RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751259-14 (EAB I) RK nummer: 14/3135 Datum uitspraak: 6 juni 2014 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 maart 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 november 2013 door the Court of Tatabánya (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in het [detentieadres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 mei
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een sentence No. 2.B.249/2012/21 of the Municipal Court of Esztergom dated 31 October 2012 en sentence No. 2.Bf.42/2013/8 of the Court of Tatabánya dated and final as of 13 June
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 9 maanden en 11 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 12 van de OLW nu de opgeëiste persoon wel aanwezig is geweest bij de behandeling in eerste aanleg, maar niet aanwezig is geweest bij de behandeling in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft zijn adresgegevens aan de Hongaarse justitiële autoriteiten doorgegeven, maar zij hebben echter nagelaten de opgeëiste persoon in persoon in kennis te stellen van de zittingsdatum in hoger beroep. Het vonnis waarvan de executie wordt verzocht is daarmee een verstekvonnis. Nu de garantie als bedoeld in artikel 12 niet is gegeven, dient de overlevering te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12 OLW, zodat een garantie als bedoeld in dat artikel niet hoeft te worden gegeven. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ratio van artikel 12 OLW is dat de opgeëiste persoon op enig moment in de procedure in de gelegenheid moet zijn geweest zijn verdediging te voeren. In onderhavige zaak is dat het geval, aangezien de opgeëiste persoon bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg aanwezig is geweest. De opgeëiste persoon heeft zelf beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het verdere verloop van de procedure, dient dan ook voor zijn rekening en risico te komen. Gelet op het voornoemde en de omstandigheid dat in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg is bekrachtigd, mist de weigeringsgrond van artikel 12 OLW toepassing. Het oordeel van de rechtbank Op grond van de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld bij het Court of Tatabánya. De opgeëiste persoon heeft aldus in hoger beroep wel de mogelijkheid gehad zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. In deze procedure in hoger beroep is het vonnis van 31 oktober 2012 bekrachtigd. De stelling dat in hoger beroep een verstekvonnis is gewezen en dat de opgeëiste persoon geen weet had van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep miskennen dat aan het EAB niet het vonnis in hoger beroep, maar het - in hoger beroep bekrachtigde - vonnis in eerste aanleg ten grondslag ligt. Voor zover de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het verloop van de procedure in hoger beroep, komt dit voor zijn eigen rekening en risico. De opgeëiste persoon heeft het land verlaten en heeft kennelijk geen nadere informatie over de – door hem gestarte – procedure in hoger beroep ingewonnen. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12 van de OLW en vormt de in dit artikel bedoelde garantie geen voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de overlevering. De rechtbank verwerpt het verweer. 5Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen. De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Hongarije als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Diefstal; Diefstal door twee of meer verenigde personen; Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 van de OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Court of Tatabánya (Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. M.F. Ferdinandusse en P. Rodenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Stas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.