RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/708004-12 (Promis) Datum uitspraak: 31 januari 2014 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [1961], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 14, 15 en 17 januari 2014. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.F. de Boer en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. K.K. Hansen Löve naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 januari 2014 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan 1. Medeplegen van mensenhandel, de uitbuiting van tenminste vier slachtoffers in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 augustus 2011. 2. Medeplegen van witwassen van de opbrengsten van genoemde uitbuiting. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1. De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1. De enkele vermelding dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel van “een of meer andere vrouwen”, zonder opgave op welke specifieke vrouwen de tenlastelegging doelt en zonder een nadere omschrijving van de feitelijke handelingen die verdachte met betrekking tot die vrouwen zou hebben verricht, voldoet niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Vanwege het groot aantal handelingen, gedragingen en vrouwen die voorkomen in het dossier heeft de rechtbank de inhoud van de tenlastelegging op dit onderdeel niet kunnen vaststellen. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de dagvaarding op dit punt nietig dient te worden verklaard. Op grond hiervan verklaart de rechtbank de dagvaarding partieel nietig, namelijk telkens voor zover deze ziet op de onder 1 opgenomen zinsneden ‘een of meer andere vrouwen’. 3.2. Overige voorvragen. De dagvaarding is voor het overige geldig. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat de officier van justitie ontvankelijk is. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Feiten en omstandigheden. Verdachte had in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 augustus 2011 contact met meerdere vrouwen, die in de prostitutie werkzaam waren. Hij reisde meermalen alleen of met anderen tussen Hongarije en Nederland heen en weer. Hij verbleef op verschillende adressen in Nederland met anderen waaronder met vrouwen, die werkzaam waren in de prostitutie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte samen met een ander of anderen in deze periode de prostitutiewerkzaamheden van deze vrouwen heeft gefaciliteerd, of hij dwang heeft uitgeoefend op deze vrouwen om die werkzaamheden te verrichten en of hij al dan niet onder uitoefening van dwang financieel daarvan heeft geprofiteerd. Daarnaast moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte de opbrengsten uit die prostitutiewerkzaamheden heeft witgewassen. 4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. De officier van justitie concludeert onder verwijzing naar een aan haar requisitoir gehecht bewijsmiddelenoverzicht dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. 4.3. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw is de mening toegedaan dat het ten laste gelegde deels bewezen kan worden verklaard, waarbij zij refereert aan de bekennende verklaring van verdachte. Zij plaatst kanttekeningen bij het ten laste gelegde betreffende aangeefster [slachtoffer/getuige 1], waarvoor naar haar mening vrijspraak moet volgen, omdat [slachtoffer/getuige 1] voor zichzelf heeft gewerkt en niet voor verdachte. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat de periode waarin het één en ander heeft plaatsgevonden in het geval van [slachtoffer/getuige 1] in ieder geval een stuk korter is geweest dan de tenlastegelegde periode. 4.4. Het oordeel van de rechtbank. 4.4.1. Algemene overweging. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen in strafzaken. Met name in mensenhandelzaken is behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van belastende verklaringen van vermeende slachtoffers in mensenhandelzaken kan onder druk staan vanwege wraakgevoelens, het belang dat het slachtoffer heeft bij het verkrijgen van een vergunning in het kader van de verblijfsregeling Mensenhandel (hoofdstuk B8, paragraaf 3 van de Vreemdelingencirculaire) of het vooruitzicht op andere voorzieningen als onderdak en hulp bij de opvang van eventuele kinderen. Ook de betrouwbaarheid van ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers kan negatief beïnvloed worden door gevoelens van angst of loyaliteit of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de strafwetgeving over mensenhandel. 4.4.2. De uitoefening van dwang. Verdachte wordt verweten dwang te hebben uitgeoefend. De tenlastelegging omschrijft waaruit die dwang heeft bestaan door het per slachtoffer opsommen van een groot aantal feitelijke gedragingen zoals het opdragen van dubbele diensten, het verbieden van contact met anderen en het slaan van het slachtoffer. De rechtbank merkt over het bewijzen van deze feitelijke gedragingen het volgende op. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv geldt voor de gehele tenlastelegging, niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). De rechtbank acht in sommige gevallen op grond van de verklaring van één getuige bewezen dat verdachte een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging heeft verricht, indien die verklaring niet op zichzelf staat. Zo verklaart de rechtbank op basis van alleen de verklaring van het slachtoffer bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen indien er voldoende bewijs is voor het uitoefenen van geweld op andere slachtoffers of als er sprake is van een andersoortige inbedding van het uitgeoefende geweld dan in de uitoefening van geweld op andere slachtoffers. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gekeken moet worden naar de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang. Dat sprake is van een dwangmiddel is dus niet enkel rechtstreeks af te leiden uit individuele in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedragingen. 4.4.3. Het medeplegen van de uitoefening van dwang. Aan beide verdachten is ten laste gelegd het tezamen en in vereniging met anderen plegen van mensenhandel door middel van onder meer het dwangmiddel geweld en/of bedreiging met geweld. Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking, hetgeen opzet impliceert. Voor bewezenverklaring van opzet op een bepaald delict hoeft niet steeds vast te staan dat de verdachte weet heeft van de precieze gedragingen van zijn medeplegers. Medeplegers kunnen echter alleen worden gestraft voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht. Dat geldt ook voor de uitoefening van en bedreiging met geweld. De rechtbank overweegt in dit kader nog het volgende. Beide verdachten en de meeste vrouwen zijn afkomstig uit het plaatsje [plaats 1] in Hongarije waar, zo verklaren [slachtoffer/getuige 2] en [verdachte], veel arme mensen wonen en waar geen werk of geld is. In deze stad wonen verdachten met hun gezin. [medeverdachte] heeft of had een relatie met de dochter van [verdachte], [dochter van verdachte], uit welke relatie een kind is geboren. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de familie van [medeverdachte] en [verdachte] op diverse manieren betrokken zijn (geweest) bij het aanwerven van vrouwen voor werkzaamheden (al dan niet) in de prostitutie. [slachtoffer/getuige 2] verklaart dat [dochter van verdachte] aanwezig was toen zij met [medeverdachte] besprak dat ze voor hem zou kunnen werken. [slachtoffer/getuige 3] verklaart dat zij door vier personen, waaronder [medeverdachte] en [dochter van verdachte], naar Hongarije is gebracht om daar als schoonmaakster in de Inter Spar te werken. [dochter van verdachte] heeft die baan geregeld en de inkomsten van [slachtoffer/getuige 3] geïnd. Als ze niet werkte, werd [slachtoffer/getuige 3] opgesloten in het huis van [medeverdachte] en [dochter van verdachte]. Vervolgens is [slachtoffer/getuige 3] door [medeverdachte] en [dochter van verdachte] met het vliegtuig naar Nederland gebracht om in de prostitutie te werken. [dochter van verdachte] bracht haar naar haar werkplek en [medeverdachte] sloeg haar als [slachtoffer/getuige 3] te weinig verdiende. [slachtoffer/getuige 4] verklaart over het gezin van [verdachte]. Zij werkte in eerste instantie in [plaats 1] in Hongarije in de prostitutie voor de zoon van [verdachte], [zoon van verdachte]. [verdachte] bevestigt dat [slachtoffer/getuige 4] met zijn zoon [persoon 1] bij hem heeft gewoond en dat zij in Hongarije in de prostitutie heeft gewerkt. De vrouw van [verdachte], [vrouw van verdachte], vond het zielig dat [zoon van verdachte] [slachtoffer/getuige 4] sloeg, daarom heeft [slachtoffer/getuige 4] vervolgens een periode voor [vrouw van verdachte] gewerkt. [slachtoffer/getuige 4] is daarna met [verdachte] naar Nederland vertrokken om daar in de prostitutie te werken. In het begin werkte [slachtoffer/getuige 4] voor [vrouw van verdachte] in Nederland. [vrouw van verdachte] controleerde haar en schreeuwde tegen haar, maar [slachtoffer/getuige 4] gaf haar geld aan [verdachte] en [verdachte] controleerde haar ook. Verder blijkt uit het dossier dat van de inkomsten van de vrouwen door [medeverdachte] en [verdachte] huizen zijn gebouwd of verbouwd voor de gezinnen van [medeverdachte] en [verdachte]. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [medeverdachte] en [dochter van verdachte] [verdachte] nauw en bewust samenwerkten en dat [verdachte] nauw en bewust samenwerkte met zijn vrouw [vrouw van verdachte] en zijn zoon [zoon van verdachte] Uit het dossier blijkt ook dat [medeverdachte] en [verdachte] nauwe betrekkingen hadden. Niet alleen had [medeverdachte] een relatie en kind met de dochter van [verdachte], maar uit het dossier blijkt ook dat zij ‘professioneel’ samenwerkten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat toen [medeverdachte] gedetineerd raakte, [verdachte] zijn werkzaamheden heeft overgenomen. [slachtoffer/getuige 1] verklaart dat [medeverdachte] vlak voor zijn aanhouding zei dat ze [verdachte] moest bellen, als er iets gebeurde. Toen [medeverdachte] werd aangehouden, heeft ze [verdachte] gebeld en is met twee andere vrouwen die voor [medeverdachte] werkten naar het huis van [verdachte] in Hongarije gegaan. [verdachte], twee andere vrouwen en [slachtoffer/getuige 1] zijn na enige tijd teruggegaan naar Nederland. Zij moesten niet alleen geld verdienen voor de borgsom van [dochter van verdachte], maar ook voor [medeverdachte], die in de gevangenis zat, en voor [verdachte]. [slachtoffer/getuige 1] verklaart dat [verdachte] haar in de gaten moest houden zolang [medeverdachte] vastzat. [verdachte] kreeg daarvoor geld van [medeverdachte]. [verdachte] bevestigt dat [slachtoffer/getuige 1] bij hem heeft gewoond toen [medeverdachte] vastzat. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte] en [verdachte] hun samenwerking nadat [medeverdachte] vrij kwam, hebben voortgezet. Zoals [slachtoffer/getuige 4] verklaart, heeft zij toen [medeverdachte] vrijkwam, met hem gesproken in het huis van [verdachte] in Hongarije. Vervolgens is zij met [medeverdachte], [verdachte] en [slachtoffer/getuige 1] met de auto, met een tussenstop in België, naar Nederland gekomen om te werken. [slachtoffer/getuige 1] bevestigt dat. [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 4] verklaren dat zij, eenmaal in Nederland, met, onder meer, [medeverdachte] en [verdachte] in één huis woonden in de [adres 1]. Een paar maanden later zijn ze allemaal naar [plaats 2] verhuisd. [slachtoffer/getuige 4] dacht dat zij in Nederland voor [vrouw van verdachte] werkte, maar gaandeweg kwam zij erachter dat zij voor [medeverdachte] werkte. Ze gaf in het begin haar geld aan [verdachte], maar later gaf ze het aan [medeverdachte]. Wat daarvan ook zij, [slachtoffer/getuige 1] en [slachtoffer/getuige 4] verklaren dat als [medeverdachte] er niet was de vrouwen het geld aan [verdachte] gaven en als [verdachte] er niet was ze het geld aan [medeverdachte] gaven. [verdachte] of [medeverdachte] telde dan het geld en borg het op. [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 4] verklaren dat zij, terwijl zij voor [verdachte] werkten, door [slachtoffer/getuige 1] wegwijs werden gemaakt op de Wallen. [slachtoffer/getuige 1] bevestigt dat. [slachtoffer/getuige 1] werkte voor [medeverdachte]. [slachtoffer/getuige 4] verklaart dat ze in de periode dat ze voor [medeverdachte] werkte ook in Utrecht heeft gewerkt. [slachtoffer/getuige 4] denkt, omdat [vrouw van verdachte] wilde dat ze het daar ook probeerde. Het is één grote familie, verklaart [slachtoffer/getuige 4]. [slachtoffer/getuige 1] spreekt over ‘de groep’. De groep van [verdachte], [medeverdachte] en de meiden. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat ook een andere inwoner van [plaats 1], te weten [persoon 2] tot deze ‘familie’ of ‘groep’ behoorde. Ten eerste bestond er naar het oordeel van de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [persoon 2]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [persoon 2] een schoolvriendin van zijn dochter, [slachtoffer/getuige 2], heeft aangeboden om, kort gezegd, voor hem (in de prostitutie) te gaan werken. Na enige tijd heeft [persoon 2] [slachtoffer/getuige 2] meegenomen naar [verdachte]. Gedrieën zijn zij naar Amsterdam afgereisd om (meer) geld in de prostitutie te gaan verdienen. De reisgegevens bevestigen dat. [verdachte] zou [persoon 2] en [slachtoffer/getuige 2] wegwijs maken in Amsterdam. [persoon 2] en [verdachte] hebben daarbij afgesproken dat zij ieder de helft van de verdiensten van [slachtoffer/getuige 2] zouden krijgen. [persoon 2] heeft vervolgens de reis geregeld en [verdachte] de huisvesting in [plaats 3]. Ze woonden met zijn drieën in die woning. Later verhuisden ze naar een woning in [plaats 2]. [slachtoffer/getuige 2] betaalde de huur van die woningen. [persoon 2] en [verdachte] werkten niet. In het begin brachten [persoon 2] en [verdachte] [slachtoffer/getuige 2] gezamenlijk naar het Centraal Station en haalden haar daar weer op. [persoon 2] en [verdachte] bepaalden dat [slachtoffer/getuige 2] bij de kamerverhuurder een willekeurig adres moest opgeven, dat zij hen moest bellen na iedere klant om te vertellen hoeveel ze had verdiend, de werktijden van [slachtoffer/getuige 2] bepaalden, dat [slachtoffer/getuige 2] een bepaald bedrag per dag moest verdienen en dat zij anale seks moest hebben met klanten of zonder condoom. Verder bepaalden zij dat [slachtoffer/getuige 2], als zij het bedrag dat zij dagelijks moest verdienen niet had gehaald, dat de volgende dag moest inhalen. [slachtoffer/getuige 2] beschrijft dat [persoon 2] en [verdachte] haar ieder afzonderlijk hebben bedreigd, maar dat [verdachte] in haar bijzijn ook een keer tegen [persoon 2] heeft gezegd dat het tijd was dat [slachtoffer/getuige 2] een goed pak slaag zou krijgen, zodat ze beter zou gaan werken. [slachtoffer/getuige 2] beschrijft dat [persoon 2] haar sloeg in de keuken, dat [persoon 2] voordat hij dat deed [verdachte] de keuken uitstuurde en dat [verdachte] wel gehoord heeft dat [persoon 2] haar sloeg, maar niet ingreep. Verder bepaalde [persoon 2] dat [slachtoffer/getuige 2] moest doorwerken toen zij een vaginale infectie had en [verdachte] gewoon haar geld afpakte. [slachtoffer/getuige 2] gaf haar geld aan [persoon 2], maar ook wel aan [verdachte]. Het maakte niet uit aan wie ze het geld gaf. [verdachte] bevestigt de verklaring van [slachtoffer/getuige 2], onder meer, in die zin dat hij met [slachtoffer/getuige 2] en [persoon 2] naar Nederland is gegaan, zodat [slachtoffer/getuige 2] geld kon verdienen door achter het raam te werken, dat zij in dezelfde woning woonden en dat hij haar inkomsten deelde met [persoon 2]. De rechtbank is verder van oordeel dat ook [medeverdachte] betrokken was bij de samenwerking tussen [verdachte] en [persoon 2]. [slachtoffer/getuige 2] beschrijft dat toen zij voor [verdachte] en [persoon 2] werkte een loopjongen van [medeverdachte] het geld bij haar kwam ophalen. Verder heeft [persoon 3], die voor [medeverdachte] werkte, haar toen een keer gecontroleerd, omdat [slachtoffer/getuige 2] de telefoon niet opnam. [slachtoffer/getuige 2] verklaart dat zodra zij bij [verdachte] en [persoon 2] was weggelopen [medeverdachte] via [persoon 3] contact met haar opnam en haar uitnodigde voor hem te komen werken en bij hem te komen wonen. Dat [slachtoffer/getuige 2] verklaart hoe [medeverdachte] haar toen vertelde dat [verdachte] en [persoon 2] haar bedreigden omdat ze was weggelopen en dat zij eerst voor [verdachte] en [persoon 2] en vervolgens voor [medeverdachte] werkte, spreekt de samenwerking tussen hen niet perse tegen, maar kan daarin ook passen. [medeverdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij [persoon 2] kende en dat hij wist dat hij de pooier van [slachtoffer/getuige 2] was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking bij de uitbuiting van de vrouwen, niet alleen tussen [medeverdachte] en [verdachte], maar ook met [persoon 2] en met (sommige van) de gezinsleden van [medeverdachte] en [verdachte], zodat ook zij verantwoordelijk zijn voor de dwang die ze niet zelf hebben uitgeoefend. De rechtbank overweegt over het medeplegen van (bedreiging met) geweld nog het volgende. De rechtbank acht bewezen, zoals uit de waardering van het bewijs en de bewezenverklaring zal blijken, dat [medeverdachte] en [verdachte] maar ook andere mededaders geweld tegen de slachtoffers hebben uitgeoefend dan wel hen hebben bedreigd. Het geweld bestond (onder meer) uit het (incidenteel dan wel veelvuldig) slaan van voornoemde slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] voor elkaars (bedreiging met) geweld en dat van anderen verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Voor zover zij het (bedreigen met) geweld niet zelf hebben uitgeoefend kan dit namelijk wel binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet worden gebracht. Daarbij is van belang dat in zijn algemeenheid geldt dat inherent aan het delict mensenhandel is de (opzettelijke) schending van de lichamelijke en/of geestelijke integriteit van een ander. Ook de uitoefening van geweld en de bedreiging met geweld is een schending van de lichamelijke en/of geestelijke integriteit van een ander. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage 2 gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 augustus 2011 te Amsterdam en in België en in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2], door dwang en geweld en één of meer andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] en voornoemde [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten prostitutiewerkzaamheden en met één of meer van de voornoemde middelen en onder één of meer voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar stelden tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] en die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] met één of meer van de voornoemde middelen en onder één of meer voornoemde omstandigheden heeft bewogen hem, verdachte en zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer/getuige 2] en [slachtoffer/getuige 1] en [vermeend slachtoffer 1] en [vermeend slachtoffer 2] met of voor een derde, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, ten aanzien van die [slachtoffer/getuige 2], terwijl hij wist dat die [slachtoffer/getuige 2] nergens heen kon, omdat zij geen contact meer had met haar familie en die [slachtoffer/getuige 2] afhankelijk was van de familie van zijn mededaders en die [slachtoffer/getuige 2] geen zelfstandig inkomen en geen opleiding had en die [slachtoffer/getuige 2] de Nederlandse en/of de Engelse taal niet machtig was, die [slachtoffer/getuige 2] in Hongarije benaderd en die [slachtoffer/getuige 2] gevraagd of zij meer wilde verdienen en gevraagd om in Nederland voor hem, verdachte en zijn mededaders in de prostitutie te komen werken en de reis van Hongarije naar Nederland voor die [slachtoffer/getuige 2] geregeld en betaald en met die [slachtoffer/getuige 2] en zijn mededaders met de bus naar Nederland gereisd en die [slachtoffer/getuige 2] gehuisvest in [plaats 3] en die [slachtoffer/getuige 2] instructies gegeven voor het huren van een werkkamer en een werkkamer voor die [slachtoffer/getuige 2] betaald en voor die [slachtoffer/getuige 2] Engelse woorden (betrekking hebbend op de prostitutie) op een papiertje geschreven die zij uit haar hoofd moest leren en met die [slachtoffer/getuige 2] afgesproken dat zij 50% van haar verdiensten aan hem, verdachte, af moest staan en 50% van haar verdiensten aan zijn mededader en die [slachtoffer/getuige 2] geld gegeven voor het kopen van condooms en tissues en glijmiddel en die [slachtoffer/getuige 2] met zijn mededader naar het CS in Amsterdam, nabij haar werkplek, gebracht en die [slachtoffer/getuige 2] een werktelefoon en een simkaart gegeven en terwijl die [slachtoffer/getuige 2] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch en in persoon die [slachtoffer/getuige 2] gecontroleerd en laten controleren en die [slachtoffer/getuige 2] voor en na het hebben van een klant naar hem, verdachte, en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.