beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/544274 / HA RK 13-172 Beschikking van 2 januari 2014 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats], verzoekster, advocaat mr. A. Peijs te Amsterdam, tegen de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Zoetermeer, verweerster, advocaat mr. H. van Katwijk te Ermelo. Partijen zullen hierna [verzoekster] en Reaal worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, met producties, de brief van mr. Van Katwijk van 10 september 2013, met één productie, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 september 2013, met de daarin genoemde stukken, de akte van [verzoekster], met producties, de akte van Reaal. 1.2. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald. 2. De feiten 2.1. [verzoekster] is op [datum] betrokken geraakt bij een verkeersongeval te [plaats 1]. Zij zat als passagier in een auto die van links werd aangereden door een bestelbusje, verzekerd bij Reaal. 2.2. Ten tijde van het ongeval was [verzoekster] als [functie] werkzaam bij [bedrijf] voor 40 uur in de week. Na het ongeval is haar tijdelijke contract bij [bedrijf] met een jaar verlengd tot 1 januari 2006. Per 1 januari 2006 is zij voor 40 uur per week als [functie] gaan werken bij [bedrijf 2]. 2.3. Begin 2006 werd [verzoekster] zwanger. Per 25 april 2006 is zij 36 uur per week gaan werken, verdeeld over vier dagen. Na twee tijdelijke contracten is er een vast dienstverband tussen haar en [bedrijf 2] tot stand gekomen. Op 21 september 2006 heeft [bedrijf 2] [verzoekster] medegedeeld dat zij na afloop van haar zwangerschapsverlof promotie zou maken tot [functie]. Op [datum] is [verzoekster] bevallen. Na afloop van haar zwangerschapsverlof in januari 2007 heeft zij een aantal weken 36 uur per week gewerkt, daarna heeft zij zich op 29 januari 2007 ziek gemeld. Onder begeleiding van de bedrijfsarts is zij geleidelijk weer aan het werk gegaan totdat zij haar werkzaamheden weer volledig heeft hervat. Per 1 juli 2008 is zij vanwege een reorganisatie boventallig verklaard. De nieuwe baan die haar door [bedrijf 2] in het kader van re-deployment in 2009 is aangeboden heeft zij geweigerd en zij heeft zich ziek gemeld. Het dienstverband bij [bedrijf 2] is per [datum] ontbonden. 2.4. Op gezamenlijk verzoek van [verzoekster] en Reaal heeft neuroloog dr. Oosterhoff (hierna: Oosterhoff) een expertise-onderzoek verricht. Zijn rapportage d.d. 30 januari 2010 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “(…) VI. CONCLUSIE Bij het ongeval op [datum]was betrokkene het slachtoffer van een frontale botsing. Het is zeer aannemelijk dat daarbij een decelaratietrauma van de nek is opgetreden (een whiplash like injury), waarna betrokkene vrijwel direct klachten heeft gekregen over pijn in de nek, de rechter schoudergordel en arm. (…) BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN: (…) e. Wat is de diagnose op uw vakgebied (…)? Antwoord: Voor de diagnose op neurologisch vakgebied mag verwezen worden naar hetgeen in het geneeskundig rapport is beschreven in hoofdstuk “VI. Conclusie”. Resumerend resteert er bij haar een voornamelijk myotendinogene cervicobrachialgie als status na een whiplashtrauma van de nek bij het ongeval op [datum]. f. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn? Antwoord: (…) Zij heeft geen andere lichamelijke aandoening, noch vóór, noch na het ongeval op grond waarvan haar huidige klachten verklaard zouden kunnen worden. (…) h. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in zijn huidige toestand in het dagelijks leven (…)? Antwoord: Naar mijn oordeel ondervindt betrokkene geen beperkingen bij de activiteiten van het dagelijkse leven (de ADL-functies), voor zover het daarbij tenminste gaat om de zelfverzorging, de persoonlijke hygiëne, de transfers en het vervoer. Wel heeft zij aangegeven belemmeringen te ondervinden bij de verzorging van haar kind, bij huishoudelijke werkzaamheden, de recreatieve activiteiten en de beroepsbezigheden. Deze belemmeringen hangen samen met een opvlamming van haar nek-, schouder- en armpijnen bij het verrichten van lichamelijke belasting, vooral wanneer deze langdurig volgehouden moet worden. Zij is met name beperkt bij nek- en schouderbelastende activiteiten zoals voorkomt bij langdurig gebukt staan of boven schouderhoogte werken en bij zwaar tillen, sjouwen, duwen en trekken. Voorts zijn er belemmeringen bij klimmen en klauteren, ver reiken, kruipen en knielen en lang zitten. Bij alle activiteiten is er altijd een pijn die langdurig volhouden van de bezigheden frustreert. Dit betekent dar zij de beperkingen vooral ervaart bij een lange duur van de activiteiten. Er is dus een beperkte duurbelastbaarheid. De beperkingen zijn begrijpelijk op grond van de aanwezigheid van het bij haar bestaande pijnsyndroom. i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Antwoord: (…) Er is min of meer een eindtoestand bereikt. (…) Dit betekent dat niet meer op een essentiële verbetering ten opzichte van de huidige situatie gerekend hoeft te worden. (…)” 2.5. Partijen hebben vervolgens aan [arbeidsdeskundig bureau] verzocht om [verzoekster] te begeleiden bij haar re-integratie. Het re-integratiedeskundig rapport van 19 augustus 2010 houdt, voor zover hier van belang, in: “(…) 4 SAMENVATTING Betrokkene presenteert nog een scala aan klachten en beperkingen. Zij geeft aan dat zij nauwelijks belastbaar is en zowel ’s morgens als ’s middags deels in bed doorbrengt. Zij heeft een laptop waarop zij in bed de krant kan lezen, haar e-mails kan zien en als het haar lukt deze te beantwoorden. Zij wendt haar energie aan om ‘er te zijn’ als haar zoontje thuis is en daarnaast doet zij nauwelijks iets. Betrokkene heeft veel behandelingen gehad, maar dit heeft niet geleid tot klachtenreductie. Haar leven wordt dag en nacht beheerst door de klachten en beperkingen, vertelt betrokkene desgevraagd. Mijn advies is dat voordat gestart kan worden met een re-integratietraject betrokkene eerst zal moeten werken aan de verhoging van haar belastbaarheid, wellicht door een multidisciplinaire en vooral functiegerichte training, waarin zij leert hoe zij het beste met haar beperkingen kan omgaan. 5 CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VRAAGSTELLING Na overweging en afgaand op de wijze waarop betrokkene haar klachten en beperkingen ervaart en presenteert in combinatie met het gegeven dat de verzekeringsarts van het UWV haar feitelijk nog volledig arbeidsongeschikt vindt. zie ik nu geen mogelijkheden tot re-integratie. (…)” 2.6. In september 2010 heeft Reaal [onderzoeksbureau] opdracht gegeven om een persoonlijk onderzoek naar [verzoekster] te verrichten. Het persoonlijk onderzoek heeft bestaan uit een dossieranalyse, deskresearch en uit het volgen, observeren en filmen van [verzoekster]. 2.7. Het rapport betreffende het feitenonderzoek van Reaal&Partners van 13 oktober 2010 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “(…) 3. Deskresearch (…) Uit de informatie van internet is naar voren gekomen dat betrokkene actiever lijkt te zijn dat wat ze heeft verklaard. Zo kan ze bijvoorbeeld meer dan alleen maar e-mails beantwoorden (ze is actief op diverse forums en schrijft blogs), lijkt ze actief (op zoek) te zijn met zaken gerelateerd aan recruitment en lijkt ze een actiever sociaal leven te hebben dan wat ze heeft verklaard. 4Conclusie & Advies Het feitenonderzoek heeft geen – althans onvoldoende – uitsluitsel gegeven omtrent de feiten en omstandigheden en er blijft een gerede twijfel bestaan omtrent de juistheid of volledigheid van de feiten en omstandigheden die uit het feitenonderzoek naar voren zijn gekomen. Derhalve wordt geadviseerd vervolgonderzoek te verrichten, namelijk persoonlijk onderzoek in de vorm van observatie. (…)” 2.8. Het observatie-rapport van 25 januari 2011 van [onderzoeksbureau] houdt, voor zover hier van belang, in: “(…) 4. Observatie Observatie heeft plaatsgevonden op 29 en 30 november 2010 en 01, 15, 16 en 22 december 2010 en 04, 05 en 06 januari 2011. (…) 5Conclusie Tijdens de observatie is naar voren gekomen dat betrokkene actief is geweest met verschillende activiteiten, waaronder: Het meerdere malen brengen en halen van haar kind naar en van school; Het op verschillende dagen winkelen en spullen kopen in verschillende winkels (…); Het aanwezig zijn als een begeleider van schoolkinderen bij een ijsbaan en vermoedelijk ook bij een kinderfeest. Het sporten in een sportschool; Betrokkene is daarbij meerdere malen waargenomen terwijl ze gevulde tassen bij zich droeg. Op een aantal dagen (15, 16 en 22 december 2010) is betrokkene in het geheel niet waargenomen. Ook stonden de voertuigen voor de woning op alle dagen op dezelfde wijze geparkeerd en lag er een pak sneeuw op de voertuigen. Tevens is er geen brandend ligt in de woning waargenomen. Vermoedelijk is betrokkene op deze dagen op vakantie geweest of iets dergelijks. Op geen enkel moment zijn er tijdens de observatie ogenschijnlijk enige fysieke beperkingen bij betrokkene waargenomen. (…)” 2.9. Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het UWV aan [verzoekster] bericht dat zij met ingang van 18 februari 2011 niet in aanmerking zou komen voor een uitkering krachtens de WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt, welk bezwaar ongegrond is verklaard. [verzoekster] is in beroep gegaan bij de rechtbank. Op verzoek van de rechtbank heeft [psycholoog], klinisch psycholoog, een rapportage uitgebracht. Daarna heeft [psychiater], psychiater, een expertise verricht. 2.10. Op 27 april 2011 heeft Reaal medisch advies gevraagd. Het medisch advies van [naam] (arts/medisch adviseur) van 1 juni 2011 houdt, voor zover hier van belang, in: “(…) 3. Mijn commentaar A. Algemeen (...) In mijn vorige advies d.d. 27-04-2010 adviseerde ik u dat het expertiserapport van neuroloog Oosterhoff d.d. 30-01-2010 wel als basis kan dienen voor afwikkeling van deze letselschadeclaim. (…) U geeft in uw adviesaanvraag d.d. 27-04-2011 aan dat zich sedert dat laatste advies de nodige ontwikkelingen hebben voorgedaan. (…) Blijkbaar constateerde u discrepanties tussen de klachtenpresentatie van betrokkene en de inhoud van enige op het internet verkregen informatie, hetgeen voor u aanleiding vormde om het onderzoeks- en [onderzoeksbureau] in te schakelen. Naar aanleiding van hun observatie (…) stelt u mij nu diverse vragen met betrekking tot met name de door betrokkene geuite lagerug- en extreme vermoeidheidsklachten. Deze vragen vormden voor mij aanleiding om de tot april 2010 in het dossier aanwezige stukken mede bij mijn beoordeling te betrekken. (…) B. Beantwoording van uw specifieke vragen (…) 3. Biedt de nu in uw bezit zijnde medische informatie onderbouwing voor de geuite lagerugklachten en extreme vermoeidheidsklachten? Nee, de beschikbare medische gegevens bieden geen onderbouwing voor de door betrokkene geclaimde lagerugklachten. (…) En verder pleiten de diverse sociale activiteiten van betrokkene, zoals door de onderzoekers van [onderzoeksbureau] in hun verslagen en deskresearch zijn beschreven, tegen de aanwezigheid van extreme vermoeidheidsklachten. (…)” Advies Op basis van dvd-beelden, het observatieverslag met diverse bijlagen van [onderzoeksbureau] is mijns inziens te concluderen dat er geen aanwijzingen zijn voor ernstige beperkingen bij nek- en schouderbelastende activiteiten, en ook niet voor een ernstig beperkte duurbelastbaarheid (zoals door betrokkene aan de re-integratiedeskundige werd beschreven). Met deze gegevens kan, rekening houdend met de beschikbare medische gegevens uit het behandelend circuit en de onafhankelijke expertiserapportage, echter niet verworpen worden dat er bij betrokkene sprake is van lichte beperkingen bij langdurig aaneengesloten uit te voeren nek- en schouderbelastende activiteiten. (…)” 2.11. Op basis van de rapportage van [psychiater] heeft verzekeringsarts Bezwaar en Beroep [naam 2] een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld d.d. 28 juni 2013. 2.12. Op 29 juni 2011 heeft Reaal aan de raadsvrouw van [verzoekster] bericht, voor zover hier van belang: “(..) Wij kunnen op grond van de inhoud van het dossier in samenhang met de observaties van [onderzoeksbureau]niet anders concluderen dan dat wij ten aanzien van de aard en de ernst van het letsel en de hieruit voortvloeiende beperkingen door uw cliënte zijn misleid. (…)” 2.13. Daarna heeft een onderzoek plaatsgevonden door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, [naam 3]. Haar rapport van 1 juli 2013 houdt, voor zover hier van belang, in: “(…) In afwijking van de bestreden beslissing op bezwaar bepaal ik de mate van arbeidsongeschiktheid op 80-100%. (…)” 2.14. Bij brief van 12 juli 2013 heeft het UWV [verzoekster] bericht dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 februari 2011 vastgesteld wordt op 80-100%. 2.15. Op verzoek van Reaal heeft [naam 4] (hierna: [naam 4]), arts voor arbeid en gezondheid en verzekeringsarts, een medisch advies uitgebracht d.d. 10 september 2013. Dit advies houdt, voor zover hier van belang, in: “(…) 4. Kortom, er zijn in onderhavige casus meerdere discrepanties, inconsistenties en ongerijmdheden te duiden ten aanzien van meerdere relevante aspecten zoals de specificiteit van het gepresenteerde beeld, het beloop in de tijd, de arbeidsparticipatie en mate van arbeids(on)geschiktheid, de presentatie in de onderzoekssetting en de inzet, betrouwbaarheid en validiteit van de resultaten van gericht testonderzoek. Ik acht de som van die verschillende delen dermate groot dat er aan het voorliggende expertiseonderzoek geen conclusies kunnen worden verbonden (…). Bovendien is niet komen vast te staan dat eventueel aanwezige gezondheidsproblematiek c.q. pathologie alleen in verband staat met de onderhavige aanrijding en met niets anders. 5. In het perspectief van het voorgaande moet ook nog gewezen worden op het persoonlijke onderzoek (…). Alles overziend komt het me voor dat de bevindingen van het persoonlijke onderzoek het vermoeden op bewuste gedragscomponenten in de claimpresentatie en het daaraan gekoppelde onvermogen en disfunctioneren eerder bevestigen dan weerleggen. (…) 6. Mocht het beschikbare expertiseonderzoek onvoldoende basis bieden voor een verdere afwikkeling en in enige vorm herhaald moeten worden dan lijkt me primair herhaling van het npo op zijn plaats, en wel afdoende gevalideerd testonderzoek met uitgebreide aandacht voor testmotivatie, inzet, onderpresteren en overaccentuering. (…)” 2.16. [verzoekster] heeft het medisch advies van [naam 4] voorgelegd aan haar medisch adviseur [naam 5] (hierna: [naam 5]) en aan [psycholoog]. Zij heeft hun reacties bij akte in het geding gebracht. 2.17. Het rapport van [naam 5] houdt, voor zover hier van belang, in: “(…) De mening van collega [naam 4] qua medisch adviseur van de aansprakelijke assuradeur wordt inhoudelijk niet ondersteund vanuit het dossier, noch weet collega [naam 4] zijn mening zelf inhoudelijk te onderbouwen. (…) Collega [naam 4] heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat de uitgevoerde onderzoeken door de neuroloog Oosterhoff, de neuropsycholoog [psycholoog] of de psychiater [psychiater] kwalitatief onvoldoende zijn. (…) In conclusie valt er over het verslag van collega [naam 4] (…) niets anders te zeggen dat er veel wordt gesuggereerd maar dat er eigenlijk weinig wordt bewezen. (…) Ik zie geen enkele reden om bij uw cliënte al deze onderzoeken opnieuw te laten verrichten. (…)” 2.18. Reaal heeft bij akte gereageerd op de akte met producties van [verzoekster]. 3. Het deelgeschil 3.1. [verzoekster] heeft na wijziging van haar verzoek verzocht om: te verklaren voor recht dat het door [onderzoeksbureau] in opdracht van Reaal uitgevoerde persoonlijk onderzoek jegens [verzoekster] onrechtmatig was, althans dat de uitkomsten van dat persoonlijk onderzoek buiten beschouwing moeten blijven bij de verdere schaderegeling; te verklaren voor recht dat [verzoekster] Reaal niet heeft misleid; te verklaren voor recht dat [verzoekster] Reaal niet welbewust onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde een uitkering te verkrijgen waarop zij geen of in mindere mate recht heeft; te verklaren voor recht dat het recht van [verzoekster] jegens Reaal op schadevergoeding niet is vervallen; te verklaren voor recht dat het rapport van Oosterhoff (en de daarin benoemde al dan niet medisch objectiveerbare klachten en beperkingen) alsmede de na beroep gewijzigde FML van UWV van 28 juni 2013 als uitgangspunt moet dienen bij de verdere schaderegeling; te verklaren voor recht dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval volledig arbeidsongeschikt is; de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] te begroten op € 6.606,60 inclusief BTW en Reaal te veroordelen over te gaan tot vergoeding van dit bedrag aan [verzoekster]. 3.2. [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de schaderegeling tussen partijen is vastgelopen op de vraag of het rapport van Oosterhoff als leidend moet worden beschouwd voor de verdere schadeafwikkeling en in mindere mate op de vraag of op basis van het UWV rapport al voldoende vaststaat dat [verzoekster] arbeidsongeschikt is. Een beslissing van de rechtbank op deze punten zal bijdragen aan de oplossing van de zaak en zal een vaststellingsovereenkomst dichterbij brengen, aldus steeds [verzoekster]. 3.3. Reaal heeft verweer gevoerd. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Alvorens in te gaan op de vraag of het rapport van Oosterhoff als leidend moet worden beschouwd voor de verdere schadeafwikkeling, zal de rechtbank ingaan op de vraag of het persoonlijk onderzoek als onrechtmatig moet worden beschouwd. Het antwoord op die vraag is immers van belang voor beantwoording van de vraag of het rapport van Oosterhoff als leidend moet worden beschouwd. Het persoonlijk onderzoek 4.2. [verzoekster] heeft gesteld dat het persoonlijk onderzoek onrechtmatig is jegens [verzoekster]. Zij heeft ter onderbouwing van die stelling gewezen op de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek waarin is bepaald dat een dergelijk onderzoek alleen mag worden verricht als voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het onderzoek voldeed volgens [verzoekster] niet aan die eisen. Aan [verzoekster] hadden immers gewoon vragen kunnen worden gesteld en bovendien stonden er voldoende andere mogelijkheden ter beschikking aan Reaal om de gewenste informatie te verkrijgen. Voorts geldt dat het besluit tot het verrichten van het persoonlijk onderzoek niet genomen is door de leidinggevende van de behandelaar bij Reaal, dat het onderzoek niet gericht is op de beantwoording van bepaalde vragen en dat in de opdrachtverstrekking geen doel of aard van het onderzoek is vastgelegd, hetgeen allemaal wel is vereist op grond van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek. De rapportage dient daarom als onrechtmatig verkregen bewijs te worden beschouwd en buiten beschouwing te worden gelaten bij de verdere schaderegeling, aldus [verzoekster]. 4.3. Reaal heeft hiertegen aangevoerd dat er geen sprake is van schending van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Volgens haar is het persoonlijk onderzoek juist uitgevoerd omdat de verwachting was dat [verzoekster] de vragen niet juist zou beantwoorden. Reaal stonden geen andere manieren ter beschikking om de benodigde informatie te verkrijgen: de onderzoeken die voor het persoonlijk onderzoek waren verricht leverden nu juist onvoldoende gegevens op. Ook klopt het niet dat het besluit niet door een leidinggevende is genomen. Het besluit is genomen door [naam 6], een hogere leidinggevende van de behandelaar. Ook het doel van het onderzoek is geformuleerd, namelijk een onderzoek naar de dagelijkse activiteiten van [verzoekster]. Het onderzoek was gericht op het vergelijken van de resultaten van het onderzoek met de door [verzoekster] genoemde activiteiten, aldus steeds Reaal. 4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Om personen naar wie een persoonlijk onderzoek wordt ingesteld te beschermen tegen onnodige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en om de gedragingen van verzekeringsmaatschappijen op dit gebied toetsbaar te maken, heeft het Verbond van Verzekeraars de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (hierna: de Gedragscode) opgesteld, welke in werking is getreden op 1 september 1997. De Gedragscode is gebaseerd op het beginsel van proportionaliteit, dat noopt tot een zorgvuldige afweging tussen de diverse belangen die dit onderzoek indiceren en de mate waarin er sprake kan zijn dat de persoonlijke levenssfeer van betrokkene wordt geraakt, en van subsidiariteit, dat de verzekeraar stelt voor de beoordeling of persoonlijk onderzoek het enige hem ter beschikking staande middel is, dan wel er andere mogelijkheden van onderzoek zijn die tot hetzelfde resultaat kunnen leiden zonder dat daarbij de persoonlijke levenssfeer van betrokkene wordt geraakt, in welk geval de verzekeraar van het doen van persoonlijk onderzoek dient af te zien. Dit laatste brengt mee dat er eerst plaats is voor het instellen van een persoonlijk onderzoek als er sprake is van een structureel weigeren van een verzekerde om medewerking te verlenen aan de behandeling van de schademelding. 4.5. De Gedragscode zoals die ten tijde van de beslissing tot het gewraakte persoonlijk onderzoek in de onderhavige zaak gold (die anders luidt dan de thans geldende versie van 21 december 2011), neemt tot uitgangspunt dat een persoonlijk onderzoek kan worden ingesteld als:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.