vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/552243 / HA ZA 13-1606 Vonnis van 8 oktober 2014 in de zaak van de stichting STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN, gevestigd te Utrecht, eiseres, advocaat mr. J.M. van Raaijen te Almere, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats], gedaagde, advocaat mr. J.P. de Man te Rotterdam. Partijen zullen hierna PZW en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 oktober 2013, de conclusie van antwoord van 15 januari 2014 met producties, het tussenvonnis van 29 januari 2014 waarin een comparitie van partijen is gelast, het proces-verbaal van comparitie van 27 augustus 2014. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is sinds de oprichting enig statutair bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]), een onderneming die zich bezig hield met het bieden van huishoudelijke/persoonlijke verzorging, verpleging en ondersteunende activiteiten, kort gezegd: thuiszorg. 2.2 [bedrijf 1] was - uit hoofde van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) - gehouden deel te nemen aan het pensioenfonds van PZW. 2.3 De advocaat van [bedrijf 1] heeft [bedrijf 1] in maart 2011 geadviseerd om betalingsonmacht te melden bij PZW. 2.3 [bedrijf 1] heeft over de jaren 2011 en 2012 niet (volledig) voldaan aan haar betalingsverplichtingen jegens PZW terzake de door haar verschuldigde pensioenpremies. 2.4 PZW heeft [gedaagde] bij brief van 19 december 2012 aansprakelijk gesteld op grond van artikel 23 Wet Bpf 2000 en gesommeerd tot betaling binnen 30 dagen van een bedrag van € 64.233,78. Bij brief van 1 februari 2013 heeft PZW [gedaagde] wederom gesommeerd tot betaling. 3Het geschil 3.1. PZW vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 64.223,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2013, alsmede € 1.750,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na dagtekening van het vonnis. PZW legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichting tot melding van betalingsonmacht en derhalve persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk is. 3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Vast staat dat PZW aan [bedrijf 1] de volgende facturen heeft verzonden: Factuur 11062643 d.d. 28-03-2011 ad € 53.829,47 Factuur 11106032 d.d. 22-09-2011 ad € 17.650,17 Factuur 12015685 d.d. 27-12-2011 ad € 2.485,14 Factuur 12040479 d.d. 30-03-2012 ad € 29.793,11 Creditnota 12089528 d.d. 24-09-2012 ad € 9.831,07 -/- Totaal € 93.926,82 4.2. Volgens PZW is op deze facturen in totaal een bedrag van € 29.703,04 betaald dan wel verrekend, zodat nog een bedrag van € 64.223,78 openstaat. [gedaagde] betwist laatstgenoemd bedrag en stelt dat volgens zijn berekening de openstaande vordering € 61.722,- bedraagt. [gedaagde] heeft echter niet toegelicht hoe hij tot dat bedrag komt en evenmin gesteld of onderbouwd dat [bedrijf 1] meer betaald zou hebben dan het hiervoor genoemde bedrag van € 29.703,04. Derhalve staat vast dat PZW een vordering op [bedrijf 1] heeft van € 64.223,78 terzake verschuldigde pensioenpremies. Verder staat vast dat [bedrijf 1] niet in staat is tot betaling daarvan. 4.3. Op grond van artikel 23 lid 2 Wet Bpf 2000 was [bedrijf 1] verplicht haar betalingsonmacht onverwijld aan BPF te melden, hetgeen ingevolge artikel 2 lid 1 van het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000 (hierna: het Besluit) schriftelijk moet gebeuren. Daarbij moet tevens inzicht worden geven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald (artikel 2 lid 3 van het Besluit). [gedaagde] was als bestuurder bevoegd en gehouden om namens [bedrijf 1] aan deze verplichting te voldoen. Indien [bedrijf 1] op juiste wijze aan deze verplichting zou hebben voldaan, is [gedaagde] ingevolge artikel 23 lid 3 Wet Bpf 2000 aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet-betalen van de bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaand aan de mededeling. Stelplicht en bewijslast rusten in dat geval op PZW. Indien [bedrijf 1] niet of niet op juiste wijze aan haar mededelingsplicht heeft voldaan, is [gedaagde] ingevolge artikel 23 lid 4 Wet Bpf 2000 aansprakelijk, met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten. Op grond van de laatste volzin van laatstgenoemde bepaling wordt [gedaagde] tot de weerlegging van dat vermoeden slechts toegelaten indien hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat [bedrijf 1] niet haar mededelingsplicht heeft voldaan. Deze meldingsregeling dwingt de bestuurder om in actie te komen wanneer de rechtspersoon in betalingsmoeilijkheden komt te verkeren. De regeling beoogt te bewerkstelligen dat het pensioenfonds op een vroegtijdig tijdstip op de hoogte raakt van de moeilijkheden waarin de onderneming verkeert (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 073, nr. 3, p. 20). De melding moet op grond van artikel 2 lid 1 van het Besluit worden gedaan uiterlijk veertien kalenderdagen na de dag waarop de bijdrage op grond van de desbetreffende regeling omtrent de te betalen bijdrage, dan wel op grond van de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds, had moeten zijn voldaan. Met deze termijn wordt invulling gegeven aan het begrip ‘onverwijld’ in artikel 23 lid 2 Wet Bpf 2000, aldus de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 2000, 631, p. 4-5). 4.4. [gedaagde] stelt dat hij bij brief van 22 maart 2011 aan PZW (ter attentie van [naam 1]) mededeling van betalingsonmacht heeft gedaan. PZW betwist dat zij deze brief heeft ontvangen. Artikel 3:37 lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen (en zonodig te bewijzen) waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104). 4.5. [gedaagde] stelt dat de brief per gewone post is verzonden en dat hij niet meer weet naar welk adres, waarschijnlijk een adres dat hij op internet heeft opgezocht dan wel het adres dat is vermeld onderaan e-mails van [naam 1]. De door [gedaagde] overgelegde kopie van de brief vermeldt geen adres van PZW (maar enkel het adres van [bedrijf 1]). [gedaagde] stelt dat hij na verzending van de brief telefonisch contact heeft gehad met [naam 1] en heeft gevraagd naar de ontvangst van de brief maar dat [naam 1] nooit heeft bevestigd de brief te hebben ontvangen of gelezen. Zij heeft alleen gezegd dat de brief mogelijk nog in de postverwerking zou kunnen zitten. PZW betwist uitdrukkelijk de brief te hebben ontvangen. Zij voert aan dat het gebruikelijk is dat PZW de ontvangst van een melding betalingsonmacht schriftelijk bevestigt aan de onderneming, zodat het ontbreken van een dergelijke bevestiging een aanwijzing is dat de brief nimmer door PZW is ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde], tegenover de gemotiveerde betwisting door PZW, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de brief is aangekomen op een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat PZW aldaar kon worden bereikt. De rechtbank komt dan ook niet toe aan bewijslevering op dit punt zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat de brief PZW niet heeft bereikt. Het komt voor risico van [gedaagde] dat hij de brief niet aangetekend heeft verzonden en dat hij, nadat hij van [naam 1] had vernomen dat zij de brief nog niet had ontvangen of gelezen, geen verdere actie met betrekking tot deze brief heeft ondernomen. 4.6. [gedaagde] heeft nog gesteld dat hij in de periode dat hij voormelde brief heeft verzonden ook telefonisch bij PZW melding heeft gemaakt van betalingsonmacht. Hij stelt daartoe dat hij in telefoongesprekken met medewerkers van PZW heeft gezegd dat er problemen waren bij haar samenwerkingspartner H+B en dat [bedrijf 1] zelf financiële problemen had. De rechtbank overweegt dat een telefonische melding volgens vaste rechtspraak geen rechtsgeldige melding is nu het Besluit een schriftelijke melding voorschrijft. Voor afwijking van de strikte eisen in het Besluit is geen plaats omdat het gaat om betaling van pensioenpremies die noodzakelijk zijn voor de opbouw van pensioenrechten waarop werknemers later aanspraak zullen maken. [bedrijf 1] is door de inhouding van de premies op het loon van werknemer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.