vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Zaaknummer en rolnummer: 2129031 \ HA EXPL 13-721 Uitspraak: 4 maart 2014 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, nader te noemen [eiser], gemachtigde mr. J.P. van Vulpen te Haarlem, t e g e n [Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, nader te noemen [Gedaagde], gemachtigde mr. T. Smith te Amsterdam, VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende processtukken zijn ingediend: de dagvaarding van 17 juni 2013 inhoudende de vordering van [eiser], met producties, de conclusie van antwoord van [Gedaagde], met producties. Ingevolge een tussenvonnis van 11 september 2013 is op 29 januari 2014 een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal hiervan bevindt zich bij de stukken. Daarna is vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten en omstandigheden 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast: 2. [eiser] en [naam 1] (hierna: [naam 1]) zijn op [datum]. [naam 1] heeft vanuit [land] een verblijfsvergunning aangevraagd, welke haar met ingang van 13 november 2006 voor de periode van één jaar is verleend. 3. Op 2 januari 2007 heeft [naam 1] [naam 2] (hierna: [naam 2]), die kantoor hield bij [Gedaagde], benaderd en verzocht haar belangen te behartigen in verband met de aanvraag tot verlenging van voornoemde verblijfsvergunning. Deze is per 13 november 2007 verlengd. 4. Per email van 15 januari 2008 heeft [eiser] aan [naam 2] aangegeven te willen scheiden van [naam 1] en heeft hij [naam 2] om advies gevraagd. 5. Per email van 15 januari 2008 heeft [naam 2] aan [eiser] het volgende geantwoord: “Naar aanleiding van uw email heb ik een bespreking gehad met [naam 1]. Daaruit is het volgende naar voren gekomen: Zij wil geen scheiding. Indien u toch wilt scheiden, zal zij tegen u aangifte doen bij de politie wegens mensenhandel, mishandeling, bedreiging en fraude van de sociale dienst. Mensenhandel wil zeggen, dat veelal buitenlandse vrouwen naar Nederland worden gehaald, eventueel trouwen met een Nederlander om een verblijfsvergunning en gedwongen worden in de prostitutie te werken. Volgens cliënte is dat bij haar het geval. Het gaat hier om een zgn. schijnhuwelijk. Genoemde vrouwen kunnen geen kant uit omdat zij t.o.v. hun ‘beschermers/echtgenoten’ in een afhankelijkheidspositie verkeren. Cliënte beweert door u te zijn mishandeld, door regelmatig schoppen te krijgen en met hete koffie te worden bestookt. Onlangs op 5 januari j.l. heeft u haar ’s-morgens omstreeks 05:00 uur opnieuw de auto uitgeschopt. Telefonisch heeft u haar laten weten dat wanneer u dat wilt u haar zal schoppen. Daarnaast wordt zij door u regelmatig bedreigd, dat u haar familie zal waarschuwen en vertellen dat zij in de prostitutie zit. Bovendien zou u haar regelmatig controleren. Dit zijn exact de elementen van mensenhandel en ik kan u verzekeren dat verdachten daarvan, worden veroordeeld. Voorts zal zij de sociale dienst inlichten over het feit dat u van 2006-2007 de sociale dienst heeft opgelicht. U heeft toen een hogere uitkering genoten dan waarop u recht zou hebben. Mijn advies is, dat u beiden elkaar vrij laat en ieder zijn eigen leven leidt gedurende twee jaar en dat u dan beiden gaat scheiden. Let wel, zij is getrouwd met u, staat bij u ingeschreven en heeft evenveel recht op de woning als u. Ik heb geen originele papieren van u en het lijkt mij overbodig de afspraak van donderdag a.s. door te zetten.’’ 6. Het echtscheidingsconvenant is op 2 september 2010 ondertekend door [eiser] en op 16 september 2010 ondertekend door [naam 1]. Op 18 november 2010 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage. 7. Bij beslissing van 27 april 2012 heeft het Hof van Discipline (hierna: het Hof) de door [eiser] ingediende klacht, dat [naam 2] de norm neergelegd in artikel 46 Advocatenwet heeft geschonden en heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt, voor zover het klachtonderdeel a betrof gegrond verklaard. Onder 5.3 van haar heeft de Raad het volgende overwogen: ‘’Naar het oordeel van het hof valt de uiteenzetting van verweerder in de email van 15 januari 2008, dat zijn cliënte aangifte zal doen en de bijzonder krachtige onderbouwing daarvan, niet anders aan te merken dan als een ernstig en ongeoorloofd dreigement om het ‘advies’ aan het slot van de mail af te dwingen. Dit dreigement vindt geen rechtvaardiging in de concrete omstandigheden van het geval. Niet gebleken is immers van het bestaan van een rechtvaardigingsgrond om de wens van de cliënte van verweerder, dat zij nog geen echtscheiding uit het schijnhuwelijk wilde, kracht bij te zetten met het uiten van zeer krachtig geformuleerde dreigementen die bovendien in geen enkele functionele relatie hebben met deze wens (het doen van een strafrechtelijke aangifte kan een echtscheiding niet verhinderen). In het bijzonder valt verweerder tuchtrechtelijk kwalijk te nemen dat hij, kennelijk op grond van zijn eigen ervaringen, aan het uiten van de dreigementen toevoegt dat hij klager er van kan ‘verzekeren’ dat een veroordeling zal volgen als de dreigementen tot uitvoering komen.’’ 8. Onder 5.4 heeft de Raad onder meer het volgende overwogen: ‘’(…) Een advocaat behoort geen medewerking te verlenen aan het verwoorden van ongeoorloofde drukmiddelen. Daarbij kom dat in ieder geval de slotwoorden uit de tweede alinea van de email niet afkomstig zijn van de cliënte van verweerder, maar een eigen toevoeging van verweerder met het met het enkele doel om het drukmiddel extra kracht bij te zetten.’’ 9. In een onderzoeksverslag van PsyQ van 5 juli 2012 is ten aanzien van [eiser] de volgende diagnose vastgesteld: Belangrijkste klachten en aanvang: ‘’Patiënt vertelt dat het om een schijnhuwelijk ging voor vergunning en dat hij er mee bedreigd werd. Er was een advocaat ingeschakeld en vervolgens werd hij door de tegenpartij aangeklaagd voor mensenhandel. Dit heeft ongeveer 2-3 jaar geduurd en momenteel heeft hij van het hof gelijk gekregen. Patiënt geeft aan dat hij dit niet kan verwerken.’’ Persoonlijke indruk: ‘’Opvallend in gesprek is dat [eiser] steeds terugkomt op een aantal onderwerpen die hem bezighouden, zoals de onheuse praktijken van justitie/gemeente/politie, het onrecht wat hem is aangedaan door zijn ex vrouw en haar advocaat en de achterdocht naar zijn omgeving toe, met name 55+ generatie en allochtone Nederlanders. [eiser] lijkt hierdoor gepreoccupeerd, het beperkt hem in zijn dagelijks functioneren.’’ Beschrijvende diagnose: ‘’Klachten die [eiser] omschrijft zijn passend bij PTSS. Tevens lijkt er ook sprak van een (geagiteerde) depressie. De mate van preoccupatie met (de gevolgen van) de traumatische ervaringen die patiënt beschrijft en de generaliserende denkbeelden en de achterdocht die patiënt formuleert kunnen behoren bij de vastgestelde depressieve problematiek, voortkomen uit de (reeds vastgestelde) persoonlijkheidsproblematiek, maar mogelijk ook op zichzelf staande psychiatrische problematiek behelzen.’’ Vordering en verweer 10. [eiser] vordert, na wijziging van eis, dat [Gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding vanwege de geleden schade bestaande uit:a. € 3.398,60 aan advocaatkosten;b. € 7.500 aan immateriële schade;c. de proceskosten; 11. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag, kort gezegd, dat [Gedaagde], door het handelen van [naam 2], jegens hem de zorgplicht heeft geschonden, dan wel subsidiair een onrechtmatige daad heeft gepleegd met het verzenden van de email van 15 januari 2008. De handeling van [naam 2] heeft [eiser] grote traumatische schade en materiële schade toegebracht . 13. [Gedaagde] voert verweer tegen de vordering en voert daartoe aan dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door [naam 2]. Er bestaat ten aanzien van [eiser] geen zorgplicht aangezien [eiser] nimmer cliënt van [naam 2] is geweest. Subsidiair is er geen sprake van onrechtmatig handelen, dan wel meer subsidiair ontbreekt het causaal verband tussen het handelen van [naam 2] en de gevorderde schade. Beoordeling 14. [eiser] stelt ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende. Door zijn uitlatingen in het emailbericht van 15 januari 2008 heeft [naam 2] de zorgvuldigheidsnorm die tussen advocaat en cliënt geldt geschonden. Er bestond een cliëntrelatie tussen [eiser] en [naam 2]. Deze is tot stand gekomen toen [naam 2] bezig was de verblijfsvergunning voor [naam 1] te verlengen. [eiser] was hier bij betrokken en dus was er ook tussen hem en [naam 2] ook sprake van een cliëntrelatie. Na het versturen van het emailbericht van [naam 2] van 15 januari 2008 is deze cliëntrelatie pas beëindigd. Eind 2007 kreeg [eiser] het vermoeden van een schijnhuwelijk en ontstonden er problemen in het huwelijk tussen [eiser] en [naam 1]. Kort hierna heeft [eiser] [naam 2] om advies gevraagd en rekende hij erop dat op korte termijn de echtscheiding door [naam 2] soepel geregeld zou kunnen worden. [naam 2] stelde echter alles in het werk de echtscheiding uit te stellen teneinde de verblijfpositie van [naam 1] veilig te stellen. Hierdoor is de echtscheiding op gezamenlijk verzoek toen niet tot stand gekomen. In 2010 durfde [eiser] door uitlatingen van [naam 2] in het emailbericht van 15 januari 2008 er niet op te vertrouwen dat hij de echtscheiding zonder eigen advocaat wel zou kunnen bewerkstelligen. De schade vloeit voort uit het feit dat [eiser] in 2010 een andere advocaat heeft moeten inschakelen. Tevens heeft [eiser] grote traumatische schade geleden. Door de uitlatingen van [naam 2] in het emailbericht van 15 januari 2008 heeft [eiser] immateriële schade in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.