RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/730006-13 (Promis) en 23/006553-07 (TUL) Datum uitspraak: 4 juni 2014 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [plaats 1] (Roemenië) op [geboortedatum], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats 2]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2014. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.F. de Boer, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.H. Wormhoudt, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 21 mei 2014 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich in de periode van 1 december 2010 tot en met 13 april 2011 heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en medeplegen van gewoontewitwassen van onder meer geldbedragen die zijn verdiend door [persoon 1] met door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden. De tekst van de integrale, gewijzigde, tenlastelegging is opgenomen in een bijlage, die aan dit vonnis is gehecht, en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1 Geldigheid van de dagvaarding Bij de onder feit 1 op de tenlastelegging opgesomde feitelijke gedragingen is onder meer vermeld dat verdachte die [persoon 1] (meermalen) onder druk heeft gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht om in Nederland in de prostitutie/escort te gaan werken en/of te blijven werken. De gedraging ‘onder druk zetten en/of aanzetten tot en/of er toe brengen om’ is, zo begrijpt de rechtbank, in de tenlastelegging opgenomen ter concretisering van door verdachte gebruikte dwang(middelen). De termen ‘onder druk zetten’, ‘aanzetten tot’ en ‘er toe brengen om’ geven naar het oordeel van de rechtbank echter geen omschrijving van feitelijke gedragingen, maar slechts een abstracte omschrijving van het begrip ‘dwang(middel)’. Aan die abstracte omschrijving komt onvoldoende feitelijke betekenis toe om als concretisering van ‘dwang(middel)’ te kunnen dienen. Gezien het voorgaande is onvoldoende duidelijk welke concrete, feitelijke gedraging verdachte wordt verweten. Daarom zal de rechtbank dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde nietig verklaren. Voor het overige is de dagvaarding geldig. 3.2 Overige voorvragen Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Inleiding De rechtbank gaat op grond van de in de bijlage weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden, die overigens niet zijn betwist. Verdachte is in de in de tenlastelegging vermelde periode met [persoon 1] met de bus van Engeland naar Nederland gereisd. Verdachte heeft bijgedragen aan de bekostiging van het ticket van [persoon 1]. Vervolgens hebben [persoon 1] en verdachte in Nederland gezamenlijk op adressen in Amsterdam verbleven. [persoon 1] heeft in Nederland prostitutiewerkzaamheden verricht en zich daarbij laten vervoeren door een vriend van verdachte, te weten taxichauffeur [persoon 10] (hierna: [persoon 10]). [persoon 1] werkte vanuit een bar in Amsterdam, waar verdachte ook regelmatig aanwezig was en [persoon 1] bijstond bij het leggen van contact met mannen. Op 13 april 2011 is de politie naar de woning aan de [adres 1] te Amsterdam gegaan na een melding dat in die woning een Roemeense vrouw zou zijn die zou zijn gedwongen in de prostitutie. In de woning zijn [persoon 2] (hierna: [persoon 2]), de bewoner, en [persoon 1] aangetroffen. 4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel en het onder 2 ten laste gelegde witwassen, met uitzondering van het ten laste gelegde ‘medeplegen’, kan worden bewezen. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd, kort samengevat. Als toetsingskader ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldt dat niet elke handeling meer dan één bewijsmiddel behoeft, mits er steun is voor essentiële onderdelen. De aangifte van [persoon 1] wordt op zodanige wijze ondersteund door de verklaringen van [persoon 2], [persoon 10] en verdachte (ter terechtzitting) en de analyse van telefoongegevens dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. Er kan worden bewezen dat verdachte de dwangmiddelen ‘dwang’, ‘geweld’, ‘dreiging met geweld’, ‘misleiding’, ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ (artikel 273f, eerste lid, onder 1 en 4, Sr.) heeft toegepast. Verder kunnen de handelingen ‘werven’, ‘vervoeren’ en ‘huisvesten’ (artikel 273f, eerste lid, onder 1, Sr.) en ‘aanwerven’ en ‘medenemen’ (artikel 273f, eerste lid, onder 3, Sr.) worden bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is sprake van het door verdachte betalen van kosten van levensonderhoud en huur van de woning, waar [persoon 1] met verdachte verbleef, met geld dat afkomstig was van de uitbuiting van [persoon 1]. Er is dan ook sprake van verhulling van de criminele herkomst van de verdiensten van [persoon 1]. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft hij per feitelijke gedraging gemotiveerd betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor bewezenverklaring van die feitelijke gedraging om vervolgens te concluderen dat verdachte van het onder 1 (en 2) ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Kern van het betoog is dat meer waarde moet worden toegekend aan de ontlastende verklaringen van verdachte dan aan de belastende verklaringen van [persoon 1]. Meer in het bijzonder heeft hij ten aanzien van de verklaringen van [persoon 1] gesteld dat zij niet eensluidend zijn en aanleiding geven tot vraagtekens. In dit kader heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte er vanuit gaat dat [persoon 1] aangifte heeft gedaan om uitzetting naar Roemenië vanwege het - als illegaal in Nederland verblijvende vrouw - bedrijven van prostitutie, te voorkomen. De raadsman heeft, zo begrijpt de rechtbank, geconcludeerd dat de verklaring van [persoon 1] als ongeloofwaardig en onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven voor het bewijs. 4.4 Het oordeel van de rechtbank 4.4.1 Gedeeltelijke vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde 4.4.1.1 Vrijspraak medeplegen Het dossier bevat aanwijzingen dat [persoon 2] was betrokken bij het huisvesten van [persoon 1] en verdachte in Nederland. Verder blijkt dat [persoon 10] betrokken was bij het ophalen van [persoon 1] en verdachte na hun aankomst vanuit Engeland, het huisvesten van [persoon 1] en verdachte in Nederland en het vervoeren van [persoon 1] in Nederland bij haar prostitutiewerkzaamheden. Voor de vaststelling dat hierbij sprake was van de voor bewezenverklaring van ‘medeplegen’ vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen verdachte enerzijds en [persoon 2] en [persoon 10] anderzijds, biedt het dossier echter onvoldoende concrete aanknopingspunten. Gezien het voorgaande kan niet worden bewezen dat verdachte de hierna bewezen verklaarde mensenhandel tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en zal verdachte van dat onderdeel worden vrijgesproken. 4.4.1.2 Vrijspraak ten aanzien van (bedreiging met) geweld Ten aanzien van het bewijzen van de feitelijke gedragingen is van belang dat het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) voor de gehele tenlastelegging geldt, niet voor elk onderdeel ervan. Verder laat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. is voldaan, zich niet in algemene zin beantwoorden; dit vergt een beoordeling van het concrete geval (zie onder meer: ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). De rechtbank zal bij de toepassing van voormeld criterium in deze zaak als ondergrens hanteren dat een feitelijke gedraging slechts op grond van de verklaring van één getuige kan worden bewezen, indien die verklaring niet op zichzelf staat. In dat verband zal de rechtbank onder meer de bewezen verklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang beoordelen, bezien in het licht van de dwangmiddelen als bedoeld in artikel 273f Sr., waarvan die feitelijke gedragingen (veelal) de concretisering vormen. Of al dan niet sprake is van een bepaald dwangmiddel leidt de rechtbank in dat geval dus niet uitsluitend rechtstreeks af uit individuele in de tenlastelegging vermelde feitelijke gedragingen. Ten aanzien van de ten laste gelegde feitelijke gedragingen die zien op de dwangmiddelen geweld en bedreiging met geweld geldt dat slechts [persoon 1] hierover heeft verklaard. Nu het toepassen van en dreigen met geweld niet zonder meer in het verlengde van de overige bewezen verklaarde feitelijke gedragingen (en dwangmiddelen) ligt, is in zoverre op dit punt geen sprake van ondersteuning voor het bewijs. Gelet hierop en aangezien uit het voorhanden dossier niet naar voren komt dat verdachte zich in de bewuste periode anderszins gewelddadig heeft gedragen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van deze feitelijke gedragingen en dwangmiddelen. 4.4.1.3 Vrijspraak ten aanzien van artikel 273f, eerste lid, onder 4, tweede deel, Sr. Artikel 273f, eerste lid, onder 4 Sr. bepaalt dat strafbaar is: hij die een ander met een dwangmiddel dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, dan wel hij die onder de in lid 1 onder 1 genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Het eerste gedeelte ziet op de dader die met dwangmiddelen het slachtoffer brengt tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Het tweede gedeelte ziet, zo legt de rechtbank deze bepaling uit, op degene die in een door een andere gecreëerde uitbuitingssituatie enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. De rechtbank acht bewezen dat verdachte dwangmiddelen heeft gebruikt. De rechtbank acht echter niet bewezen dat zij onder de omstandigheden als bedoeld in het eerste lid onder 1 enige handeling heeft verricht, gelet op voormelde uitleg die aan dit deel van de bepaling moet worden gegeven. Niet is gebleken dat de uitbuitingssituatie waarin het slachtoffer verkeerde door een ander is gecreëerd dan verdachte. 4.4.3 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in het als bijlage bij dit vonnis gevoegde bewijsmiddelenoverzicht vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte, ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, in de periode van 1 december 2010 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, en/of in Engeland [persoon 2] door dwang en feitelijkheden en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 2] (lid 1 sub 1) en voornoemde [persoon 1] heeft medegenomen met het oogmerk die [persoon 1] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (lid 1 sub 3) en die [persoon 2] met voornoemde middelen heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutie- en/of escortwerkzaamheden) (lid 1 sub 4) en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 2] (lid 1 sub 6) en die [persoon 1] met voornoemde middelen heeft gedwongen haar, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] met of voor een derde, (lid 1 sub 9) immers heeft zij, verdachte, (terwijl zij, verdachte, wist, dat die [persoon 2] de Nederlandse en Engelse taal niet of nauwelijks machtig was en geen (sociaal) netwerk had om op terug te vallen en geen relevante schoolopleiding had en niet kon beschikken over zelfstandige woonruimte en een legaal inkomen en in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden had) • die [persoon 1] naar Nederland meegenomen om in de prostitutie te gaan werken en • de reis van Engeland naar Nederland voor die [persoon 1] geregeld en/of betaald en • die [persoon 1] in Nederland onderdak verschaft en/of onderdak voor die [persoon 1] geregeld en • die [persoon 1] meermalen naar een bar gebracht en/of laten brengen, alwaar zij, verdachte, klanten voor die [persoon 1] regelde en • die [persoon 1] ertoe aangezet een groot gedeelte van haar verdiensten uit de prostitutie en/of escort-werkzaamheden aan verdachte te laten afstaan en/of de verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] afgepakt en • die [persoon 1] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd door met die [persoon 1] mee te gaan naar een klant en door die [persoon 1] door dezelfde taxichauffeur bij een klant op te laten halen en • die [persoon 1] gedwongen te (blijven) werken ondanks haar menstruatieperiode en • die [persoon 1] slechts kost en inwoning verschaft en • de werktijden van die [persoon 1] bepaald en bepaald dat die [persoon 1] 7 dagen per week beschikbaar moest zijn voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en • (nadat die [persoon 1] tegen haar, verdachte, had gezegd dat zij terug wilde gaan naar Roemenië) de identiteitskaart van die [persoon 1] afgepakt en tegen de wil van die [persoon 1] onder zich gehouden en • tegen die [persoon 1] gezegd dat zij niet alleen naar buiten mocht en/of de woning niet zelfstandig mocht verlaten; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, in de periode van 1 december 2010 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, (contante) geldbedragen, te weten: - een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden, omgezet, terwijl zij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 4.4.4 Nadere bewijsoverwegingen 4.4.4.1 Waardering van de geloofwaardigheid/betrouwbaarheid van de verklaringen De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen in strafzaken. Met name in mensenhandel zaken is behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van belastende verklaringen van vermeende slachtoffers in mensenhandel zaken kan onder druk staan vanwege wraakgevoelens, het belang dat het slachtoffer heeft bij het verkrijgen van een vergunning in het kader van de verblijfsregeling mensenhandel (hoofdstuk B8, paragraaf 3 van de vreemdelingencirculaire) of het vooruitzicht op voorzieningen als onderdak en begeleiding. Ook de betrouwbaarheid van ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers kan overigens negatief beïnvloed worden door gevoelens van angst of loyaliteit of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de strafwetgeving ten aanzien van mensenhandel. De rechtbank acht de verklaringen van [persoon 1] geloofwaardig en betrouwbaar. In dit verband is van belang dat zij op hoofdlijnen consistent heeft verklaard. Verder worden haar verklaringen ten aanzien van verschillende feitelijkheden ondersteund door de verklaringen van [persoon 2], [persoon 10] en verdachte. Dat de twee laatstgenoemden, vooral verdachte, aan hun verklaringen geen belastende lading hebben gegeven, in die zin dat zij van mening zijn dat geen sprake is van mensenhandel, neemt niet weg dat hun verklaringen over een aantal feitelijkheden objectief gezien de lezing van [persoon 1] ondersteunen. Hierbij verdient opmerking dat verdachte aanvankelijk alles heeft ontkend, maar in latere verklaringen over steeds meer feitelijkheden heeft verklaard. Dit doet afbreuk aan de overtuigingskracht van haar verklaring dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Verdachte heeft verklaard dat [persoon 1] haar valselijk heeft beschuldigd omdat zij bang zou zijn uit Nederland te worden uitgezet omdat zij prostitutiewerkzaamheden zou hebben verricht terwijl zij illegaal in Nederland zou hebben verbleven. Ook heeft zij verklaard dat [persoon 1] daartoe opdracht zou hebben gekregen van [persoon 2] in verband met de aanwezigheid van een hennepplantage in de woning van [persoon 2] waarvan verdachte op de hoogte zou zijn geweest. De rechtbank acht deze verklaringen niet aannemelijk. Als [persoon 1] vanuit voornoemde motieven belastend zou hebben verklaard, lag het immers in de rede dat zij dit meteen had gedaan tijdens haar intakegesprek. Zij heeft in eerste instantie echter weliswaar verklaard in Nederland in de prostitutie te hebben gewerkt, maar daarbij geen voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Nadat de verbalisanten tegen haar hadden gezegd dat zij haar verhaal vreemd vonden, heeft [persoon 1] pas een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Deze gang van zaken wijst er eerder op dat [persoon 1] onder druk stond van verdachte. Daar komt nog bij dat [persoon 1] legaal in Nederland verbleef zolang zij haar prostitutiewerkzaamheden als zelfstandige verrichtte. 4.4.4.2 Ten aanzien van de feitelijke gedragingen In rubriek 4.4.1.2 heeft de rechtbank het gehanteerde toetsingskader voor het bewijzen van de feitelijke gedragingen vermeld. De verklaringen van [persoon 1] zijn redengevend voor alle bewezen verklaarde feitelijke gedragingen. Ten aanzien van de bewezen verklaarde feitelijke gedragingen, met uitzondering van: het dwingen van [persoon 1] te (blijven) werken ondanks haar menstruatieperiode; het bepalen van de werktijden en het bepalen dat [persoon 1] 7 dagen per week beschikbaar moest zijn voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden; het tegen [persoon 1] zeggen dat zij niet alleen naar buiten mocht en/of de woning niet zelfstandig mocht verlaten, geldt dat de verklaringen van [persoon 1] (op onderdelen) ondersteuning vinden in verklaringen van andere getuigen, zoals blijkt uit het bewijsmiddelenoverzicht. De drie voormelde feitelijke gedragingen, waarover dus slechts [persoon 1] heeft verklaard, zien op dwang/controle door verdachte. Zij liggen zodanig in het verlengde van de dwang/controle die is bewezen verklaard met andere feitelijke gedragingen, zoals ‘het meegaan naar een klant’ en ‘op laten halen door dezelfde taxichauffeur’, dat daarin voldoende steun kan worden gevonden voor bewezenverklaring. Tot slot behoeft de bewezenverklaring van ‘het afpakken van [persoon 1] en/of tegen de wil van [persoon 1] onder zich houden van de identiteitskaart van [persoon 1]’ nadere motivering. De rechtbank stelt allereerst vast dat [persoon 1] op het moment dat zij door de politie werd aangetroffen niet in het bezit was van haar identiteitskaart, terwijl verdachte daar wel over beschikte. Zij heeft de identiteitskaart immers aan [persoon 10] gegeven toen [persoon 1] op het politiebureau was, wat volgt uit de verklaringen van [persoon 1], [persoon 2], [persoon 10] zoals bij de politie afgelegd en verdachte zoals ter terechtzitting afgelegd. Dat verdachte de identiteitskaart van [persoon 1] uit een tas van [persoon 1] in haar kleding heeft gepakt, daarmee ontkennend dat zij de identiteitskaart had ingenomen, is niet aannemelijk. Wanneer [persoon 1] vrij over haar identiteitskaart had kunnen beschikken, lag het immers voor de hand dat zij die identiteitskaart ook bij zich had op het moment dat zij door de politie werd aangetroffen. Zeker van een persoon die als vreemdeling in Nederland verblijft, zoals [persoon 1], mag worden verwacht dat zij haar identiteitskaart altijd bij zich draagt. Verder raakte verdachte volgens [persoon 2] in paniek toen hij haar telefonisch vertelde dat [persoon 1] bij de politie was en heeft [persoon 10] korte tijd na dit telefoongesprek de identiteitskaart van [persoon 1], nadat hij die van verdachte had gekregen, naar [persoon 2] gebracht om die kaart naar het politiebureau te brengen. Deze “panieksituatie” duidt er eveneens op dat verdachte de identiteitskaart had ingenomen. De rechtbank stelt tenslotte vast dat verdachte wisselend verklaard heeft over de gang van zaken. Bij de rechter-commissaris heeft zij op 5 februari 2013 verklaard dat zij het identiteitsbewijs aan [persoon 2] (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) heeft gegeven, ter terechtzitting van 21 mei 2014 dat zij het aan [persoon 10] heeft gegeven. Dat maakt de verklaring van verdachte dat zij het identiteitsbewijs (in een tas) tussen de kleren van [persoon 1] had gevonden er ook niet geloofwaardiger op. 4.4.4.3 Oogmerk als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1, Sr. In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (zie HR 5 februari 2002, LJN: AD5235, waarin wordt verwezen naar de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel waarmee art. 250ter (oud) Sr werd geïntroduceerd. Art. 250ter (oud) en art. 250a (oud) Sr zijn voorlopers van het huidige art. 273f Sr.) De aard van het te verrichten werk is in deze uitleg van groot gewicht. Bij gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie is per definitie sprake van uitbuiting, de lichamelijke integriteit is dan altijd in het geding. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte [persoon 1] heeft gedwongen(met toepassing van verschillende in artikel 273f Sr. vermelde dwangmiddelen) prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Reeds hierom kan uitbuiting van [persoon 1] door verdachte worden bewezen. Dat verdachte het oogmerk op uitbuiting had bij het vervoeren en huisvesten van [persoon 1] volgt uit de omstandigheid dat zij zelf degene was die vervolgens [persoon 1] onder haar dwang de prostitutiewerkzaamheden liet verrichten. Dat [persoon 1] vrijwillig voor de prostitutie had gekozen en/of daarin al eerder werkzaam was geweest, maakt een en ander niet anders. 4.4.4.4 Oogmerk als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 3, Sr De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte [persoon 1] vanuit Engeland mee naar Nederland heeft genomen met het oogmerk haar ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Uit de verklaring van [persoon 1] leidt de rechtbank af dat [persoon 1] voordat zij met verdachte naar Nederland ging al het plan had opgevat in Nederland in de prostitutie te gaan werken en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wist dat [persoon 1] voordat zij naar Engeland kwam reeds in Spanje in de prostitutie had gewerkt en dat zij wist dat [persoon 1] in Engeland ook in de prostitutie werkte. Gelet hierop en nu de rechtbank ook bewezen acht dat verdachte na aankomst in Nederland [persoon 1] die prostitutiewerkzaamheden onder haar dwang liet uitvoeren, kan worden bewezen dat verdachte bij het meenemen van [persoon 1] naar Nederland vorenbedoeld oogmerk had. 4.4.4.5 Algemene beschouwing ten aanzien van de bewezen verklaarde mensenhandel De essentie van de bewezen verklaarde mensenhandel door verdachte laat zich als volgt omschrijven. Voor [persoon 1] geldt dat zij zich zowel in Engeland, toen zij verdachte leerde kennen, als in Nederland in een kwetsbare positie bevond. Verdachte heeft misbruik gemaakt van die kwetsbare positie. Zij heeft zich aanvankelijk opgeworpen als degene die [persoon 1] zou helpen met haar reis naar en verblijf in Amsterdam en aannemelijk is dat zij ook in het kader van de door [persoon 1] in Nederland te verrichten prostitutiewerkzaamheden haar hulp had aangeboden. Echter, tijdens het verblijf van [persoon 1] in Nederland, heeft verdachte niet slechts hulp geboden maar de touwtjes in handen genomen en [persoon 1] onder haar voorwaarden en dwang prostitutiewerkzaamheden laten verrichten en haar gedwongen haar verdiensten vrijwel volledig aan verdachte af te staan. Concluderend was [persoon 1] in de ten laste gelegde periode allerminst vrij zelf te beslissen over de invulling van haar werkzaamheden als prostituee en haar verdiensten. 5De strafbaarheid van de feiten Het bewezen geachte is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Bij het bepalen van haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte een veroordeling voor mensenhandel op haar strafblad heeft staan. De officier van justitie ziet verdachte als een soort madam in de wereld van de prostitutie, die met gebruikmaking van haar netwerk in diverse landen zelf als pooier vrouwen uitbuit. Verder rekent zij verdachte vooral aan dat zij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [persoon 1] en zich op geen enkele wijze heeft bekommerd om haar lot. De strafmaat heeft de officier van justitie gebaseerd op de ‘Richtlijn voor strafvordering mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting’, daarbij uitgaande van het uitbuiten van één meerderjarig slachtoffer, recidive ten aanzien van mensenhandel en de omstandigheid dat [persoon 1] zeven dagen per week beschikbaar moest zijn. 7.2. Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft de persoonlijke vrijheid van [persoon 1] geschonden en een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Verder heeft zij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [persoon 1] verkeerde om daar zelf (financieel) voordeel uit te trekken. Verder heeft zij zich schuldig gemaakt aan witwassen, wat een ernstige bedreiging van de integriteit van het financiële en economische verkeer oplevert. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat zij in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het strafbare feit in deze strafzaak (uitgaande van de aanvangsdatum van de pleegperiode, te weten 1 december 2010), bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2010, is veroordeeld voor een soortgelijk delict. Dat is een strafverzwarende omstandigheid. Ook is zorgwekkend dat verdachte zich relatief kort na voormelde veroordeling door het gerechtshof wederom schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, terwijl zij in een proeftijd liep. Verdachte was namelijk in 2004 in Roemenië al eens voor soortgelijke misdrijven veroordeeld. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting geen medeleven met het slachtoffer heeft getoond en, mede daardoor, evenmin enig inzicht in het kwalijke van haar handelen heeft laten zien. Verdachte lijkt hardnekkig te kiezen met mensenhandel geld te verdienen. Gezien het voorgaande is oplegging van een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden gelet op de ernst van de feiten en om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan soortgelijke feiten schuldig te maken. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte geweld en bedreiging met geweld heeft toegepast tegen [persoon 1], zodat aanleiding bestaat bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. 8Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op 3 april 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/006553-07, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 9 maart 2010 van het gerechtshof te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens blijkt uit de stukken dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is toegezonden. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van de volgende onder 1 ten laste gelegde zinsnede: - die [persoon 1] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht om in Nederland in de prostitutie/escort te gaan werken en/of te blijven werken. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 (overigens) en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4.3 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het in rubriek 4.4.3 bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: - mensenhandel; en aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: - van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 22 maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd arrest van 9 maart 2010, te weten een gevangenisstraf van 12 maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. B.E. Mildner en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2014. Mr. H.G. van der Wilt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: Tenlastelegging inzake [verdachte], 13/730006-13 Aan verdachte [verdachte], is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 21 mei 2014, ten laste gelegd dat feit 1: zij in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, en/of in Engeland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, [persoon 2] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of door dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 2] (lid 1 sub 1) en/of voornoemde [persoon 1] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [persoon 1] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (lid 1 sub3) en/of die [persoon 2] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutie- en/of escortwerkzaamheden) en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij en/of haar mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.