← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2014:327

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/708083-12 (Promis) Datum uitspraak: 9 januari 2014 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te

Artikel 273f

, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt onder

dat strafbaar is hij die met het oogmerk van uitbuiting door één of meer dwangmiddelen één of meer in deze bepaling genoemde handelingen verricht, die ervoor zorgt dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt, dan wel belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Dwangmiddelen De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of sprake is van gebruik van een of meer dwangmiddelen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat uit het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2012 volgt dat het bestaan van een uitbuitingssituatie kan worden afgeleid op grond van een combinatie van verschillende dwangmiddelen. In dit verband is allereerst van belang dat uit de verklaringen van [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 3] blijkt dat [slachtoffer/getuige 1] bij verdachte en [medeverdachte] een schuld had opgebouwd en dat verdachte heeft gedreigd [slachtoffer/getuige 1] het huis uit te gooien. Verder is relevant dat [slachtoffer/getuige 1] afkomstig is uit Hongarije, waar zij leefde in armoedige en kansarme omstandigheden. [slachtoffer/getuige 1] verklaart dat zij vanwege openstaande schulden door haar ex-man is verkocht aan pooiers die haar uiteindelijk naar Nederland hebben gebracht om in de prostitutie te werken. [slachtoffer/getuige 1] was voor haar bestaan in Nederland – op het gebied van huisvesting, het huren van een peeskamer en bij het organiseren van een sofinummer en een inschrijfadres – afhankelijk van de hulp die verdachte en [medeverdachte] haar verleenden. [slachtoffer/getuige 1] was de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig, zoals ook blijkt uit het feit dat zij op de zitting van 17 september 2013 als getuige is gehoord met behulp van een tolk in de Hongaarse taal. Nederland was voor [slachtoffer/getuige 1] een vreemd land; zij kende de weg niet in Amsterdam, noch in Den Haag. [slachtoffer/getuige 1] beschikte in Nederland niet over een sociaal netwerk. Getuigen hebben [slachtoffer/getuige 1] beschreven als ‘een beetje gek’, ‘bijzonder’ en ‘naïef’. Hoewel een psychologisch of psychiatrisch onderzoek naar de persoon van [slachtoffer/getuige 1] ontbreekt, acht de rechtbank het aannemelijk geworden dat [slachtoffer/getuige 1] op grond van haar persoonlijkheid en achtergrond minder weerbaar moet worden geacht dan de ‘maatvrouw’ in dit soort zaken, de gemiddelde Nederlandse mondige prostituee. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de feitelijke omstandigheden van aangeefster die hebben geleid tot deze afhankelijkheidssituatie. In dit verband is van belang dat [medeverdachte] op de zitting van 17 september 2013 heeft verklaard dat de ex-man van [slachtoffer/getuige 1] en anderen [slachtoffer/getuige 1] veel hebben aangedaan, dat [slachtoffer/getuige 1] is verkocht en is misbruikt door [naam 2] en dat [medeverdachte] medelijden had met [slachtoffer/getuige 1] en met haar leven. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte en zijn mededaders [slachtoffer/getuige 1] hebben gecontroleerd bij haar prostitutiewerkzaamheden. Weliswaar verklaart alleen [slachtoffer/getuige 1] daarover, maar gelet op de omstandigheid dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte en zijn mededaders [slachtoffer/getuige 2] , [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] hebben gecontroleerd, acht de rechtbank de controle van [slachtoffer/getuige 1] ook wettig en overtuigend bewezen. Op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank de volgende dwangmiddelen bewezen: ‘dwang’, ‘feitelijkheid’, ‘dreiging met een feitelijkheid’, ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank het dwangmiddel ‘geweld’ niet bewezen. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer/getuige 1] ten aanzien van het geweld wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaart zij in haar aangifte tegen verdachten dat zij door [medeverdachte] is geslagen. Dit wordt bevestigd door de getuige [slachtoffer/getuige 3] . In haar aangifte tegen [naam 2] verklaart [slachtoffer/getuige 1] echter dat zij nooit door [medeverdachte] is geslagen. In haar aangifte tegen verdachten verklaart [slachtoffer/getuige 1] dat zij twee of drie keer door verdachte is geslagen, waarbij verdachte één keer haar neus heeft gebroken. In haar aangifte tegen [naam 2] verklaart [slachtoffer/getuige 1] dat zij vier à vijf keer door verdachte is geslagen, waarbij zij het niet heeft over een gebroken neus. In het dossier bevindt zich voorts de verklaring van [getuige 1] zoals afgelegd bij de politie waaruit naar voren komt dat [getuige 1] [slachtoffer/getuige 1] zelf niet kent, maar dat hij heeft gehoord dat verdachte en [medeverdachte] spraken over een meisje – dat aangifte had gedaan – dat zij hadden geslagen. Nog los van de vraag of [getuige 1] het hier over [slachtoffer/getuige 1] heeft – het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte en [medeverdachte] in de veronderstelling verkeerden dat (ook) [slachtoffer/getuige 2] aangifte had gedaan – betreft dit een verklaring omtrent feiten die [getuige 1] niet zelf heeft waargenomen. Genoemde verklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook een te wankele basis voor een bewezenverklaring voor dit onderdeel van de tenlastelegging, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Handelingen Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de (op dit punt bekennende) verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer/getuige 1] gedurende de periode dat zij voor verdachte en [medeverdachte] in de prostitutie werkzaam was, in hun woning was gehuisvest. Uit de verklaringen van [slachtoffer/getuige 1] en [medeverdachte] leidt de rechtbank af dat [slachtoffer/getuige 1] en [medeverdachte] enkele malen samen met de trein hebben gereisd tussen Amsterdam en Den Haag om in Den Haag prostitutiewerkzaamheden te verrichten. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de handelingen ‘overbrengen’ en ‘huisvesten’ bewezen. Zij acht de overige in de tenlastelegging genoemde handelingen niet bewezen. Het oogmerk van uitbuiting De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Door het verrichten van de hiervoor bewezen geachte handelingen, onder toepassing van de hiervoor bewezen geachte dwangmiddelen, moet verdachte hebben beseft dat hij [slachtoffer/getuige 1] in een uitbuitingssituatie heeft gebracht en gehouden. Conclusie Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.2.3.3. Sub 4 Artikel 273f, eerste lid, Sr bepaalt onder sub 4, dat strafbaar is hij die een ander met een dwangmiddel dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder de onder

genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. De rechtbank overweegt dat sub 4 van dit artikel in twee delen uiteen valt. Het eerste gedeelte ziet op de dader die met dwangmiddelen het slachtoffer brengt tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Het tweede gedeelte van sub 4 ziet, zo legt de rechtbank deze bepaling uit, op degene die in een door een ander gecreëerde uitbuitingssituatie enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Eerste gedeelte van sub 4: dwangmiddelen Onder verwijzing naar de overwegingen en de bewezenverklaring van de dwangmiddelen, zoals hiervoor onder 6.2.3.

  1. is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 1] met deze dwangmiddelen eveneens heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Tweede gedeelte van sub 4: Handelingen Ten aanzien van het tweede gedeelte van sub 4 (ten laste gelegd onder 1 ten vierde cumulatief/alternatief) is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt niet uitgaat van de bestanddelen van de bepaling van sub 4 tweede gedeelte. In de tenlastelegging wordt immers van ‘middelen en/of omstandigheden’ gesproken, terwijl het bestanddeel ‘middelen’ niet uit de wetstekst volgt. De rechtbank acht, onder verwijzing naar hetgeen onder 6.2.3.
  2. is overwogen, bewezen dat verdachte dwangmiddelen heeft gebruikt en ook dat hij onder de omstandigheden als bedoeld onder

enige handeling heeft verricht. Nu niet is gebleken dat de uitbuitingssituatie waarin [slachtoffer/getuige 1] verkeerde door een ander is gecreëerd dan door verdachte en zijn mededaders, valt wat verdachte wordt verweten niet onder de reikwijdte van het tweede gedeelte van sub 4 van artikel 273f, eerste lid, Sr. Verdachte zal dan ook op dit punt worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 6.2.3.

  1. Sub 6 Artikel 273f, eerste lid, Sr bepaalt onder sub 6, kort gezegd, dat strafbaar is hij die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander geldt dat de verdachte die profijt trekt weet, of behoort te weten dat uitbuiting plaatsvindt. Uit het opzetvereiste volgt dat de dader zich in ieder geval bewust moet zijn van de relevante omstandigheden waaruit uitbuiting voortvloeit. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen met betrekking tot de dwangmiddelen onder 6.2.3.
  2. Verdachte moet op grond daarvan hebben beseft dat zijn handelen jegens [slachtoffer/getuige 1] als noodzakelijk en door hem gewild gevolg meebracht dat [slachtoffer/getuige 1] in de prostitutie werkzaam was en daarmee was hij zich dus bewust van de uitbuitingssituatie. Uit de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit de uitbuiting van [slachtoffer/getuige 1] voordeel heeft getrokken. Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten vijfde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit. 6.2.3.
  3. Sub 9 Onder verwijzing naar de overwegingen en de bewezenverklaring van de dwangmiddelen, zoals hiervoor onder 6.2.3.
  4. is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door voornoemde dwangmiddelen [slachtoffer/getuige 1] heeft bewogen hem te bevoordelen. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten zesde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.2.3.
  5. Sub 3 De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan internationale mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 1] . Bij dit oordeel is van belang dat het dossier op dit punt slechts de – wisselende – verklaringen van [slachtoffer/getuige 1] bevat. Nu, bij gebrek aan wettig bewijs, niet is komen vast te staan dat verdachte en/of zijn medeverdachten een actieve bijdrage hebben geleverd aan de komst van [slachtoffer/getuige 1] naar Nederland, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. 6.2.3.
  6. Pleegperiode en pleegplaatsen De (wisselende) verklaringen van [slachtoffer/getuige 1] over het tijdstip waarop zij naar Nederland is gekomen, zijn niet in overeenstemming te brengen met de kamerverhuurgegevens en hetgeen de overige getuigen hieromtrent verklaren. Ook voor het overige biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor een precieze vaststelling van de pleegperiode. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aan een bewezenverklaring in de weg staat, nu wel kan worden vastgesteld dat [slachtoffer/getuige 1] in ieder geval binnen de op grond van de verklaringen omtrent andere slachtoffers bewezenverklaarde pleegperiode voor verdachte en [medeverdachte] in Amsterdam en Den Haag heeft gewerkt. In dit licht is van belang dat zowel getuige [slachtoffer/getuige 2] als getuige [slachtoffer/getuige 3] verklaren dat zij met [slachtoffer/getuige 1] hebben samengewoond in de woning van verdachte en [medeverdachte] . [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 2] hebben respectievelijk vanaf maart 2011 en augustus 2011 – af en aan – bij verdachte en [medeverdachte] gewoond. Uit de samenvatting van de kamerverhuurgegevens van [slachtoffer/getuige 1] komt naar voren dat zij vanaf 22 april 2011 voorkomt in de administratie van bevraagde kamerverhuurders. 6.
  7. Ten aanzien van [slachtoffer/getuige 2] 6.3.
  8. Inleiding Op grond van de inhoud van verschillende verklaringen, waaronder die van [slachtoffer/getuige 2] en van verdachte zelf, is komen vast te staan dat verdachte en [slachtoffer/getuige 2] de afspraak hadden dat [slachtoffer/getuige 2] de helft van haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden zou afstaan aan verdachte. Verder staat niet ter discussie dat [slachtoffer/getuige 2] in de periode van oktober 2011 tot en met 15 juli 2012 bij verdachte en [medeverdachte] in huis heeft gewoond, dat zij in deze periode prostitutiewerkzaamheden heeft verricht en dat zij – in overeenstemming met bovengenoemde afspraak – de helft van haar inkomsten aan verdachte heeft afgedragen. De centrale vraag is hoe deze overeenkomst moet worden geduid. Met andere woorden: was sprake van een in vrijheid afgesloten overeenkomst tussen volwassen individuen, of moet deze overeenkomst worden geplaatst in het licht van een bestaande uitbuitingsituatie in de zin van 273f Sr? 6.3.
  9. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel en uitbuiting jegens [slachtoffer/getuige 2] (subleden 1, 3, 4, 6 en 9). Zij heeft betwist dat sprake was van een in vrijheid afgesloten overeenkomst, omdat verdachten verschillende dwangmiddelen tegen [slachtoffer/getuige 2] hebben gebruikt. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte en [medeverdachte] de kosten voor [slachtoffer/getuige 2] ’s reis naar Nederland hebben voorgeschoten om voor hen op fifty-fifty basis in de prostitutie te gaan werken, haar meermaals hebben gehuisvest, een prostitutiekamer voor [slachtoffer/getuige 2] hebben geregeld, die [slachtoffer/getuige 2] bescherming hebben aangeboden, haar hebben geholpen met haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel, haar via Western Union geld hebben laten overmaken naar personen in Hongarije en dat zij [slachtoffer/getuige 2] meermaals een gedeelte van haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden hebben laten afstaan. 6.3.
  10. Het standpunt van de verdediging Volgens de raadsvrouw bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel en uitbuiting jegens [slachtoffer/getuige 2] . Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verklaringen van [slachtoffer/getuige 2] consistent zijn en in overeenstemming met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het is daarom aannemelijk dat met betrekking tot de werkzaamheden van [slachtoffer/getuige 2] – en haar afspraken met verdachte dienaangaande – er geen sprake was van dwang. [slachtoffer/getuige 2] heeft zelf besloten, toen zij terug was in Hongarije, naar Nederland te komen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Zij had baat bij de connecties van verdachte en het vertrouwen dat tussen hen bestond. De raadsvrouw heeft aan het voorgaande de conclusie verbonden dat verdachte van dit onderdeel van de beschuldiging moet worden vrijgesproken. 6.3.
  11. Het oordeel van de rechtbank 6.3.4.
  12. Feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage II, tot het volgende oordeel. 6.3.4.2.

Artikel 273f

, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt onder

dat strafbaar is hij die met het oogmerk van uitbuiting door één of meer dwangmiddelen één of meer in deze bepaling genoemde handelingen verricht, die ervoor zorg dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt, dan wel belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Dwangmiddelen Voorop moet worden gesteld dat de instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant is, indien één van de dwangmiddelen is gebruikt. Een beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om het gedwongen karakter van de prostitutie of van de bevoordeling uit prostitutie aan te nemen. In dit verband is verder relevant dat van een kwetsbare positie sprake kan zijn wanneer een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Toegepast op de onderhavige zaak, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. De rechtbank heeft uit de diverse zich in het dossier bevindende verklaringen kunnen afleiden dat [slachtoffer/getuige 2] voor de eerste keer naar Nederland is gekomen met haar voormalige pooiers [naam 3] en [naam 4] , dat zij gedrieën enkele dagen in de woning van verdachte en [medeverdachte] hebben verbleven, waarna [slachtoffer/getuige 2] weer is teruggekeerd naar Hongarije. Terug in Hongarije zag [slachtoffer/getuige 2] zich genoodzaakt terug te keren naar Nederland om geld te verdienen met het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. [slachtoffer/getuige 2] heeft verdachte vanuit Hongarije opgebeld en heeft hem aangeboden om op fifty-fifty basis voor hem in de prostitutie te gaan werken. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens haar reis naar Nederland betaald. [slachtoffer/getuige 2] moest aan haar voormalige pooiers honderd procent van haar inkomsten afstaan. Zij verklaart bij gelegenheid van verschillende getuigenverhoren dat zij slecht is behandeld door deze pooiers. Bij de rechter-commissaris verklaart [slachtoffer/getuige 2] dat zij alleen Hongaars en Duits sprak toen zij naar Nederland kwam en dat zij bij niemand anders terecht kon dan bij verdachte en [medeverdachte] , omdat zij niemand anders kende. [slachtoffer/getuige 2] was voor haar bestaan in Nederland afhankelijk van de hulp van verdachte en [medeverdachte] . Zo antwoordt [slachtoffer/getuige 2] op de vraag waarom zij 50 procent van haar inkomsten uit prostitutiewerk afstond aan verdachte: ‘Je zit in een vreemd land. Als je geen inkomsten hebt, heb je geen kamer.’ De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [slachtoffer/getuige 2] in haar beleving slechts de keuze had tussen twee kwaden. Ofwel werken voor pooiers die haar slecht behandelden en aan wie zij al haar inkomsten moest afstaan, ofwel: werken voor verdachte en [medeverdachte] aan wie zij ‘slechts’ de helft van haar inkomsten hoefde af te dragen, die zorgden voor een dak boven haar hoofd en die beschikten over de benodigde connecties om in de prostitutie aan de slag te kunnen. Gelet op de situatie en de kwetsbare positie waarin [slachtoffer/getuige 2] verkeerde, had zij kennelijk in haar beleving geen beter alternatief dan een fifty-fifty deal te sluiten met verdachte. Een overeenkomst waarmee verdachte relatief hoge inkomsten genereerde, zonder dat hier een reële tegenprestatie tegenover stond. De rechtbank overweegt omtrent het bewustzijn van verdachte en medeverdachte van voornoemde feiten en omstandigheden het volgende. Voor dit oordeel is het volgende van belang. [medeverdachte] verklaart bij gelegenheid van haar politieverhoor van 15 juli 2012 dat [slachtoffer/getuige 2] voor twee pooiers heeft gewerkt, dat zij vanuit Duitsland naar Nederland is gekomen, dat [slachtoffer/getuige 2] heel mager was en amper te eten kreeg, dat al haar geld werd afgepakt, dat zij door haar pooiers naar Hongarije was gestuurd met slechts 5 euro en een pakje sigaretten en dat zij een week later naar haar en verdachte in Nederland is gekomen, gekleed in zomersandalen en een heel dun jasje. [medeverdachte] verklaart verder dat die pooiers verdachte en haar om hulp hadden gevraagd omdat ze in Nurnberg (Duitsland) niet goed konden verdienen. In een telefoongesprek tussen [medeverdachte] en [betrokkene 1] van 11 juli 2012 zegt [medeverdachte] dat [slachtoffer/getuige 2] haar bek moet houden, omdat zij naast [medeverdachte] vrouw is geworden en naast haar geld heeft kunnen verdienen. [betrokkene 1] antwoordt [medeverdachte] dat [slachtoffer/getuige 2] daarvoor niets had, nog niet eens een slipje. zegt in een telefoongesprek van 14 juli 2012 tegen verdachte dat [medeverdachte] dingen zegt die zelfs haar vorige pooiers niet durfden te zeggen en dat haar vorige pooiers destijds etters waren. Verdachte verklaart op de zitting van 11 december 2013 dat hij wist dat [slachtoffer/getuige 2] schulden had in Hongarije en dat [slachtoffer/getuige 2] in Nederland in de prostitutie wilde gaan werken, maar niet voor ‘die groep pooiers’ (de rechtbank begrijpt: haar voormalige pooiers [naam 3] en [naam 4]). Verdachte was zich dus bewust van de situatie waarin [slachtoffer/getuige 2] zich bevond, alsook van haar kwetsbare positie. Het misbruik van verdachte bestond hieruit dat hij ondanks dit bewustzijn akkoord is gegaan met haar voorstel de helft van haar inkomsten aan hem af te dragen. De rechtbank wijst er nog op dat verdachte ter terechtzitting van 11 december 2013 geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag waarom [slachtoffer/getuige 2] de helft van haar inkomsten aan hem heeft willen afstaan zonder dat daar een reële tegenprestatie tegenover stond. Uit de verklaringen van verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer/getuige 2] komt naar voren dat [slachtoffer/getuige 2] op 13 juli 2012 is weggegaan uit hun gemeenschappelijke woning omdat [slachtoffer/getuige 2] wilde stoppen met haar prostitutiewerk voor verdachte en [medeverdachte] . [slachtoffer/getuige 2] verklaart bij gelegenheid van haar politieverhoor van 17 september 2012 dat [medeverdachte] haar heeft bedreigd door tegen haar te zeggen dat als iemand op fifty-fifty basis achter het raam is geplaatst en vervolgens weggaat, zij niet meer kan terugkomen want ‘dan zal er bloed vloeien’. Dat [slachtoffer/getuige 2] is bedreigd door [medeverdachte] vindt bevestiging in de inhoud van verschillende uitgeluisterde telefoongesprekken, waaronder een tapgesprek van 14 juli 2012 tussen verdachte en [medeverdachte] , waarin verdachte zegt dat [slachtoffer/getuige 2] haar ( [medeverdachte] ) laat oppakken als zij [slachtoffer/getuige 2] blijft bedreigen. In ditzelfde telefoongesprek zegt verdachte dat hij aan [slachtoffer/getuige 2] heeft aangekondigd dat hij foto’s van haar zal laten zien aan ene [betrokkene 2] , waarop [medeverdachte] antwoordt dat verdachte deze foto moet plaatsen. Dat verdachte dit daadwerkelijk tegen [slachtoffer/getuige 2] heeft gezegd, wordt bevestigd door de inhoud van een uitgeluisterd telefoongesprek tussen [slachtoffer/getuige 2] en verdachte van dezelfde datum, waarin verdachte [slachtoffer/getuige 2] toevoegt: ‘Zal ik jou foto op de Facebookpagina van [betrokkene 2] knallen?’. In een telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte] , ook van 14 juli 2012, zegt verdachte dat hij met zijn telefoon een foto van haar ( [slachtoffer/getuige 2] ) zal maken, dat hij deze foto zal versturen naar haar zus en dat het een grof schandaal wordt. Verdachte zegt bovendien in een telefoongesprek van 14 juli 2012, dat hij voert met ene [betrokkene 3] , dat hij op Facebook gaat zetten wat [slachtoffer/getuige 2] doet en dat [slachtoffer/getuige 2] dood gaat als haar zus hier achter komt. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [slachtoffer/getuige 2] onder druk is gezet door [medeverdachte] en dat verdachte heeft gedreigd foto’s van [slachtoffer/getuige 2] te versturen naar bekenden van [slachtoffer/getuige 2] zodat – tegen de wens van [slachtoffer/getuige 2] – bekend zou worden dat zij in de prostitutie werkzaam was. In een telefoongesprek van 11 juli 2012 zegt [medeverdachte] tegen verdachte dat [slachtoffer/getuige 2] steeds maar voor zich uit zit te staren in haar peeskamer en dat het geen wonder is dat zij geen klanten krijgt. [slachtoffer/getuige 2] verklaart bij gelegenheid van haar verhoor bij de rechter-commissaris dat [medeverdachte] op een gegeven moment de baas begon te spelen en overging op ‘een soort pooierstijl’, waarbij [medeverdachte] de meisjes, als zij niet genoeg verdienden, vroeg waarom dat zo was.Op 27 juni 2012 voeren [medeverdachte] en [slachtoffer/getuige 2] een telefoongesprek waarin zij overleggen hoe zij het geld, die 400 euro, voor verdachte bij elkaar moeten krijgen, want [slachtoffer/getuige 2] moet verdachte zo bellen. Ter terechtzitting van 11 december 2013 verklaart [medeverdachte] dat zij [slachtoffer/getuige 2] in opdracht van verdachte heeft gecontroleerd tijdens haar prostitutiewerkzaamheden. In een telefoongesprek van 14 juli 2012 tussen verdachte en [getuige 1] zegt verdachte tegen laatstgenoemde dat hij niet het soort is dat fysiek geweld gebruikt. Hij gebruikt psychische terreur want psychische terreur is harder. Verdachte zegt verder dat als iemand niet uit eigen beweging weggaat, hij peeskamerverhuurster [kamerverhuurster 1] belt en dat hij tegen [kamerverhuurster 1] zal zeggen dat hij haar ( [slachtoffer/getuige 2] ) eruit moet gooien. Verdachte vervolgt dat [slachtoffer/getuige 2] niets meer kan als zij eruit ligt. Zonder papieren is de straat het enige dat voor haar overblijft. In een telefoongesprek van 14 juli 2012 zegt verdachte tegen [slachtoffer/getuige 2] dat zij niet moet vergeten wie haar hiernaartoe heeft gehaald, wie haar eten heeft gegeven en door wie zij nu geld en een gezin heeft. [medeverdachte] zegt tegen verdachte in een uitgeluisterd telefoongesprek van 10 juli 2012 dat hij toch niet de loopjongen van [slachtoffer/getuige 2] is, maar dat [slachtoffer/getuige 2] voor hem werkt. [verdachte] antwoordt dat hij [slachtoffer/getuige 2] zal berispen als er problemen zijn, waarop [medeverdachte] zegt dat [slachtoffer/getuige 2] bang is voor haar. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [slachtoffer/getuige 2] zowel door verdachte als door [medeverdachte] is gecontroleerd gedurende en/of ter zake haar prostitutiewerkzaamheden. [medeverdachte] controleerde haar en hekelde [slachtoffer/getuige 2] als zij in haar ogen niet genoeg verdiende. [slachtoffer/getuige 2] was bang voor [medeverdachte] . Verdachte had blijkbaar contacten met en invloed op de kamerverhuurster bij wie [slachtoffer/getuige 2] haar kamer huurde. Door het plegen van een telefoontje zou hij ervoor kunnen zorgen dat [slachtoffer/getuige 2] eruit zou worden gegooid. Verdachte maakt [slachtoffer/getuige 2] duidelijk dat zij niet moet vergeten aan wie zij haar leven in Nederland te danken heeft, namelijk aan verdachte. Verdachte maakt gebruik van psychische terreur. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – de volgende dwangmiddelen bewezen: ‘dwang’, ‘dreiging met een feitelijkheid’, ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. De rechtbank acht de overige in de tenlastelegging genoemde dwangmiddelen niet bewezen Handelingen Op grond van in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de (op dit punt bekennende) verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 2] heeft gehuisvest. De rechtbank acht de overige in de tenlastelegging genoemde handelingen niet bewezen. Het oogmerk van uitbuiting De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Door het verrichten van de hiervoor bewezen geachte handeling, onder toepassing van de hiervoor bewezen geachte dwangmiddelen, moet verdachte hebben beseft dat hij [slachtoffer/getuige 2] in een uitbuitingssituatie heeft gebracht en gehouden. Conclusie Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.3.4.3. Sub 4 De rechtbank verwijst voor de inhoud en de reikwijdte van deze strafbepaling naar hetgeen zij onder 6.2.3.3. heeft overwogen. Eerste gedeelte van sub 4: dwangmiddelen Onder verwijzing naar de overwegingen en de bewezenverklaring van de dwangmiddelen, zoals hiervoor onder 6.2.4.2. is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 2] met deze dwangmiddelen eveneens heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Tweede gedeelte van sub 4: Handelingen Ten aanzien van het tweede gedeelte van sub 4 (ten laste gelegd onder 1 ten vierde cumulatief/alternatief) zal verdachte worden ontslagen van rechtsvervolging. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 6.2.3.3. heeft overwogen. 6.3.4.4. Sub 6 Voor de inhoud en reikwijdte van deze strafbepaling verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 6.2.3.4. heeft overwogen. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen met betrekking tot de dwangmiddelen onder 6.3.4.2. Verdachte moet op grond daarvan hebben beseft dat zijn handelen jegens [slachtoffer/getuige 2] als noodzakelijk en door hem gewild gevolg meebracht dat [slachtoffer/getuige 2] in de prostitutie werkzaam was en daarmee was hij zich dus bewust van de uitbuitingssituatie. Uit de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit de uitbuiting van [slachtoffer/getuige 2] voordeel heeft getrokken. Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten vijfde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit. 6.3.4.5. Sub 9 Onder verwijzing naar de overwegingen en de bewezenverklaring van de dwangmiddelen, zoals hiervoor onder 6.3.4.2. is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door voornoemde dwangmiddelen [slachtoffer/getuige 2] heeft bewogen hem te bevoordelen. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten zesde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.3.4.6. Sub 3 Artikel 273f, eerste lid, sub 3 stelt strafbaar het aanwerven, medenemen of ontvoeren van iemand, met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. De wetgeschiedenis en de verdragsrechtelijke achtergrond van deze bepaling kenmerken zich door een ruime bescherming van de te prostitueren persoon. In de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie is steun te vinden voor de stelling dat onder medenemen wordt verstaan iedere daad waardoor een persoon wordt medegenomen om die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen zonder dat hoeft te blijken dat de wijze van medeneming de keuzevrijheid heeft beperkt. Het bestanddeel medenemen dient ruim uitgelegd te worden, maar vereist wel enige actieve gedraging van verdachte. Hiermee wordt bedoeld dat verdachte praktische handelingen moet hebben uitgevoerd om de te prostitueren persoon feitelijk in een ander land te krijgen. Volgens de Hoge Raad kan ook van medenemen worden gesproken indien de te prostitueren persoon alleen reist, maar het vliegticket door verdachte is betaald en de te prostitueren persoon in Nederland van het vliegveld wordt gehaald. Toegepast op de deze zaak, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [slachtoffer/getuige 2] verdachte vanuit Hongarije heeft opgebeld met de mededeling dat zij in Nederland voor verdachte, op fifty-fifty basis, in de prostitutie wilde gaan werken en dat zij bij hem in Amsterdam wilde gaan wonen. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens haar reis naar Nederland betaald, zo blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer/getuige 2] , verdachte en [medeverdachte] . [slachtoffer/getuige 2] is na haar komst in Nederland – in overeenstemming met de afspraken – bij verdachte gaan wonen en voor hem gaan werken in de prostitutie. In dit licht wijst de rechtbank nog op een uitgeluisterd telefoongesprek van 14 juli 2012 tussen verdachte en [slachtoffer/getuige 2] waarin verdachte tegen [slachtoffer/getuige 2] zegt dat zij niet moet vergeten wie haar naar Nederland heeft gehaald. Deze feiten en omstandigheden leveren ‘medenemen’ op in de zin van voornoemde strafbepaling. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte en [medeverdachte] zich hebben schuldig gemaakt aan internationale mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 2] . 6.3.4.7. Pleegperiode en pleegplaats De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 2] in de periode van oktober 2011 tot en met 15 juli 2012 heeft uitgebuit in Amsterdam. 6.4. Ten aanzien van [slachtoffer/getuige 3] 6.4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 3] (subleden 1, 3, 4, 6 en 9). Zij acht bewezen dat verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer/getuige 3] naar Nederland hebben laten brengen om voor hen in de prostitutie te komen werken, die [slachtoffer/getuige 3] – door voortdurend tegen haar te schreeuwen – onder psychische druk hebben gezet, haar hebben voorgehouden dat zij een schuld had, [slachtoffer/getuige 3] meermaals hebben gehuisvest, een prostitutiekamer voor [slachtoffer/getuige 3] hebben geregeld en betaald, [slachtoffer/getuige 3] meermaals hebben geslagen, haar meermaals hebben gecontroleerd terwijl zij aan het werk was, haar hebben geïnstrueerd welke antwoorden zij moest geven als zij door de politie werd gecontroleerd en de verdiensten van [slachtoffer/getuige 3] steeds hebben afgepakt of haar hebben gedwongen haar verdiensten af te staan. 6.4.2. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft op grond van het onder 4.2. weergegeven en besproken verweer bepleit dat verdachte van dit onderdeel van de beschuldiging moet worden vrijgesproken. 6.4.3. Het oordeel van de rechtbank 6.4.3.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage II, tot het volgende oordeel. 6.4.3.2. Heeft [slachtoffer/getuige 3] voor verdachte en medeverdachte gewerkt? Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, acht zij de verklaringen van [slachtoffer/getuige 3] bruikbaar voor het bewijs. [slachtoffer/getuige 3] verklaart bij gelegenheid van verschillende verhoren dat zij op fifty-fifty basis voor verdachte en [medeverdachte] heeft gewerkt. Haar verklaring vindt steun in de verklaring van [slachtoffer/getuige 4] , inhoudende dat [slachtoffer/getuige 3] een fifty-fifty deal had met verdachte. De rechtbank acht daarom bewezen dat [slachtoffer/getuige 3] voor verdachte en [medeverdachte] prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of hierbij sprake was van uitbuitingsituatie in de zin van artikel 273f Sr. 6.4.3.3.

Artikel 273f

, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt onder

dat strafbaar is hij die met het oogmerk van uitbuiting door één of meer dwangmiddelen één of meer in deze bepaling genoemde handelingen verricht, die ervoor zorg dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt, dan wel belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Dwangmiddelen De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer/getuige 3] voor haar bestaan in Nederland afhankelijk was van de hulp die verdachte en medeverdachte haar boden. Deze vaststelling baseert de rechtbank op het volgende. [slachtoffer/getuige 3] is afkomstig uit Hongarije, waar zij leefde in armoedige en kansarme omstandigheden. Zo verklaart zij bij de politie op 29 mei 2012 dat haar financiële situatie in Hongarije haar gedwongen heeft naar Nederland te komen. Bij de rechter-commissaris op 29 maart 2012 verklaart [slachtoffer/getuige 3] dat zij een schuld had bij twee personen, dat zij in Hongarije geen geld of werk had en daar niet kon rondkomen. [slachtoffer/getuige 3] was de Engelse en de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig, hetgeen blijkt uit haar verklaring bij de rechter-commissaris van 29 maart 2012 en uit het feit dat zij zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris in het bijzijn van een tolk in de Hongaarse taal is gehoord. Nederland was voor [slachtoffer/getuige 3] een vreemd land, waar zij de weg niet kende en in welk land zij niet beschikte over een sociaal netwerk. [slachtoffer/getuige 3] verklaart in haar aangifte dat ze destijds dacht dat het absoluut niet mogelijk was om in Nederland zelfstandig te werken. ‘Zonder kennis van de weg, kennissen en kennis van de taal kan dat niet. Ik was afhankelijk van [verdachte] en [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: van verdachte en medeverdachte)’. [slachtoffer/getuige 3] verklaart bij de rechter-commissaris (29 maart 2012) dat zij in Nederland afhankelijk was van verdachte en medeverdachte en dat zij door hen in de prostitutiewereld is geïntroduceerd. [contactperoon 1] , een goede vriend van verdachte organiseerde – op verzoek van verdachte – sofinummers en officiële woonadressen, aldus [slachtoffer/getuige 3] . [slachtoffer/getuige 3] verklaart in haar aangifte dat verdachte haar liet werken en dat medeverdachte degene was die druk op haar uitoefende. Medeverdachte liep met [slachtoffer/getuige 3] mee naar de exploitant en hield haar daar in de gaten. Van verdachte en medeverdachte moest [slachtoffer/getuige 3] per dag tussen de 100 en 200 euro verdienen. Als [slachtoffer/getuige 3] het bedrag niet bij elkaar had, schreeuwde [medeverdachte] waarom zij het geld nog niet had. [medeverdachte] heeft tegen [slachtoffer/getuige 3] gezegd dat zij op straat terecht zou komen, als zij geen geld zou verdienen. Aanvankelijk was [slachtoffer/getuige 3] bang voor verdachte, daarna voor [medeverdachte] . [slachtoffer/getuige 3] verklaart bij de rechter-commissaris op 29 maart 2012 dat zij, vanaf het moment dat zij in Nederland aankwam en van verdachte en [medeverdachte] in de prostitutie moest werken, in angst heeft geleefd en zich onder druk gezet voelde. [slachtoffer/getuige 3] verklaart in haar aangifte dat verdachte en [medeverdachte] haar hebben geïnstrueerd wat zij tegen de politie moest zeggen, namelijk dat zij in haar eentje in een hotel woonde. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat [medeverdachte] [slachtoffer/getuige 3] heeft gecontroleerd terzake en gedurende haar prostitutiewerkzaamheden, dat verdachte en [medeverdachte] druk op haar hebben uitgeoefend om geld te verdienen in de prostitutie en een deel van haar verdiensten aan hen af te dragen. De rechtbank heeft uit de verschillende verklaringen kunnen afleiden dat [slachtoffer/getuige 3] aanvankelijk door haar voormalige pooiers [naam 5] en [naam 6] naar Nederland is gebracht, dat [slachtoffer/getuige 3] bij deze pooiers een schuld had opgebouwd, dat [slachtoffer/getuige 3] slecht door deze pooiers is behandeld en dat zij bang voor hen was. [slachtoffer/getuige 3] verklaart in haar aangifte dat zij een deel van haar inkomsten afdroeg omdat zij dacht dat zij op deze manier het contact met verdachte en [medeverdachte] het snelste kon beëindigen, zodat zij niet meer bang voor hen hoefde te zijn. Verdachte en [medeverdachte] hebben tegen [slachtoffer/getuige 3] gezegd dat zij überhaupt blij moest zijn dat zij een deel van haar inkomsten mocht houden, aldus [slachtoffer/getuige 3] in haar verklaring bij de rechter-commissaris van 29 maart

  1. [slachtoffer/getuige 4] verklaart bij de rechter-commissaris op 16 april 2013 dat zij niet weet wat de tegenprestatie was van verdachte voor de fifty-fifty overeenkomst met [slachtoffer/getuige 3] . ‘Het is moeilijk om je in je uppie te redden in Amsterdam. [slachtoffer/getuige 3] kende [verdachte] al via [naam 5] ’, aldus [slachtoffer/getuige 4] . De rechtbank acht het aannemelijk dat [slachtoffer/getuige 3] , gegeven voornoemde omstandigheden, het afdragen van de helft van haar inkomsten – zonder dat hier een reële tegenprestatie tegenover stond – beschouwde als het best mogelijke alternatief. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de feitelijke omstandigheden van aangeefster die hebben geleid tot deze afhankelijkheidssituatie. Voor dit oordeel is onder meer belang dat verdachte en [medeverdachte] wisten dat [slachtoffer/getuige 3] schulden had, aldus [slachtoffer/getuige 3] bij de rechter-commissaris op 12 augustus
  2. Verder is relevant dat [medeverdachte] ter terechtzitting van 13 december 2013 heeft verklaard dat [slachtoffer/getuige 3] met haar pooiers [naam 5] en [naam 6] naar Nederland is gekomen, dat zij terreur op [slachtoffer/getuige 3] hebben uitgeoefend en haar heel slecht hebben behandeld, dat [slachtoffer/getuige 3] heel bang was voor hen, dat [medeverdachte] en verdachte met [slachtoffer/getuige 3] en [naam 5] en [naam 6] in een woning hebben gewoond en dat in deze woning een incident heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer/getuige 3] en [naam 6] waarbij [slachtoffer/getuige 3] huilend door de gang liep en [naam 6] haar achterna liep en [slachtoffer/getuige 3] wilde slaan. De rechtbank acht op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – de volgende dwangmiddelen bewezen: ‘dwang’, ‘dreiging met een feitelijkheid’, ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank het dwangmiddel ‘geweld’ niet bewezen. [slachtoffer/getuige 3] verklaart in haar aangifte dat zij door [medeverdachte] is mishandeld. [slachtoffer/getuige 1] verklaart in haar aangifte over slaan en schoppen door verdachte. Volgens [getuige 1] is een wat gezette en brildragende [slachtoffer/getuige 3] door [medeverdachte] mishandeld, zo heeft hij van [slachtoffer/getuige 2] gehoord. Los van de vraag of [getuige 1] het over [slachtoffer/getuige 3] heeft, verklaart [getuige 1] dit niet uit eigen waarneming. De rechtbank acht voornoemde verklaringen niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring voor dit onderdeel, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Handelingen Op grond van in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de (op dit punt bekennende) verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 3] heeft gehuisvest. De rechtbank acht de overige in de tenlastelegging genoemde handelingen niet bewezen. Het oogmerk van uitbuiting De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Door het verrichten van de hiervoor bewezen geachte handeling, onder toepassing van de hiervoor bewezen geachte dwangmiddelen, moet verdachte hebben beseft dat hij [slachtoffer/getuige 3] in een uitbuitingssituatie heeft gebracht en gehouden. 6.4.3.
  3. Sub 4 De rechtbank verwijst voor de inhoud en de reikwijdte van deze strafbepaling naar hetgeen zij onder 6.2.3.
  4. heeft overwogen. Eerste gedeelte van sub 4: dwangmiddelen Onder verwijzing naar de overwegingen en de bewezenverklaring van de dwangmiddelen, zoals hiervoor onder 6.4.3.
  5. is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 3] met voornoemde dwangmiddelen eveneens heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten vierde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Tweede gedeelte van sub 4: Handelingen Ten aanzien van het tweede gedeelte van sub 4 (ten laste gelegd onder 1 ten vierde cumulatief/alternatief) zal verdachte worden ontslagen van rechtsvervolging. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 6.2.3.
  6. heeft overwogen. 6.4.3.
  7. Sub 6 Voor de inhoud en reikwijdte van deze strafbepaling verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 6.2.3.
  8. heeft overwogen. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen met betrekking tot de dwangmiddelen onder 6.4.3.
  9. Verdachte moet op grond daarvan hebben beseft dat zijn handelen jegens [slachtoffer/getuige 3] als noodzakelijk en door hem gewild gevolg meebracht dat [slachtoffer/getuige 1] in de prostitutie werkzaam was en daarmee was hij zich dus bewust van de uitbuitingssituatie. Uit de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit de uitbuiting van [slachtoffer/getuige 3] voordeel heeft getrokken. Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten vijfde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, zoals hierna onder
  10. weergegeven 6.4.3.
  11. Sub 9 Onder verwijzing naar de overwegingen en bewezenverklaring van de dwangmiddelen zoals hierover onder 6.4.3.3 is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door voornoemde dwangmiddelen [slachtoffer/getuige 3] heeft bewogen hem te bevoordelen. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten zesde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.4.3.
  12. Sub 3 De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan internationale mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 3] , zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. 6.4.3.
  13. Pleegperiode en pleegplaats De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 3] in de periode van mei 2011 tot en met september 2011 heeft uitgebuit in Amsterdam. 6.
  14. Ten aanzien van [slachtoffer/getuige 4] 6.5.
  15. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een een bewezenverklaring van mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 4] (subleden 1, 4, 6 en 9). Zij acht bewezen dat verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer/getuige 4] in Amsterdam hebben gehuisvest, een prostitutiekamer voor haar hebben geregeld en betaald, haar een schuld hebben laten opbouwen, met [slachtoffer/getuige 4] hebben afgesproken dat zij elke dag 50 euro zou betalen, haar te kennen hebben gegeven dat zij de prostitutiewerkzaamheden van [medeverdachte] in Den Haag moest betalen, [slachtoffer/getuige 4] hebben gezegd dat zij haar kind niet mocht zien zolang zij haar schuld nog niet had afbetaald, die [slachtoffer/getuige 4] hebben gedreigd haar familie in Hongarije te verwittigen van haar prostitutiewerkzaamheden en die [slachtoffer/getuige 4] hebben gedreigd dat als zij erachter zouden komen dat [slachtoffer/getuige 4] , nadat zij bij verdachte en [medeverdachte] was weggegaan, in Amsterdam aan het werk zou zijn, zij haar achterna zouden komen en haar in elkaar zouden slaan. De rechtbank begrijpt het standpunt van de officier van justitie zo, dat zij het ten tweede ten laste gelegde (sub 3) niet bewezen acht. 6.5.
  16. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van mensenhandel en uitbuiting jegens [slachtoffer/getuige 4] moet worden vrijgesproken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte betwist dat sprake was van een zakelijk overeenkomst tussen hem en [slachtoffer/getuige 4] waarbij laatstgenoemde verdachte iedere dag een geldbedrag van 50 euro, afkomstig uit prostitutiewerkzaamheden, afdroeg. Volgens verdachte liet hij [slachtoffer/getuige 4] af en toe een bedrag van 50 euro aan hem betalen ter aflossing van een door [slachtoffer/getuige 4] opgebouwde huurschuld bij verdachte. Volgens de raadsvrouw heeft ook [slachtoffer/getuige 4] verklaard dat de schuld is ontstaan als gevolg van het feit dat [slachtoffer/getuige 4] de kamer van [medeverdachte] in Den Haag een korte periode heeft overgenomen, maar toen niet genoeg verdiende om voor deze kamer te betalen. 6.5.
  17. Het oordeel van de rechtbank 6.5.3.
  18. Feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage II, tot het volgende oordeel. 6.5.3.
  19. De aard van de overeenkomst tussen verdachte en [slachtoffer/getuige 4] Volgens verdachte gaf [slachtoffer/getuige 4] hem zo nu en dan een geldbedrag van 50 euro, ter aflossing van een door [slachtoffer/getuige 4] opgebouwde huurschuld. Verdachte betwist dat hij iedere dag een geldbedrag van 50 euro van [slachtoffer/getuige 4] ontving, afkomstig uit door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden. Tegenover de (ontkennende) verklaring van verdachte staan de verklaringen van [slachtoffer/getuige 4] en van [medeverdachte] . Beiden verklaren dat tussen verdachte en [slachtoffer/getuige 4] een zakelijke overeenkomst bestond waarbij [slachtoffer/getuige 4] dagelijks 50 euro van haar inkomsten uit prostitutiewerk aan verdachte moest afstaan. Ook getuige [slachtoffer/getuige 2] heeft het in dit verband over ‘de dagelijkse 50 euro’ (politieverklaring van 13 augustus 2012). De rechtbank hecht geloof aan de verklaringen van [medeverdachte] , [slachtoffer/getuige 4] en [slachtoffer/getuige 2] en schuift de verklaring van verdachte in het licht daarvan ter zijde. De vraag die vervolgens voorligt is hoe deze zakelijke overeenkomst moet worden geduid. 6.5.3.3.

Artikel 273f

, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt onder

dat strafbaar is hij die met het oogmerk van uitbuiting door één of meer dwangmiddelen één of meer in deze bepaling genoemde handelingen verricht, die ervoor zorg dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt, dan wel belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. Dwangmiddelen De rechtbank acht bewezen dat verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer/getuige 4] een schuld hebben laten opbouwen, hebben gedreigd dat zij haar dochtertje niet mocht zien voordat zij deze schuld had afgelost en hebben gedreigd haar familie te verwittigen van haar prostitutiewerkzaamheden.In dit verband is van belang dat [slachtoffer/getuige 4] op 16 april 2013 bij de rechter-commissaris verklaart dat zij een aantal dagen geen 50 euro heeft kunnen afdragen, als gevolg waarvan zij een schuld van meer dan 300 euro heeft opgebouwd. [medeverdachte] heeft haar toen toegevoegd dat zij pas naar Hongarije mocht om haar dochtertje te zien als zij dit geldbedrag had terugbetaald. [slachtoffer/getuige 4] verklaart bij de politie op 15 augustus 2012 dat zij, toen [medeverdachte] zwanger was, de kamer in Den Haag van [medeverdachte] moest overnemen. Wegens tegenvallende inkomsten kon [slachtoffer/getuige 4] de kamer niet betalen, als gevolg waarvan zij een schuld heeft opgebouwd. [slachtoffer/getuige 4] verklaart verder dat zij met verdachte had afgesproken naar Amsterdam te komen om haar schuld af te lossen. Van [medeverdachte] mocht zij pas naar Amsterdam komen als zij haar schuld had afbetaald. [medeverdachte] heeft [slachtoffer/getuige 4] bedreigd door [slachtoffer/getuige 4] toe te voegen dat als [medeverdachte] er achter zou komen dat [slachtoffer/getuige 4] in Amsterdam aan het werk zou zijn, zij [slachtoffer/getuige 4] in elkaar zou slaan. [medeverdachte] is in staat is om naar de familie van [slachtoffer/getuige 4] te gaan, om te vertellen wat [slachtoffer/getuige 4] hier doet, aldus [slachtoffer/getuige 4] . [slachtoffer/getuige 4] verklaart dat zij afhankelijk was van verdachte en [medeverdachte] omdat zij niet wilde dat haar ouders erachter zouden komen wat voor werk zij deed. Dat [slachtoffer/getuige 4] een schuld had opgebouwd bij verdachte en [medeverdachte] , vindt steun in de verklaring van getuige [slachtoffer/getuige 2] bij de politie op 12 augustus

  1. [slachtoffer/getuige 2] verklaart dat [slachtoffer/getuige 4] de dagelijkse 50 euro niet kon betalen omdat [slachtoffer/getuige 4] niet goed verdiende. [slachtoffer/getuige 2] verklaart verder dat [slachtoffer/getuige 4] de kamer van [medeverdachte] in Den Haag niet kon betalen, als gevolg waarvan zij een schuld had opgebouwd. Dat [slachtoffer/getuige 4] de peeskamer van [medeverdachte] heeft overgenomen toen [medeverdachte] zwanger was, vindt steun in hetgeen [medeverdachte] hierover ter terechtzitting van 11 december 2013 heeft verklaard. [slachtoffer/getuige 4] verklaart bij de rechter-commissaris op 16 april 2013 dat zij de 50 euro aan verdachte afdroeg als zij ’s avonds thuiskwam. Als zij de 50 euro niet kon betalen dan zei [medeverdachte] , die een hardere stem heeft (dan verdachte, zo begrijpt de rechtbank), dat zij dat wel moest doen. [slachtoffer/getuige 4] verklaart bij de politie op 16 augustus 2012 dat er een periode was dat [medeverdachte] het niet goed vond dat [slachtoffer/getuige 4] ‘maar’ 50 euro per dag afdroeg. [slachtoffer/getuige 2] verklaart bij de politie op 12 augustus 2012 dat [medeverdachte] [slachtoffer/getuige 4] terroriseerde, als gevolg waarvan laatstgenoemde is weggegaan. [medeverdachte] verklaart ter terechtzitting van 11 december 2013 dat zij [slachtoffer/getuige 4] in opdracht van verdachte heeft gecontroleerd gedurende haar prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank leidt op grond van het bovenstaande af dat [slachtoffer/getuige 4] door [medeverdachte] is gecontroleerd en onder druk is gezet om geld te verdienen en geld af te dragen. [slachtoffer/getuige 4] was voor haar bestaan in Nederland afhankelijk van de hulp die verdachte en [medeverdachte] haar verleenden, bijvoorbeeld bij het regelen van een woning en bij het aanwijzen van locaties in Amsterdam waar zij als prostituee aan de slag kon. In dit verband verklaart [slachtoffer/getuige 4] bij de politie op 16 augustus 2012 dat als een meisje alleen naar Nederland komt, zij veel geld voor een woning moet betalen, hetgeen een meisje alleen niet kan opbrengen. Verdachte heeft een woning voor haar geregeld, aldus [slachtoffer/getuige 4] . [slachtoffer/getuige 4] verklaart dat iedereen naar [contactperoon 1] ging voor hulp. Ook voor [slachtoffer/getuige 4] heeft hij een sofinummer geregeld. [slachtoffer/getuige 4] verklaart verder dat een meisje zonder talenkennis in Nederland niet kan bestaan. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer/getuige 4] de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig was, gelet op het feit dat zij bij de politie en de rechter-commissaris in het bijzijn van een tolk in de Hongaarse taal is gehoord. In het licht van de afhankelijkheidssituatie waarin [slachtoffer/getuige 4] verkeerde, is nog van belang dat zowel uit de verklaring van verdachte als uit de verklaring van [medeverdachte] naar voren komt dat [slachtoffer/getuige 4] verliefd was op verdachte. Ten slotte is nog van belang dat uit de verklaring van [slachtoffer/getuige 4] , afgelegd bij de politie op 15 augustus 2012, blijkt dat zij aan haar voormalige pooiers de helft van haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden moest afstaan. Aan [slachtoffer/getuige 4] is gezegd dat zij 50 euro van haar inkomsten moest afdragen aan verdachte, omdat [slachtoffer/getuige 2] niet goed verdiende. [slachtoffer/getuige 4] verklaart dat zij hiermee instemde omdat deze overeenkomst nog altijd beter was dan te werken voor een vreemde. Een vreemde aan wie zij de helft of zelfs al haar inkomsten zou moeten afdragen. Gegeven deze omstandigheden, waarvan verdachte zich bewust moet zijn geweest, is het aannemelijk dat [slachtoffer/getuige 4] de overeenkomst met verdachte – waarbij zij ‘slechts’ 50 euro van haar inkomsten hoefde afdragen – beschouwde als een redelijk alternatief. In lijn met hetgeen de rechtbank hierover ten aanzien van [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 3] reeds heeft overwogen: [slachtoffer/getuige 4] had in haar beleving slechts de keuze uit twee kwaden. De rechtbank acht op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – de volgende dwangmiddelen bewezen: ‘dwang’, ‘dreiging met een feitelijkheid’, ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. De rechtbank acht de overige in de tenlastelegging genoemde dwangmiddelen. Handelingen Op grond van in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de (op dit punt bekennende) verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 4] heeft gehuisvest. De rechtbank acht de overige in de tenlastelegging genoemde handelingen niet bewezen. Het oogmerk van uitbuiting De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Door het verrichten van de hiervoor bewezen geachte handeling, onder toepassing van de hiervoor bewezen geachte dwangmiddelen, moet verdachte hebben beseft dat hij [slachtoffer/getuige 4] in een uitbuitingssituatie heeft gebracht en gehouden. Conclusie Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.5.3.
  2. Sub 4 De rechtbank verwijst voor de inhoud en de reikwijdte van deze strafbepaling naar hetgeen zij onder 6.2.3.
  3. heeft overwogen. Eerste gedeelte van sub 4: dwangmiddelen Onder verwijzing naar de overwegingen en de bewezenverklaring van de dwangmiddelen, zoals hiervoor onder 6.5.3.
  4. is uiteengezet, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 4] met deze dwangmiddelen eveneens heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Tweede gedeelte van sub 4: handelingen Ten aanzien van het tweede gedeelte van sub 4 (ten laste gelegd onder 1 ten vierde cumulatief/alternatief) zal verdachte worden ontslagen van rechtsvervolging. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 6.2.3.
  5. heeft overwogen. 6.5.3.
  6. Sub 6 Voor de inhoud en reikwijdte van deze strafbepaling verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 6.2.3.
  7. heeft overwogen. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen met betrekking tot de dwangmiddelen onder 6.5.3.
  8. Verdachte moet op grond daarvan hebben beseft dat zijn handelen jegens [slachtoffer/getuige 4] als noodzakelijk en door hem gewild gevolg meebracht dat [slachtoffer/getuige 1] in de prostitutie werkzaam was en daarmee was hij zich dus bewust van de uitbuitingssituatie. Uit de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit de uitbuiting van [slachtoffer/getuige 4] voordeel heeft getrokken. Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten vijfde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, zoals hierna onder
  9. weergegeven 6.5.3.
  10. Sub 9 Onder verwijzing naar de overwegingen en bewezenverklaring van de dwangmiddelen zoals hiervoor onder 6.5.3.
  11. overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door voornoemde dwangmiddelen [slachtoffer/getuige 4] heeft bewogen hem te bevoordelen. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten zesde cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 6.5.3.
  12. Sub 3 De rechtbank verwijst voor wat betreft de reikwijdte en de inhoud van deze bepaling naar hetgeen zij hiervoor onder 6.3.4.
  13. (internationale mensenhandel [slachtoffer/getuige 2] ) heeft overwogen. De rechtbank komt inzake [slachtoffer/getuige 4] tot de volgende beoordeling. [medeverdachte] verklaart bij de politie op 6 augustus 2012 dat zij vanuit Nederland geld heeft gestuurd naar [slachtoffer/getuige 4] , die op dat moment in Hongarije verbleef. [slachtoffer/getuige 4] had haar gebeld met de vraag of zij geld wilde opsturen, zodat [slachtoffer/getuige 4] naar Nederland kon komen. De verklaring van [medeverdachte] vindt steun in een overzicht van Western Union waaruit blijkt dat [medeverdachte] op 24 januari 2012 een geldbedrag van 209,50 euro naar [slachtoffer/getuige 4] in Hongarije heeft verzonden. [slachtoffer/getuige 4] verklaart bij de politie op 16 april 2012 dat zij met verdachte had afgesproken dat zij naar Amsterdam zou komen om haar schuld af te lossen. De rechtbank acht bewezen dat de looptijd van de zakelijke overeenkomst tussen [slachtoffer/getuige 4] en verdachte liep tot 15 juli
  14. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte] de reis van [slachtoffer/getuige 4] van Hongarije naar Nederland heeft betaald om [slachtoffer/getuige 4] in Nederland in de prostitutie te laten werken, ter aflossing van de door [slachtoffer/getuige 4] opgebouwde schulden. Deze feiten en omstandigheden leveren ‘medenemen’ op in zin van deze strafbepaling. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte en [medeverdachte] zich hebben schuldig gemaakt aan internationale mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 4] . 6.5.3.
  15. Pleegperiode en pleegplaatsen De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer/getuige 4] in de periode van november 2011 tot 15 juli 2012 heeft uitgebuit in Amsterdam en Den Haag. 6.
  16. Ten aanzien van [medeverdachte] 6.6.
  17. Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan internationale mensenhandel (sub 3). Ten aanzien van de overige subleden van artikel 273f Sr heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak. 6.6.
  18. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. 6.6.
  19. Het oordeel van de rechtbank 6.6.
  20. Vrijspraak sub 3 Sub 3 (internationale mensenhandel) stelt strafbaar het aanwerven, medenemen of ontvoeren van iemand, met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Zowel [medeverdachte] als verdachte hebben verklaard dat [medeverdachte] zelf het initiatief heeft genomen om in Nederland in de prostitutie te gaan werken. Verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens samen van Hongarije naar Nederland gereisd. Het dossier bevat geen andere informatie over de omstandigheden waaronder of de wijze waarop [medeverdachte] naar Nederland is gereisd. De rechtbank is, met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het enkele feit dat verdachte en [medeverdachte] samen naar Nederland zijn gereisd, mede gelet op hun relatie, op zichzelf niet voldoende is voor het bewijs dat verdachte [medeverdachte] heeft medegenomen met het oogmerk haar ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder sub 3, Sr. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan internationale mensenhandel, zodat hij van dit onderdeel van de beschuldiging zal worden vrijgesproken. 6.6.
  21. Vrijspraak overige subleden Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bevat voor de overige ten laste gelegde subleden van artikel 273f, eerste lid, Sr, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. 6.
  22. Medeplegen De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van mensenhandel in vereniging als bedoeld in artikel 273f, derde lid,

Sr. Naar vaste jurisprudentie is voor medeplegen nauwe en bewuste samenwerking vereist. Het is niet noodzakelijke dat de verschillende samenwerkende personen ieder voor zich alle bestanddelen van het delict vervullen. Sprake moet zijn van een handeling die voor de uitvoering van het strafbare feit van overwegend belang is, of anders gezegd: een handeling die daarvoor van wezenlijke betekenis is. Toegepast op deze zaak komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. Verdachte en [medeverdachte] vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer complementerende rol bij het tot stand brengen en houden van de uitbuitingssituaties van [slachtoffer/getuige 1] , [slachtoffer/getuige 3] , [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 4] . Verdachte trad op als contactpersoon voor het huren van een woning, aan hem diende de vrouwen hun verdiensten af te geven, hij bracht de vrouwen in contact met [contactperoon 1] in verband met organiseren van een inschrijfadres, een sofinummer en een inschrijving in de Kamer van Koophandel. [medeverdachte] vervulde de rol van controleur en instrueerde de vrouwen waar en hoe zij een peeskamer konden huren. [medeverdachte] dreigde en schreeuwde tegen de vrouwen als zij in de ogen van [medeverdachte] niet of onvoldoende verdienden. Ten slotte bevat het dossier aanwijzingen dat verdachte en [medeverdachte] samen deelden in de opbrengst van de afdracht van inkomsten uit de prostitutie door de vrouwen. Op grond van hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de samenwerking tussen verdachte en [naam 2] onder 6.2.3.

  1. en de verdeling van de opbrengsten uit de prostitutie tussen hen acht de rechtbank voorts bewezen dat er een nauwe en bewuste samenwerking was tussen verdachte en [naam 2] bij de uitvoering van voornoemde strafbare feiten. Op basis van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte, [medeverdachte] en [naam 2] in zodanige mate aan de uitbuitingssituatie hebben bijgedragen, dat van bewuste en nauwe samenwerking – in de zin van medeplegen – sprake is. 6.
  2. Overige verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste laste feit De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar geld heeft ontvangen van [slachtoffer/getuige 1] , [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 2] , maar dat dit geld was bestemd voor de huur voor de woning die zij deelden en voor de kosten ten behoeve van hun aller levensonderhoud. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voornoemde stelling van de verdediging haar weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Verschillende vrouwen hebben namelijk verklaard dat zij een deel van hun inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden moesten afdragen aan verdachte en dat zij verdachte daarnaast geld dienden te betalen voor de huur en het levensonderhoud. Het bewijsverweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 7Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 4 7.
  3. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , telkens een groot gedeelte van de verdiensten uit de door [slachtoffer/getuige 1] , [slachtoffer/getuige 2] , [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft witgewassen. Het dossier bevat bewijs dat zij het geld hebben aangewend om in het levensonderhoud van verdachte en [medeverdachte] te voorzien. Bovendien is gebleken dat de verdachten geld naar Hongarije hebben gebracht, dan wel dat [medeverdachte] en [slachtoffer/getuige 2] voor verdachte en [medeverdachte] geld via Western Union hebben overmaakt naar familieleden en kennissen van [medeverdachte] en naar familieleden van [slachtoffer 8] . 7.
  4. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Primair heeft zij hiertoe verwezen naar de door haar bepleite vrijspraak ter zake van mensenhandel, als gevolg waarvan verdachte ook moet worden vrijgesproken van gewoontewitwassen. Voor het geval de rechtbank mocht komen tot een bewezenverklaring van mensenhandel, dient ook vrijspraak te volgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw erop gewezen dat in het geval dat witwassen de opbrengsten van een eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop gericht is de zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Aan dit vereiste is in het onderhavige geval niet voldaan, aldus de raadsvrouw. 7.
  5. Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de in bijlage II van dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en [naam 2] heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer/getuige 1] , [slachtoffer/getuige 2] , [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank overweegt nog als volgt. Gelet op het feit dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – de uitbuiting in de prostitutie van voornoemde vrouwen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dat het enkele voorhanden hebben. Op de officier van justitie aangevoerde gronden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Gebleken is dat uit prostitutiewerkzaamheden gegenereerde inkomsten van voornoemde vrouwen zijn aangewend ten behoeve van het betalen van de huur en eten. Daarnaast is gebleken dat [slachtoffer/getuige 2] , in opdracht van verdachte en [medeverdachte] , en [medeverdachte] zelf geldbedragen hebben overgemaakt via Western Union naar personen in Hongarije. 8Vrijspraak van feit 2 8.
  6. Inleiding Verdachte wordt verweten dat hij de minderjarige [slachtoffer 8] naar Nederland heeft meegenomen om haar in Nederland in de prostitutie te laten werken. Het dossier bevat verschillende uitgeluisterde telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] , waaronder gesprekken waarin [medeverdachte] aan verdachte vraagt wanneer hij [slachtoffer 8] achter het raam gaat zetten (waarop verdachte antwoordt dat dit dinsdag of woensdag zal zijn), waarin [medeverdachte] vraagt of verdachte papieren voor [slachtoffer 8] aan het regelen is (waarop verdachte antwoordt dat [contactperoon 1] dit aan het regelen is), waarin [medeverdachte] tegen verdachte zegt dat hij het meisje veel zielskracht moet geven omdat [slachtoffer 8] het moeilijk gaat krijgen achter het raam (waarop verdachte antwoordt dat het meisje inderdaad nog veel moet leren, maar dat hij haar dit zal leren). In het dossier bevindt zich ook een verklaring van getuige [slachtoffer/getuige 2] van 17 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte tegen [slachtoffer/getuige 2] heeft gezegd dat [slachtoffer 8] voor de prostitutie naar Nederland zou komen. Daarnaast verklaart getuige [getuige 1] bij de politie dat hij zeker weet dat verdachte [slachtoffer 8] in de prostitutie wilde laten werken, dat [slachtoffer 8] een keer huilde en aan verdachte vroeg of zij ook hoer moest worden, waarop verdachte haar antwoorde dat hij toch ergens van moest leven. Verdachte verklaart, zowel bij de politie als ter terechtzitting van 11 december 2013, dat hij deze telefoongesprekken inderdaad heeft gevoerd, dat hij [medeverdachte] en [slachtoffer/getuige 2] inderdaad heeft voorgehouden dat hij [slachtoffer 8] in de prostitutie wilde laten werken, maar dat hij hen om de tuin heeft willen leiden. In werkelijkheid was hij helemaal niet van plan haar prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten, want hij was verliefd op haar. Gelet op zijn (liefdes)geschiedenis met [medeverdachte] was het niet mogelijk [slachtoffer 8] als zijn vriendinnetje in hun gemeenschappelijke woning te laten verblijven, zodat hij zich genoodzaakt zag hierover te liegen. De rechtbank constateert met de officier van justitie en de raadsvrouw dat het dossier voldoende wettig bewijs bevat voor een bewezenverklaring. De centrale vraag is of het alternatieve scenario van verdachte voldoende overtuigend wordt weerlegd door deze bewijsmiddelen. 8.
  7. Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie moet bovengenoemde vraag bevestigend worden beantwoord. In lijn met deze opvatting heeft zij gerekwireerd tot een bewezenverklaring voor dit feit. 8.
  8. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geloof moet worden gehecht aan de verklaring van verdachte, zodat hij van dit feit moet worden vrijgesproken. 8.
  9. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken en overweegt hiertoe het volgende. Het scenario dat verdachte schetst wordt onvoldoende weerlegd door de inhoud van voornoemde tapgesprekken en de verklaring van [slachtoffer/getuige 2] . Verdachte heeft immers gemotiveerd uiteengezet dat – en waarom – hij onder meer [medeverdachte] en [slachtoffer/getuige 2] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Uit de inhoud van de tapgesprekken kan de rechtbank niet afleiden dat dat verdachte geen onjuiste verklaring heeft gegeven. Ook de verklaring van [getuige 1] , waarin hij zegt dat [slachtoffer 8] verdachte in tranen heeft gevraagd of zij ook als hoer moest werken, leidt niet tot een weerlegging van het alternatieve scenario. Immers, er kunnen andere redenen zijn voor dit gesprek. Zo zou [slachtoffer 8] op deze manier kunnen hebben gereageerd toen zij ontdekte dat andere vrouwen die in het huis bij verdachte woonden in de prostitutie werkten. Toen [slachtoffer 8] bij gelegenheid van haar verhoor op 15 juli 2012 door de politie werd geconfronteerd met de inhoud van de telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] , reageerde zij verbaasd, verdrietig en teleurgesteld. Hieruit leidt de rechtbank af dat zij pas toen voor het eerst hoorde van het vermeende plan van verdachte haar als prostituee te laten werken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt mensenhandel van [slachtoffer 8] , zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken. 9Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 3 9.
  10. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte ontuchtige handelingen heeft verricht met de toen 15-jarige [slachtoffer 8] . 9.
  11. Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft dit feit bekend. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 9.
  12. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht op grond van de in bijlage II van dit vonnis opgenomen opgave van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de toen 15-jarige [slachtoffer 8] . 10De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit: in de periode van 1 maart 2011 tot en met 15 juli 2012 te Amsterdam en Den Haag, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] door dwang en/of feitelijkheden en/of door dreiging met feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft overgebracht en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] en voornoemde [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 4] heeft medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer/getuige 2] en die [slachtoffer/getuige 4] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en die [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] met een van de voornoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden en met een of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat die [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 2] en die [slachtoffer/getuige 3] en die [slachtoffer/getuige 4] zich daardoor beschikbaar stelden tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 2] en die [slachtoffer/getuige 3] en die [slachtoffer/getuige 4] en die [slachtoffer/getuige 1] en die [slachtoffer/getuige 2] en die [slachtoffer/getuige 3] en die [slachtoffer/getuige 4] met een of meer van de voornoemde middelen of omstandigheden heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer/getuige 1] en die [slachtoffer/getuige 2] en die [slachtoffer/getuige 3] en die [slachtoffer/getuige 4] met of voor een derde, bestaande die dwang en/of en feitelijkheden en/of dreiging met feitelijkheden en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en dat overbrengen en/of huisvesten en dwingen of bewegen of dat handelingen ondernemen of dat voordeel trekken hierin dat hij, verdachte en zijn mededaders ten aanzien van die [slachtoffer/getuige 1] terwijl hij wist dat die [slachtoffer/getuige 1] in Nederland geen familie had en niemand kende en nergens terecht kon en de weg niet kende die [slachtoffer/getuige 1] in Amsterdam hebben gehuisvest en een prostitutiekamer voor die [slachtoffer/getuige 1] hebben geregeld en die [slachtoffer/getuige 1] onder druk hebben gezet en die [slachtoffer/getuige 1] hebben gecontroleerd terwijl zij in de prostitutie aan het werk was en de verdiensten van die [slachtoffer/getuige 1] hebben afgepakt en afgenomen en die [slachtoffer/getuige 1] gedwongen haar verdiensten af te staan en ten aanzien van die [slachtoffer/getuige 2] terwijl hij wist dat die [slachtoffer/getuige 2] in Nederland geen familie had en niemand kende en nergens terecht kon en de weg niet kende die [slachtoffer/getuige 2] haar reiskosten, om te komen vanuit Hongarije naar Nederland, hebben voorgeschoten om voor hem en zijn mededaders op fifty fifty basis in de prostitutie te komen werken en die [slachtoffer/getuige 2] in Amsterdam hebben gehuisvest en een prostitutiekamer voor die [slachtoffer/getuige 2] hebben geregeld en betaald en die [slachtoffer/getuige 2] bescherming hebben aangeboden bij haar prostitutiewerkzaamheden en hebben geholpen met haar sofinummer en adresregistratie en die [slachtoffer/getuige 2] via Western Union meermalen geld hebben laten overmaken naar een of meer bankrekeningen en personen in Hongarije en die [slachtoffer/getuige 2] hebben bedreigd met de woorden dat het haar laatste dag was en die [slachtoffer/getuige 2] meermalen gedeeltelijk de, door die [slachtoffer/getuige 2] verdiende, prostitutieverdiensten aan hem en zijn mededaders heeft laten afstaan en ten aanzien van die [slachtoffer/getuige 3] terwijl hij wist dat die [slachtoffer/getuige 3] in Nederland geen familie had en niemand kende en nergens terecht kon en de weg niet kende en slechts de Hongaarse taal sprak die [slachtoffer/getuige 3] door tegen haar te schreeuwen (o.a. als naar hun mening niet genoeg verdiende) onder psychische druk hebben gezet en gehouden die [slachtoffer/getuige 3] in Amsterdam hebben gehuisvest die [slachtoffer/getuige 3] heeft gecontroleerd terwijl zij in de prostitutie aan het werk was en die [slachtoffer/getuige 3] hebben geïnstrueerd welke antwoorden zij moest geven als zij door de politie werd gecontroleerd en de prostitutieverdiensten van die [slachtoffer/getuige 3] hebben afgepakt en afgenomen en die [slachtoffer/getuige 3] gedwongen haar gehele of gedeeltelijke verdiensten aan hem, verdachte, en zijn mededaders af te staan en ten aanzien van die [slachtoffer/getuige 4] terwijl hij wist die [slachtoffer/getuige 4] in Nederland geen familie had en niemand kende en nergens terecht kon en de weg niet kende die [slachtoffer/getuige 4] in Amsterdam hebben gehuisvest en een prostitutiekamer voor die [slachtoffer/getuige 4] hebben geregeld en die [slachtoffer/getuige 4] hebben geholpen bij het verkrijgen van een sofinummer en/of met die [slachtoffer/getuige 4] heeft/hebben afgesproken dat zij van haar prostitutieverdiensten elke dag 50 euro zou betalen aan hem en zijn mededaders en die [slachtoffer/getuige 4] te kennen hebben gegeven dat zij, de prostitutiekamer in Den Haag van zijn verdachtes mededader diende te betalen en die [slachtoffer/getuige 4] hebben gezegd dat zij haar kind (die woonde bij die [slachtoffer/getuige 4] ' moeder in Hongarije) niet meer mocht zien zolang zij haar schuld nog niet had afbetaald aan hem verdachte en zijn mededaders en die [slachtoffer/getuige 4] hebben gedreigd haar familie in Hongarije te verwittigen van haar prostitutiewerkzaamheden en die [slachtoffer/getuige 4] hebben gedreigd dat als ze erachter zouden komen dat zij, die [slachtoffer/getuige 4] , nadat zij bij verdachte en zijn mededaders was weggegaan, in Amsterdam aan het werk zou zijn, zij haar achterna zouden komen en in elkaar zouden slaan; Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit: in de periode van 15 juni 2012 tot en met 15 juli 2012 te Amsterdam, met [slachtoffer 8] , geboortedatum [1997] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 8] , hebbende verdachte meermalen zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 8] geduwd/gebracht; Ten aanzien van het onder 4 ten laste feit: in de periode van 1 maart 2011 tot en met 15 juli 2012, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, geldbedragen, te weten een deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 3] en [slachtoffer/getuige 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en daarvan gebruikt gemaakt terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 11De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 12De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 13Motivering van de straffen en maatregelen 13.
  13. De strafeis van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van voorarrest. 13.
  14. Het strafmaatverweer van de raadsvrouw Voor het geval de rechtbank haar verweren strekkende tot vrijspraak niet mocht volgen, heeft de raadsvrouw het volgende strafmaatverweer gevoerd. Op grond van opgelegde straffen in vergelijkbare zaken dient de strafeis van de officier van justitie te worden gematigd. Ten voordele van verdachte dient te worden meegewogen dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van vergelijkbare strafbare feiten. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat – mochten haar verweren ex artikel 359a Sv niet leiden tot de primair bepleite bewijsuitsluiting – deze dienen te resulteren in strafvermindering. Ten slotte heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de vrouwen vriendelijk over verdachte spreken en hem niet als agressor hebben aangemerkt. 13.
  15. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel van vier vrouwen, gewoontewitwassen en het plegen van ontucht met een 15-jarige. Mensenhandel en het voordeeltrekken uit uitbuiting zijn ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft tezamen met zijn mededaders misbruik gemaakt van kwetsbare vrouwen. Hij is daarbij planmatig en uitgekiend te werk gegaan. Hij en zijn mededader [medeverdachte] hadden een duidelijke rolverdeling; verdachte regelde een woning, liet de vrouwen voor hem werken, liet hen een deel van hun inkomsten aan hem afstaan, waarbij [medeverdachte] instructies gaf en tegen hen tekeer ging als zij in haar ogen onvoldoende verdienden. Verdachte en [medeverdachte] maakten gebruik van psychische terreur en voerde in sommige gevallen de druk op door die vrouwen met allerlei voorwendselen schulden bij hen te laten opbouwen. Via anderen regelden ze een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een sofinummer en een inschrijfadres voor de vrouwen. Op deze manier hielden verdachte en zijn medeverdachte deze vrouwen in hun greep. De slachtoffers zijn stuk voor stuk kwetsbare en beschadigde vrouwen die afkomstig zijn uit armoedige omstandigheden in hun moederland Hongarije, die de Nederlandse taal niet machtig waren, de weg niet kenden in Nederland en in Nederland niet beschikten over een sociaal netwerk. Verdachte heeft met zijn handelen welbewust misbruik gebruikt van deze slachtoffers. Hij heeft geen respect getoond voor hun fundamentele waarden, namelijk de individuele vrijheid en lichamelijke integriteit. Verdachte heeft uitsluitend gehandeld uit winstbejag. Terwijl de vrouwen voor hem werkten, zat hij werkeloos thuis. Verdachte heeft op geen enkele manier blijk gegeven dat hij zich bewust is van de ernst van zijn gedragingen. Integendeel: volgens verdachte moet hij worden gezien als een hulpvaardig man die het beste met de vrouwen voorhad. De rechtbank rekent verdachte zijn gedrag zeer aan. Ook heeft verdachte de inkomsten van deze vrouwen witgewassen. De rechtbank rekent het verdachte daarnaast aan dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ontucht met de toen vijftienjarige [slachtoffer 8] . [slachtoffer 8] was verliefd op verdachte en heeft vrijwillig seks met hem gehad. Ontucht met minderjarigen wordt in Nederland echter hoog opgenomen vanuit het oogpunt dat de slachtoffers tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen. Verdachte heeft [slachtoffer 8] weggehaald bij haar familie die in armoedige omstandigheden in Hongarije wonen en haar meegenomen naar zijn woning in Amsterdam waar zij volledig van hem afhankelijk was. De rechtbank is van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van voornoemde bewezen geachte feiten. De rechtbank ziet evenwel aanleiding een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist, omdat zij verdachte – anders dan de officier van justitie heeft bepleit – heeft vrijgesproken van mensenhandel jegens [slachtoffer 8] , niet bewezen acht dat geweld is aangewend tegen slachtoffers [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 3] en verdachte heeft vrijgesproken van de internationale mensenhandel jegens [slachtoffer/getuige 1] , [slachtoffer/getuige 3] en [

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.