vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/531027 / HA ZA 12-1421 Vonnis van 22 januari 2014 in de zaak van 1. de maatschap [eiser 1] , gevestigd te [plaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2] , gevestigd te [plaats], 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 3] , gevestigd te [plaats], 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 4] , gevestigd te [plaats], 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 5] , gevestigd te [plaats], eiseressen, advocaat mr. O.P. van Tricht te Utrecht, tegen de naamloze vennootschap [gedaagde] , gevestigd te [plaats], gedaagde, advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd. Afzonderlijk zullen eiseressen bij naam worden genoemd, waarbij eiseres sub 1 aangeduid zal worden als [eiser 1]. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 20 maart 2013 waarin een comparitie van partijen is gelast, het proces-verbaal van comparitie van 17 mei 2013 en de daarin genoemde processtukken, de akte uitlating na comparitie tevens houdende wijziging van eis van [eisers], de antwoordakte van [gedaagde]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3 Om organisatorische redenen is de rechter die dit vonnis wijst een andere dan de rechter die ter comparitie aanwezig was. 2De feiten 2.1. [eiser 1] oefent een accountants- en adviesbureau uit. De overige eiseressen hebben in het verleden als vennoten deelgenomen in de maatschap of zijn thans nog steeds vennoot. 2.2 Met ingang van 1 januari 2010 heeft [eiser 1] als verzekeringnemer een overlijdensrisicoverzekering bij [gedaagde] afgesloten op het leven van [naam 1] (hierna: [naam 1]), wiens vennootschap op dat moment één van de maten van [eiser 1] was. Het verzekerd kapitaal bedraagt € 400.000,00 en [eiser 1] is als eerste begunstigde in de polis opgenomen. 2.3 In de polis is opgenomen dat de algemene voorwaarden van verzekering (KV/7) (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn. In de algemene voorwaarden is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Artikel 19 Bijzondere overlijdensgevallen Voor verzekeringen waar het overlijdensrisico gedekt is, gelden voorts nog de volgende bepalingen: 1. Indien de verzekerde overlijdt ten gevolge van de in sub a tot en met d genoemde oorzaken, worden de verzekerde bedragen verlaagd tot de daarmee corresponderende voorziening verzekeringsverplichtingen zoals door [de bank] voorgeschreven, berekend volgens de bij de maatschappij gebruikelijke regels. (..) d. zelfmoord of zelfdoding (zelfdoding ten gevolge van een ongeval daaronder niet begrepen) of poging daartoe, tenzij twee volle jaarpremies zijn betaald en tenminste twee jaren zijn verlopen sedert het tot stand komen van de verzekering, of sedert een dusdanige wijziging van de verzekering dat hiervan een vergroting van het door de maatschappij te lopen overlijdensrisico het gevolg is. (..)”. 2.4 [naam 1] is op 21 juli 2011 opgenomen op de Psychiatrische Afdeling van een ziekenhuis in verband met een depressie met psychotische kenmerken. Op 24 juli 2011 is [naam 1] zonder hartslag liggend met de poot van zijn bed op zijn hals aangetroffen. [naam 1] is op 25 juli 2011 aan de gevolgen hiervan overleden. 2.5 Bij brief van 27 september 2011 heeft [gedaagde] aan [bedrijf] bericht op grond van het bepaalde in artikel 19 lid 1 onder d van de algemene voorwaarden (zie 2.3) niet tot volledige uitkering over te gaan. 2.6 [naam 2] (hierna: [naam 2]), psychiater, heeft op 8 juni 2012 op verzoek van de advocaat van [eisers] een rapport opgesteld inzake het overlijden van [naam 1]. In dit rapport is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “(..) 1 Inleiding, Juridische context (..) Belanghebbenden stellen dat betrokkene voorafgaand aan en ten tijde van het overlijden in een zodanig geestelijke toestand verkeerde dat de handelingen die de verstikking en het overlijden bewerkstelligd hebben, niet opzettelijk en niet welbewust, laat staan weloverwogen zijn verricht. Daarom is de uitsluitingsbepaling niet van toepassing. Belanghebbenden vorderen nu bij [gedaagde] alsnog uitkering van de verzekerde som. Namens belanghebbenden heeft [naam 3], advocaat te Utrecht, ondergetekende verzocht een psychiatrische rapportage op te stellen in deze zaak. 2Vraagstelling (..) 2. Kunt u de geestelijke toestand van betrokkene beschrijven direct voor en ten tijde van de handelingen die zijn overlijden tot gevolg hadden. 3. Was betrokkene in staat om ongestoord zijn wil te bepalen ter zake van de zelfdoding, zodat dit een opzettelijke en welbewuste keuze was? (..) 6Bespreking (..) Op zondagmorgen is er waarschijnlijk op de afdeling weinig structuur vanwege het weekend. Er zijn geen aanwijzingen dat het waandenken verdwenen was. Door de ongestructureerdheid van het moment krijgt waandenken alle ruimte. Het is daarom zeer aannemelijk dat betrokkene op dat moment geheel bepaald werd door zijn sombere gevoelens en zijn buiten de realiteit staande gedachten. De suïcidale neigingen waar hij zich eerder wel tegen had kunnen verzetten, krijgen de overhand. Dan komt hij tot de handelingen van verstikking, met de dood als gevolg. Deze handelingen kwamen voort uit zijn ziekelijk gestoorde gedachten en gevoelens. Betrokkene was machteloos zich hier (nog) tegen te verzetten, hij was er willoos aan overgeleverd. Deze machteloosheid tegen de neiging tot handelingen gericht tegen het eigen leven van de persoon, zijn een bekende en gevreesde complicatie van een psychotische depressie. Dit wordt versterkt door de angst en agitatie zoals in dit geval. Hoewel hij de doodsgedachten al eerder uitte en hij voor opname aan verstikking gedacht heeft om ‘overal van af te zijn’ en een mes zocht om zich te verwonden, zijn er geen aanwijzingen voor planning en voorbereiding. Eerder laat het verloop zien dat betrokkene schrok van zijn doodsgedachten en dat hij er afstand van wilde nemen. Later was hij in paniek, was hij er aan overgeleverd en kon hij er geen weerstand meer aan bieden. De handelingen die de dood tot gevolg hadden, zijn door betrokkene opzettelijk verricht in de zin dat zijn handelen verstikking tot doel had, meer om ‘overal van af te zijn’ dan specifiek de dood. Zijn bewustzijn was op dat moment geheel bepaald door ernstige somberheid, uitzichtloosheid en buiten de realiteit staande gedachten. Er was sprake van een ziekelijk verstoord bewustzijn. Dit ziekelijke verstoorde bewustzijn bepaalde zijn handelen. Het op zijn hals zetten van een poot van zijn bed met verstikking tot gevolg is een zeer ruwe toepassing van een middel dat direct voor handen was een geen voorbereidingen vergt. Dit wijst op impulsiviteit. (..) Impulsiviteit laat geen ruimte voor overwegingen vooraf. Voor zover die overwegingen er wel aan vooraf zijn gegaan, zijn die vooral bepaald door zijn ziekelijk gestoorde sombere gevoel en zijn buiten de realiteit staande gedachten. Zijn handelingen zijn dus niet weloverwogen. Hij was op dat moment willoos overgeleverd aan zijn stoornis. 7Conclusie Bij betrokkene, kwetsbaar voor depressies door familiare belasting en obsessief-compulsieve persoonlijkheidstrekken, heeft zich, uitgelokt door veranderingen in zijn werksituatie, in zeer korte tijd een in ernst snel toenemende depressie met psychotische kenmerken, agitatie, paniek en toenemende suïcidaliteit ontwikkeld. Daarbij werd zijn denken bepaald door waandenken, dat mogelijk al langer bestond. Dit kon wisselen en was gebonden aan de gestructureerdheid van de situatie. Op zondagmorgen, een sterk ongestructureerd moment, verstikt betrokkene zichzelf, willoos overgeleverd aan zijn stoornis, impulsief met een direct voor handen zijnd middel, waardoor hij een dag later overlijdt. Betrokkene is overleden aan de gevolgen van impulsieve handelingen die gestuurd werden door zijn buiten de realiteit staande ziekelijke gedachten en paniek als complicatie van zijn ziekte een psychotische depressie. Dit is in lijn met wat door de behandelend psychiater genoemd is.”. 2.7 Bij brief van 22 augustus 2012 is door [gedaagde] aan de advocaat van [eisers] geschreven, voor zover hier van belang: “Bij de beoordeling van de jurisprudentie dient voor ogen te worden gehouden dat het steeds gaat om de uitleg van de in het betreffende geval geldende polisvoorwaarden. De jurisprudentie waarin aan de aldaar geldende uitsluitingsclausule de uitleg wordt gegeven dat verzekerde zich opzettelijk en welbewust van het leven berooft is ons bekend. (..) Onze medisch adviseur meent dat uit het geschetste feitencomplex juist volgt dat betrokkene over pogingen tot zelfmoord heeft nagedacht (..) en dat hieruit niet blijkt dat hij zich onbewust van het leven heeft beroofd. Gelet op de beoordeling van onze medisch adviseur van het door u overgelegde psychiatrisch rapport zien wij in het licht van de jurisprudentie geen reden om het door ons ingenomen standpunt te wijzigen. (..)”. 2.8 [naam 4], arts en geneeskundig adviseur, heeft bij brief van 11 februari 2013 aan [gedaagde] bericht, voor zover hier van belang: “(..) Deze visie van psychiater [naam 2] kan ik niet delen. Met betrekking tot de aangegeven angstvoorstelling staat vermeld dat verzekerde alleen overdreven ideeën, gedachten en angsten had over de consequenties van zijn gedrag (overwaardigheidsideeën). Van echte wanen was geen sprake, verzekerde kon ook duidelijk gecorrigeerd worden met betrekking tot de realiteit van deze gedachten hetgeen bij een echte waan niet mogelijk is. De conclusie is voorts uitsluitend gebaseerd op veronderstellingen (..) Opgemerkt zij dat uit de gegevens naar voren komt dat verzekerde zich meerder malen suïcidaal geuit heeft. Dit vormde ook de reden dat verzekerde werd opgenomen. Hoewel de methode die verzekerde gekozen heeft, uitzonderlijk is, staat mijns inziens geenszins vast dat dit een impulsieve, niet weloverwogen handeling was. Verzekerde heeft er blijkbaar wel degelijk over nagedacht hoe hij zijn suicïdewens kon realiseren en kwam verzekerde tot de conclusie dat hem op dat moment geen andere mogelijkheden ter beschikking stonden. Het staat derhalve mijns inziens geenszins vast dat hier sprake was van een willoos overgeleverd zijn aan zijn stoornis en impulsief handelen. (..)”. 2.9 [naam 2] heeft bij brief van 22 april 2013 gereageerd op de brief van [naam 4] d.d. 11 februari 2013 (zie voorgaand). 2.10 De behandelend psychiater van [naam 1] ten tijde van zijn overlijden, [naam 5], heeft bij brief - ten onrechte gedateerd op 22 september 2010 - geschreven, voor zover hier van belang: “(..) Deze zelfdoding vond plaats als complicatie van een ernstige psychische ontregeling. Er was sprake van een sinds korte bestaande en nooit eerder opgetreden ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken DSM IV As 1. Als zodanig kan gesteld worden dat er geen sprake is geweest van een toerekenbaar en wilsbekwaam handelen, maar dat sprake is van een zelfdoding in een vlaag van krankzinnigheid. (..)”. 3Het geschil 3.1. [eisers] vordert, na wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: een verklaring voor recht dat [gedaagde] gehouden is het verzekerd kapitaal van de verzekeringsovereenkomst met polisnummer [(...)] uit te keren als gevolg van het overlijden van de heer [naam 1] en dat hieraan geen uitsluitingsgronden in de weg staan; veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser 1] een bedrag in hoofdsom van € 400.000,00, zijnde de verzekerde som onder de polis met nummer [(...)], met dien verstande dat betaling aan [eiser 1] [gedaagde] jegens de overige eisers zal kwijten; veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser 1] van de wettelijke rente over het bedrag genoemd onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.