteld dat bij de grens de busjes met contant geld aangehouden waren. Bovendien wordt in de brief van 8 februari 2010, waarin de bedragen worden opgesomd die in het kader van de samenwerking aan verdachte betaald dienen te worden, welke betalingen volgens de verklaring van [persoon 2] bedoeld waren voor de gouddeal, het bedrag van € 50.000,- te voldoen in juni 2010, expliciet genoemd. De rechtbank acht, net als het Openbaar Ministerie, niet bewezen dat verdachte [persoon 3] tezamen en in vereniging met een ander, heeft opgelicht. Weliswaar volgt uit het dossier dat [persoon 3] alle bedragen naar verdachte op verzoek van [persoon 2] overmaakte, die hij naar zijn zeggen volledig vertrouwde, nadat hij hem, als zijn voormalig advocaat, had aangesteld als managing director van [rechtspersoon 3], laatstelijk tegen betaling van € 25.000,- per maand, maar tevens blijkt uit het dossier dat [persoon 2] in die periode eveneens heilig in de gouddeal geloofde, zodat - bij gebreke van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling - van oplichting door [persoon 2] destijds geen sprake was. 9.3.3 Vrijspraak Anders dan het Openbaar Ministerie acht de rechtbank niet bewezen dat [persoon 3] door oplichting is bewogen tot afgifte van de € 23.000,- op 13 september 2010 en spreekt verdachte daarom van dat deel van de tenlastelegging vrij. [persoon 3] heeft bij de politie over de betaling van deze € 23.000,- verklaard dat in de zomer van 2010 verdachte hem vertelde dat het geld (de rechtbank begrijpt: het door [persoon 3] ten behoeve van de gouddeal overgemaakt geld) verantwoord moest worden, dat hij toen samen met een zekere [persoon 5] en [persoon 18] in het [hotel 3] in Amsterdam kwam met een factuur van € 477.000,- voor een textieltransactie, dat [persoon 5] € 23.000,- 'voor de moeite' wilde hebben, dat verdachte later ook een vrachtbrief had, dat [persoon 2] alles zou hebben gecontroleerd en dat verdachte en deze [persoon 5] enige tijd later bij hem th