vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/545894 / HA ZA 13-766 Vonnis van 7 mei 2014 in de zaak van de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, eiseres, advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn, tegen de naamloze vennootschap AMLIN EUROPE N.V., gevestigd te Amstelveen, gedaagde, advocaat mr. L.C. Dufour te Amsterdam. Partijen zullen hierna Achmea en Amlin worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 juli 2013 met producties de conclusie van antwoord met producties het tussenvonnis van 6 november 2013 waarin ambtshalve een comparitie van partijen is bevolen het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2014 en de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De bestuurder van een bij (een rechtsvoorganger van) Amlin verzekerde vrachtauto is aansprakelijk voor de gevolgen van een aanrijding, die heeft plaatsgevonden op 3 juli 2003, met een door [naam 1] (hierna: [naam 1]) bestuurde auto. De bestuurder van de vrachtauto stond achter de auto van [naam 1] te wachten voor een rood stoplicht, liet het rempedaal los en raakte de auto van [naam 1]. [naam 1], die destijds 59 jaar was en als vertegenwoordiger in dienst was bij [bedrijf], heeft na de aanrijding klachten en beperkingen ondervonden. (De rechtsvoorganger van) Achmea heeft in 2008, op grond van een voor [naam 1] afgesloten schadeverzekering inzittende (hierna: SVI), zijn schade afgewikkeld, tegen betaling van € 95.000,00. 2.2. [naam 1] is de dag na het ongeval naar zijn huisarts gegaan. Zijn huisarts heeft hem een verwijzing voor fysiotherapie gegeven. [naam 1] heeft zich op 11 augustus 2003 ziek gemeld. 2.3. In september 2003 is op verzoek van de huisarts van [naam 1] een röntgenfoto gemaakt van de nek van [naam 1]. Op die foto werden geen afwijkingen gevonden. 2.4. [naam 1] heeft tot 28 november 2003 halve dagen gewerkt. Vanaf 29 november 2003 is hij volledig uitgevallen. 2.5. Op 6 juli 2004 heeft een arts van het UWV, [naam 2] (hierna: [naam 2]), [naam 1] gezien voor een medische beoordeling in het kader van zijn arbeidsongeschiktheid. De eerste/algemene indruk van [naam 2] (vanuit observatie) was dat [naam 1] een normaal gezonde, fitte, normaal energieke, verder normaal verzorgde indruk maakte, conform zijn kalenderleeftijd. Algemeen lichamelijk onderzoek heeft [naam 2] niet verricht; [naam 2] achtte dit in overleg met [naam 1], gelet op de amnese en de voorgeschiedenis, niet zinvol. Hij heeft wel gericht onderzoek verricht. Het voorgaande blijkt uit de brief van 7 juli 2004 die [naam 2] aan de huisarts van [naam 1] stuurde naar aanleiding van deze beoordeling. De inhoud van die brief luidt, voor zover van belang, verder als volgt. 2.5.1. Ten aanzien van de re-integratie: “Mijn eigen bevindingen ten aanzien van belanghebbende zijn dat belanghebbende een 60-jarige man is die zijn werk als districtsmanager verkoopleider vertegenwoordiger verpakkingsbedrijf voor 40 uur per week staakte per 11-08-03. Dit was wegens klachten van hoofdpijn, nekpijn, lage rugpijn met ook een verminderd cognitief functioneren onder meer ten aanzien van concentratie, geheugen. Bij een aangegeven diagnose van whiplash op 03-07-03. Na een week door werken en 3 weken vakantie toch ziekmelding. De hiervoor ingestelde therapie bestond bestaat uit fysiotherapie, analgetica. Dit was niet zeer succesvol. En evidence based aanpak bij Winnock werd voor betrokkene kennelijk ongeschikt geacht in november 2004. Frustraties bij betrokkene over toenemende onmacht werden sterker. Werkdeelname, toen voor halve dagen, werd per omstreeks 28-11-03 zelfs geheel stopgezet. In februari 2004 intake bij revalidatiecentrum Het Roessingh gehad. Daarvoor staat betrokkene nu op de wachtlijst. Betrokkene werkt inmiddels nog wel minder dan 50% maar door verzekeringsarts [verzekeringsarts] en arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] is de reïntegratie-inspanning van werkgever en werknemer toch goedgekeurd (…). Betrokkene (…) vult daarop aan: Hij werkt nu niet sedert november 2003. (…) Aan de klachten is niet veel veranderd. Er is een contact met revalidatiecentrum Het Roessingh revalidatie-arts [revalidatie-arts]. Helaas is het per abuis nog tot op heden groepsmatig geweest terwijl de afgesproken bedoeling was dat betrokkene meer individueel een programma zou gaan volgen. Op 08-07-04 gaat betrokkene weer met revalidatie-arts [revalidatie-arts] spreken. (…) Herstelgedrag betrokkene ten aanzien van gezondheid: Betrokkene volgt hiertoe de adviezen van de curatieve sector op. (…) Ten aanzien van arbeidsreïntegratie vertelt betrokkene desgevraagd het volgende ondernomen te hebben: Hij is in gesprek met bedrijf en verricht voorkomende voor hem haalbare activiteiten, zoal bijvoorbeeld een beursdeelname of een klantcontact niet te ver weg.” 2.5.2. Ten aanzien van de beperkingen: “Toelichting op de aangegeven werkbelemmerende klachten. Waar klacht? Achter in de nek. Ook elders? Niet zozeer (…) Altijd daar? Ja. Hoewel het wisselt ten aanzien van nadruk links of rechts. (…) Invloed zitten/staan/lopen? Lang in dezelfde houding zoals bij autorijden geeft klachten toename. Heen en terug een paar uur is wel de limit. Beweging is beter. Door zijn zaalvoetbal 1 uur per week, tennis 1 uur per week, jeu de boules 1 uur per week wordt het zeker niet slechter. (…) Geheugen? Misschien iets minder geworden. Concentreren? Soms schittering voor de ogen bij autorijden, dan zonnebril nodig. (…) Gericht onderzoek (gericht met name op FML-relevante beperkingsaspecten): Nek: De stand van de nek is normaal. De spontane bewegingen binnen een 30-45 graden amplitudo van de nek zijn normaal. Betrokkene wijst desgevraagd pijn aan ter plaatse van de lage nekspieren. Nu pijn? Enigszins. Drukpijn? Lichte mate. Flexie: 0-30 (in plaats van 0-40 graden) = licht beperkt. Extensie: 0-30 (in plaats van 0-40 graden) = licht beperkt. Lateroflexie: links 30-0-30 rechts graden in plaats van links 40-0-40 rechts graden = licht beperkt. Rotatie: links 30-0-30 rechts in plaats van links 60-0-60 rechts graden = beperkt. (…)” 2.5.3. Ten aanzien van de prognose: “Ten aanzien van de aandoening is de prognose voor de eerstvolgende 3 maanden stationair of via adequate therapie naar evidence based inzichten gunstig. Ten aanzien van de belastbaarheid tot werkhervatting is de prognose evenzo.” 2.6. Op 17 juli 2004 is [naam 1] van zijn fiets gevallen. 2.7. In een rapportage van 20 juli 2004 is [naam 1] door de arbeidsdeskundige van het UWV per einde wachttijd (9 augustus 2004) ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% in de zin van de WAO. 2.8. [naam 1] is in september 2004 door het UWV, met terugwerkende kracht per einde wachttijd, ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% voor de WAO. In de rapportage van de Arbeidsdeskundig van 9 september 2004 staat daarover vermeld, voor zover van belang: “3.3] Mate van arbeidsongeschiktheid: Gelet op de beperkingen van belanghebbende blijft hij ongeschikt voor zijn eigen werk. Daar er een wisselend bezoek/ behandelingspatroon is bij het Roessingh [ c.a. 3 dagdelen per week] kunnen er geen voorbeeld functies geduid worden. Er kan van een werkgever niet verlangd worden iemand aan het arbeidsproces deel te laten nemen met een wisselend behandelingspatroon. Voorlopig is belanghebbende per EW volledig arbeidsongeschikt te beschouwen, hierbij komt de eerste beslissing te vervallen. De behandeling dient tot 24 okt. 2004 waarna de eerste FML weer geldend is. Het lijk mij zaak dat de primaire arbeidsdeskundige medio okt. 2004 contact met belanghebbende opneemt hoe het gaat.” 2.9. Medio 2005 zijn de behandelingen in Het Roessingh, centrum voor revalidatie (hierna: Het Roessingh), afgerond. [naam 1] is behandeld door een fysiotherapeut, ergotherapeut, psycholoog, arbeidsdeskundige en bewegingsagoog en heeft een arbeidsonderzoek ondergaan. Aanvankelijk had [naam 1] een ‘vrij sterk extern locus of controll’. 2.10. Een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 28 september 2005, opgesteld door [verzekeringsarts], heeft voor zover van belang, de volgende inhoud: “Visie van belanghebbende: Belanghebbende acht zich volledig arbeidsongeschikt voor alle werkzaamheden, omdat hij geen werkdruk meer aankan vanwege psychische klachten en concentratiezwakte. 3. Diagnose 8P611 6L550 4. Beschouwing Algemeen: (…) Na de revalidatie bij het Roessingh zijn de klachten niet in essentie verbeterd. Tot een daadwerkelijke werkhervatting is het niet gekomen. Hij blijft forse cognitieve stoornissen houden zoals concentratiezwakte en een sterk verminderde psychische spankracht. Belanghebbende acht zich volledig arbeidsongeschikt voor alle werkzaamheden, omdat hij geen werkdruk meer aankan vanwege psychische klachten en concentratiezwakte. Uit info dossier blijkt dat er sprake is van een burn-out na een whiplashtrauma. Het dagverhaal laat zien dat hij matig functioneert in het dagelijks leven, de fut is eruit. Kan zich weinig ergens toe zetten, er zijn ook veel slechte periodes dat hij tot weinig in staat is. Bij onderzoek komt het klachtenbeeld reëel over. (…) Belastbaarheidsprognose: De prognose t.a.v. werkhervatting en aandoening is: Er bestaat momenteel een redelijke eindtoestand en op korte termijn (binnen 3 maanden) is er geen aanzienlijke verandering in de belastbaarheid te verwachten.” 2.11. Op 27 oktober 2005 heeft een herbeoordeling in het kader van de WAO plaatsgevonden. [naam 1] bleef ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. [naam 1] heeft geprobeerd zijn werk te hervatten voor 2 x 2 uur per week, maar dat is niet gelukt. In de rapportage van de Arbeidsdeskundige van het UWV van 27 oktober 2005 staat, voor zover van belang: “2.2.10] Theoretische Arbeidsmogelijkheden: (…) Gezien de forse beperkingen die de verzekeringsarts vastgesteld heeft op met name persoonlijk en sociaal functioneren, zijn er voor verzekerde geen functies te duiden. Alleen al de beperkingen in werktempo en noodzaak tot intensieve begeleiding en rechtstreeks toezicht maken dat verzekerde niet in staat geacht kan worden functies op de vrije arbeidsmarkt te vervullen. Om deze reden is zij hooguit in staat te achten tot werken onder beschutte omstandigheden. De theoretische restverdiencapaciteit is € 0,00.” 2.12. De werkgever van [naam 1] heeft vragen van Achmea bij brief van 10 september 2007 als volgt beantwoord, voor zover van belang: “In de periode dat [naam 1] werkzaam is geweest voor de firma [bedrijf], van 1 september 1992 t/m 3 juli 2003 de dag van het ongeval, kan ik verklaren dat er slechts sprake is geweest van 9 ziekteverzuimdagen. Tevens verklaar ik dat er voor [naam 1] géén prepensioen regeling was en er bij normaal dienstverband op 65 - jarige leeftijd sprake zou zijn geweest van de pensioengerechtigde leeftijd.” 2.13. Achmea en Amlin hebben gedurende lange tijd overleg gevoerd over dit schadegeval. Daarin is in september 2008 een kentering gekomen, hetgeen wordt geïllustreerd door de inhoud van een brief van 15 september 2008 van Amlin aan Achmea: “U deelde verder mee deze kwestie na ontvangst van bovengenoemde medische informatie naar eigen inzicht te zullen gaan afwikkelen en nader overleg met onze maatschappij over de daarbij te hanteren uitgangspunten niet noodzakelijk te vinden. Onder de gegeven omstandigheden dien ik uw verdere berichten af te wachten.” 2.14. De verzekeringsarts van Achmea,[verzekeringsarts 2], heeft in een rapportage van 29 september 2008 voor zover van belang geschreven: “Er ontbreekt nog steeds de uitgebreide medische verzekeringsgeneeskundige rapportage. Er is nog steeds een situatie waarbij er geen lichamelijke oorzaak voor de klachten geduid kan worden. Er zijn geen aanwijzingen voor chronische pijnklachten voor het ongeval. Na het ongeval zijn de klachten wel gedocumenteerd. Het persisteren en de toename van klachten lijkt voort te komen uit de manier waarop betrokkene met de klachten omgaat. Betrokkene wordt geen geschikte kandidaat geacht voor therapie gericht op gedragsverandering. Ik denk niet dat wij hem dit kunnen verwijten/aanrekenen, het is zijn gedragstijl. In deze trant verder denkend is het persisteren van klachten niet in het ongeval zelf gelegen maar in het pijngedrag van betrokkene.” 2.15. Per e-mail van 28 oktober 2008 heeft Achmea aan Amlin bericht dat zij in het kader van een eindregeling een totaalbedrag van € 84.566,03 (exclusief buitengerechtelijke kosten) had aangeboden aan [naam 1]. In november 2008 hebben Achmea en [naam 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten. Achmea heeft Amlin per brief van 22 december 2008 een kopie van de vaststellingsovereenkomst en bijbehorende schadestaat toegestuurd en Amlin verzocht het aan [naam 1] betaalde bedrag onder aftrek van de door Amlin betaalde voorschotten binnen een maand aan haar over te maken. In deze brief is de wettelijke rente aangezegd per 22 januari 2009. 2.16. Bij brief van 22 februari 2010 heeft Achmea een kopie van het volledige huisartsenjournaal aan Amlin toegestuurd. Daaruit bleek dat er voorafgaand aan het ongeval geen consulten hebben plaatsgevonden in verband met psychische problemen of problemen op het werk. Uit de medische voorgeschiedenis van [naam 1] bleek enkel dat [naam 1] in het jaar voor het ongeval onder behandeling van een KNO arts is komen te staan in verband met stemproblemen. [naam 1] heeft daarnaast, na het ongeval, een of meer operaties aan zijn kaak ondergaan. Uit onder meer de patiëntenkaart kan worden opgemaakt dat bij [naam 1] boosheid bestond over ‘het circuit’ waarin hij door het ongeval was terechtgekomen. 3Het geschil 3.1. Achmea vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Amlin zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 80.351,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2009, alsmede een bedrag van € 1.578,51 aan incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van Amlin in de kosten van deze procedure. 3.2. Achmea legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Achmea is als SVI-verzekeraar gesubrogeerd in de vorderingsrechten van [naam 1] jegens Amlin op grond van (thans) artikel 7:962 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aangezien zij de schade van [naam 1] – die hij heeft geleden als gevolg van het ongeval – heeft vergoed. Inclusief buitengerechtelijke en overige kosten, heeft Achmea een bedrag van € 95.851,83 betaald. Amlin heeft slechts een bedrag van € 15.500,00 betaalbaar gesteld. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 22 januari 2009, hetgeen kan worden afgeleid uit de brief van Achmea van 22 december 2008. Achmea heeft de nodige correspondentie gevoerd alsmede – met tussenkomst van haar juridische dienst – besprekingen gevoerd om tot incasso van haar vordering te komen. Conform het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten begroot Achmea deze kosten op € 1.578,51. 3.3. De conclusie van Amlin strekt ertoe dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Achmea zal afwijzen, Achmea zal veroordelen in de kosten van deze procedure en Achmea zal veroordelen in de nakosten op de wijze, vermeld in de conclusie van antwoord. 3.4. Het verweer van Amlin luidt in de kern als volgt. Achmea heeft onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van Amlin. Zeker nu het UWV zich ook met een vordering tot Amlin heeft gewend. Amlin had en heeft er alle belang bij dat het causaal verband tussen het ongeval en de door [naam 1] gestelde klachten deugdelijk wordt vastgesteld. Het causaal verband is tot nu toe niet aangetoond. Het causaal verband is ook niet aannemelijk. Een lichte botsing leidt niet tot een algehele uitval en onmogelijkheid om tot aan de pensioengerechtigde leeftijd nog enige loonvormende arbeid te verrichten. De indruk ontstaat dat het UWV, Achmea en [naam 1] zich erbij neer hebben gelegd dat [naam 1] op de leeftijd van 59 jaar uit het arbeidsproces is gestapt. Amlin is – zonder nadere onderbouwing die tot nu toe ontbreekt – niet bereid de gevolgen van die keuze te dragen. De bekendheid van Achmea met de bezwaren van Amlin op dit punt ten tijde van de schaderegeling met [naam 1] maken het temeer onredelijk dat Achmea deze regresvordering instelt. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Hoofdsom van € 80.351,83 4.1. Achmea wenst de aan [naam 1] betaalde schade-uitkering te verhalen op Amlin, verminderd met het bedrag van € 15.500,00 dat Amlin aan Achmea heeft betaald. Het bedrag van € 15.500,00 komt volgens Amlin overeen met de werkelijk door [naam 1] als gevolg van het ongeval, in het eerste jaar na het ongeval, geleden schade. Amlin meent dat alleen die schade in redelijk verband staat tot de aanrijding van 3 juli 2003 (hierna ook: het ongeval). Het meerdere behoeft zij niet aan Achmea te vergoeden omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.