vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/517343 / HA ZA 12-617 Vonnis van 1 mei 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] BEHEER B.V., gevestigd te --, eiseres, advocaat: mr. J.C. Dorrepaal te Alphen aan den Rijn, tegen de naamloze vennootschap ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat: mr. D.M.H. de Leeuw te Amsterdam. Partijen zullen hierna Beheer en ING worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 augustus 2012, - het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2012, - de akte van 12 december 2012, met producties, van Beheer, - de antwoordakte tevens akte overlegging producties van 9 januari 2013, van ING, - de akte uitlaten producties van 6 februari 2013, van Beheer. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [A] (hierna: [A]) is, althans was, (middellijk) bestuurder van Beheer en van de vennootschap [A] Elektro B.V. (hierna: Elektro). 2.2. Op 10 juni 2003 heeft ING een krediet van € 292.473,00 verstrekt aan Beheer en Elektro als hoofdelijk verbonden schuldenaren. Dit krediet zal hierna samenvattend ook worden aangeduid als: de Rentevastlening. 2.3. Op 19 mei 2008 heeft ING een krediet van € 175.000,00 verstrekt aan Beheer en Elektro als hoofdelijk verbonden schuldenaren. Blijkens de tekst van de desbetreffende overeenkomst is het krediet bestemd voor Beheer met als doel ‘Herfinanciering bedrijfspand’. Dit krediet zal hierna samenvattend ook worden aangeduid als: de Euroflexlening. 2.4. Tot zekerheid van terugbetaling van de Rentevastlening en de Euroflexlening (tezamen: het Krediet) zijn ten behoeve van ING pandrechten gevestigd op goederen van Elektro en een recht van hypotheek op het bedrijfspand van Beheer. 2.5. In 2010 heeft overleg plaatsgevonden tussen ING ([B]) en [A] omdat Elektro in financieel zwaar weer was geraakt. Daarbij is gesproken over de gevolgen van een eventueel faillissement van Elektro voor de positie van Beheer, en dan met name over de hoogte van een alsdan eventueel resterende schuld van Beheer uit hoofde van het Krediet en de vraag of het mogelijk zou zijn te voorkomen dat het bedrijfspand van Beheer uitgewonnen zou worden. 2.6. Naar aanleiding van dit gesprek zijn door [A] pandlijsten aangeleverd en is door Elektro een zo groot mogelijk deel van het Krediet aangezuiverd. 2.7. Op 20 juli 2010 is Elektro in staat van faillissement verklaard. 2.8. De schuld van Beheer en Elektro aan ING uit hoofde van het Krediet bedroeg op dat moment € 235.516,94. 2.9. Op of daags na 20 juli 2010 heeft ING aan de curator van Elektro laten weten dat de pandrechten op de goederen van Elektro als vrijgegeven kunnen worden beschouwd aangezien zij geen vordering op Elektro meer zou hebben. 2.10. Tussen 20 juli 2010 en 1 oktober 2010 heeft Beheer de volledige restschuld aan ING uit hoofde van het Krediet voldaan, dat wil zeggen een bedrag van € 239.704,00 – kennelijk inclusief de sinds datum faillissement Elektro vervallen rente. 2.11. Op verzoek van Beheer heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. ING heeft de door haar in dat kader gemaakte kosten ad € 7.234,40 op grond van haar algemene voorwaarden ten laste van Beheer gebracht. 3. Het geschil 3.1. Beheer vordert – samengevat – dat ING bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan Beheer van: a. € 69.571,47 aan hoofdsom, b. € 7.234,40 aan kosten voor het voorlopig getuigenverhoor, die Beheer door middel van verrekening ten onrechte aan ING heeft betaald, c. € 9.207,40 aan buitengerechtelijke incassokosten en kosten verband houdend met het voorlopig getuigenverhoor, d. de tot heden gevallen en de na dit vonnis te ontstane kosten van het geding, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. Beheer legt het volgende aan de vordering ten grondslag. 3.2.1. Primair. ING was jegens Beheer gehouden om, door middel van uitwinning van de pandrechten, de restschuld van Beheer onder het Krediet zo laag mogelijk te maken. ING heeft deze zorgplicht geschonden door zonder overleg met Beheer - althans: in strijd met de inhoud van het wél gevoerde overleg - de pandrechten vrij te geven aan de curator van Elektro. Zodoende heeft ING schade berokkend aan Beheer. Uitwinning van de pandrechten zou immers hebben geleid tot een lagere restschuld van Beheer aan ING. De gevorderde hoofdsom van € 69.571,47 is - volgens de curator van Elektro - de opbrengst van de door ING vrijgegeven pandrechten, die bij uitwinning door ING in mindering zou zijn gebracht op het onder het Krediet openstaande bedrag dat ten laste van Beheer is gekomen. 3.2.2. Subsidiair doet Beheer een beroep op het bepaalde in artikel 6:154 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Na het failleren van Elektro heeft Beheer de restschuld aan ING afgelost. Deze restschuld bedroeg € 239.704,00. In de onderlinge verhouding tussen schuldenaren Beheer en Elektro ging deze restschuld Beheer aan voor een bedrag van € 80.358,00 uit hoofde van de Rentevastlening, en ging zij Elektro aan voor het resterend bedrag van € 159.346,00. Voor laatstgenoemd bedrag is Beheer gesubrogeerd in de rechten van ING jegens Elektro. Op grond van artikel 6:154 BW was ING verplicht zich te onthouden van het vrijgeven van de pandrechten aan de curator van Elektro. ING heeft deze verplichting geschonden, waaruit voor Beheer schade is voortgevloeid omdat, zonder de pandrechten, inning van de vordering van Beheer op de faillissementsboedel van Elektro illusoir is. 3.2.3. ING heeft ten onrechte de kosten van het voorlopig getuigenverhoor aan Beheer doorbelast nu haar tekortkomingen het verhoor nodig hebben gemaakt zodat zij de daaraan verbonden kosten dient te dragen. Indien Beheer in deze procedure in het gelijk wordt gesteld dient ING de in rekening gebrachte kosten terug te betalen, aldus steeds Beheer. 3.3. ING voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van Beheer in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Elektro en Beheer waren jegens ING hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van het Krediet en ieder van hen kon dus door ING kon worden aangesproken tot betaling van het geheel van de schuld. Dit betekent dat als de ene vennootschap aan ING betaalt, daardoor ook de schuld van de andere vennootschap aan ING afneemt. Op grond van het bepaalde in artikel 6:10 BW zijn hoofdelijke schuldenaren (hier Elektro en Beheer) in hun onderlinge verhouding verplicht bij te dragen tot het gedeelte van de schuld dat hen aangaat. Dit betekent dat als een van hen meer aan ING betaalt dan het deel van de schuld dat haar aangaat, de ander het verschil aan haar moet terugbetalen. Ingevolge artikel 6:12 BW gaan in dat geval de aan het teveel betaalde deel verbonden (zekerheids)rechten krachtens subrogatie van ING over op degene die verhaal zoekt voor het deel dat zij teveel heeft betaald. Artikel 6:154 BW bepaalt vervolgens dat ING ten behoeve van degene die meer betaalt dan het deel dat haar aangaat, moet zorgen dat de bestaande zekerheidsrechten niet teniet gaan. 4.2. Tegen die achtergrond stelt Beheer zich op het standpunt dat ING ofwel (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.