vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/559439 / HA ZA 14-169 Vonnis van 19 november 2014 in de zaak van de vereniging INTERSTITIËLE CYSTITIS PATIËNTENVERENIGING, gevestigd te 's-Hertogenbosch, eiseres, advocaat mr. drs. N.U.N. Kien te Rotterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon ZORGINSTITUUT NEDERLAND, zetelend te Diemen, gedaagde, advocaat mr. M.F. van der Mersch te ‘s-Gravenhage. Partijen zullen hierna ICP en het Zorginstituut genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 30 april 2014; het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2014 en de daarin genoemde processtukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. ICP is een patiëntenvereniging die als doel heeft het behartigen van de belangen van mensen met de ziekte Interstitiële Cystitis (hierna IC) in de breedste zin van het woord. 2.2. IC, ook wel chronisch blaaspijnsyndroom genoemd, is een aandoening die gekenmerkt wordt door chronische ernstige pijn in de blaas en door het veelvuldig naar de wc moeten gaan. 2.3. Op dit moment bestaat er voor IC nog geen behandeling die tot genezing leidt. Dat is mede het gevolg van het feit dat de exacte oorzaak nog niet bekend is. 2.4. Behandeling is vooral gericht op het beperken van de pijnklachten en het leren omgaan met de aandoening. 2.5. Er zijn patiënten die baat hebben bij blaasspoelingen met blaasspoelvloeistoffen waaraan chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur is toegevoegd. 2.6. Het Zorginstituut (sinds 1 april 2014 de opvolger van het College voor Zorgverzekeringen, CVZ) is een publiekrechtelijke rechtspersoon met verschillende taken, waaronder de taak om een eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties te bevorderen. Bovendien heeft het Zorginstituut als taak om de minister te adviseren over het beleid inzake de te verzekeren prestaties en om relevante ontwikkelingen te signaleren. Daarnaast geeft het Zorginstituut voorlichting aan zorgverzekeraars, zorgaanbieders en burgers over de aard, inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties. Daartoe publiceert hij rapporten en standpunten. 2.7. Zorgverzekeraar CZ heeft op 22 maart 2012 aan het Zorginstituut verzocht om onderzoek te verrichten naar de vraag of blaasspoelvloeistoffen als verzekerde zorg zijn aan te merken in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op dat moment was de behandeling met blaasspoelvloeistoffen een verzekerde prestatie in het basispakket van de ziektekostenverzekering. 2.8. Het onderzoek door het Zorginstituut heeft geleid tot een rapport ‘Blaasvloeistoffen metchondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur’ dat is gepubliceerd op 23 juli 2013, waarin hij zijn standpunt heeft geformuleerd (hierna: het standpunt). Dit standpunt luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…) 3.2 Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk Uit de ‘Achtergrondrapportage beoordeling stand van de wetenschap en praktijk van blaasvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur’ blijkt het volgende. Het blaasepitheel wordt bedekt met een laag glycosaminoglycanen (GAG), die een barrièrefunctie vervult tegen onder meer toxische stoffen en bacteriën. Interstitiële cystitis, ook wel het blaaspijnsyndroom genoemd, en andere vormen van chronische cystitis, zoals chemotherapie geïnduceerde- en radiatiecystitis, recidiverende bacteriële urineweginfecties en ook het overactief blaassyndroom, zijn geassocieerd met een defect in deze GAG laag. Behandeling met blaasspoelvloeistoffen met GAG, namelijk chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur kan verricht worden als behandeling voor interstitiële cystitis en andere vormen van chronische cystitis om de GAG laag te herstellen. (…) Er is in de literatuur geen bewijs van voldoende methodologische kwaliteit om instillatie therapie met vloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur als effectieve behandeling voor interstitiële cystitis en andere vormen van chronische cystitis te beschouwen. Derhalve voldoet blaasinstillatie met spoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur, naar het oordeel van CVZ, niet aan de stand van de wetenschap en praktijk. (…) 4.1 Standpunt Blaasinstillatie met blaaspoelvloeistoffen waaraan chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur is toegevoegd, voldoet niet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Deze behandeling is op dit moment geen te verzekeren prestatie (basisverzekering) (…)” 2.9. Dit standpunt van het Zorginstituut kan ertoe leiden dat zorgverzekeraars de behandeling met blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur niet meer zullen vergoeden. 2.10. Alvorens het standpunt te publiceren heeft het Zorginstituut een conceptversie voorgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU). 2.11. Op 3 april 2013 heeft NVU per e-mail als volgt gereageerd op dit concept: “Hierbij de reactie van uroloog [uroloog] (Rijstate ziekenhuis) op het CVZ rapport : blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur. Ik heb het rapport gelezen, waarbij ik geen commentaar heb op de literatuur verzameld, noch op de uitkomsten die laten zien dat er op dit moment onvoldoende deugdelijk onderzoek is die bewijzend is voor de werking van genoemde spoelingen bij de genoemde indicatiegebieden IC/PBS, radiocystitis, OAB of rec. Uwi’s. (Dit is overigens GEEN bewijs dat de spoelingen NIET zouden werken, hetgeen urologen die bedoelde spoelingen veel gebruiken uit ervaring zullen beamen. De werking lijkt beter voorspelbaar als de wand aantoonbaar kapot is, zoals vastgesteld met een (gemod.) kaliumtest). Ik heb aan het rapport bij de huidige stand van wetenschap dan ook geen correcties.” 2.12. Na publicatie van het standpunt heeft NVU op 3 september 2013 een brief naar het Zorginstituut gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud: “(…) Voor alle behandelingen die worden ingezet om deze ongelukkige patiëntengroep te behandelen bestaat geen goed wetenschappelijk bewijs. In uw visie zou dit betekenen dat alle behandelingen van IC patiënten niet meer vergoed zouden moeten worden. Echter, het ontbreken van wetenschappelijk bewijs betekent evenwel niet dat patiënten geen hulp zoeken en geen behandeling nodig hebben. Daarnaast hebben veel IC patiënten vaak veel baat bij een van de verschillende behandelingsmodaliteiten zoals hierboven genoemd. (…) In de praktijk van de state-of-the-art klinieken die patiënten met IC behandelen betekent dit dat het niet mogelijk is om dusdanig hard wetenschappelijk bewijs aan te voeren om aan te tonen welke behandelingen wel en niet werken. De diversiteit van de patiëntengroepen en het verschijningsbeeld van IC maken het onmogelijk om grote series te maken en daardoor zal het harde bewijs ook nooit worden geleverd. Deze patiënten hebben een custom-made behandeling nodig en deze blaasvloeistoffen zijn hierbij naar de mening van de experts onmisbaar. De werkgroep Functionele Reconstructieve Urologie vindt het daarom niet terecht dat de behandelingen vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs niet meer vergoed worden. Ondanks het feit dat het harde bewijs niet is geleverd, zijn er toch diverse wetenschappelijke publicaties die aantonen dat bepaalde behandelingen wel effectief zijn bij interstitiële cystitis dan wel BPS, ook al kan het niveau van de bewijslevering niet worden bekrachtigd met een 1. Daarom is het dringende advies van de Werkgroep Functionele en Reconstructieve Urologie namens de Nederlandse Vereniging voor Urologie, de werkgroep die zich bezighoudt met functionele urologische klachten, waaronder IC, om de blaasspoelingen zoals in uw rapport vermeld, wel te blijven vergoeden. Dit betekent dat patiënten hiermee vaker goed zijn geholpen en dat niet snel uitgeweken hoeft te worden naar een cystectomie met urinedeviatie, wat zeer waarschijnlijk een veel duurdere behandeling is dan een blaasspoeling. (…)” 2.13. Op 12 september 2013 heeft ICP een bezwaarschrift ingediend tegen het standpunt van 23 juli 2013, met daarbij gevoegd aanvullende literatuur en verklaringen van patiënten. 2.14. Bij brief van 26 november 2013 heeft het Zorginstituut medegedeeld dat deze studies en schrijnende patiëntencasuïstiek geen aanleiding gaven tot wijziging van het standpunt. 2.15. Door ICP is een kort geding aanhangig gemaakt, dat tot een vonnis van 7 januari 2014 heeft geleid. Daarin heeft de voorzieningenrechter het standpunt van 23 juli 2013 buiten werking gesteld totdat in de bodemprocedure omtrent de houdbaarheid van dit standpunt is beslist. 2.16. In de onderhavige procedure heeft ICP een verklaring in het geding gebracht die is ondertekend door 84 Nederlandse urologen. Deze verklaring luidt – voor zover van belang – als volgt: “(…) Daarbij verklaar/onderschrijf ik dat: de behandeling van interstitiële cystitis met blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur zeer essentieel en waardevol kan zijn voor veel patiënten. Deze patiënten hebben een custom-made behandeling nodig. Daarbij zijn deze blaasspoelvloeistoffen onmisbaar; interstitiële cystitis lastig is om te behandelen vanwege diverse, uiteenlopende en hardnekkige klachten; er een zeer beperkt arsenaal aan effectieve behandelingen beschikbaar is; het vòòrkomen van de klinische verschijningsvorm van interstitiële cystitis zeer divers is en het verloop zeer wisselend. Ook de pathofysiologische achtergronden en diagnostische bevindingen kunnen zeer ver uiteen lopen. In de praktijk van de state-of-art klinieken die patiënten met interstitiële cystitis behandelen betekent dit dat het tot op heden niet mogelijk is geweest om dusdanig hard wetenschappelijk bewijs aan te voeren om aan te tonen welke behandelingen wel en niet werken. De diversiteit van de patiëntengroepen en het verschijningsbeeld van interstitiële cystitis maken het zeer moeilijk danwel onmogelijk om grote series te maken en daardoor zal het harde bewijs hoogst waarschijnlijk nooit worden geleverd; het standpunt van het Zorginstituut over blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur moet worden herzien, omdat uit de praktijk (duidelijk) blijkt dat de behandeling van interstitiële cystitis met blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur ervoor kan zorgen dat meer invasieve ingrepen zoals een cystectomie, worden voorkomen, en omdat; de klachten als gevolg van interstitiële cystitis duidelijk kunnen verbeteren door toepassing van deze blaasspoelvloeistoffen, evenals de kwaliteit van leven van deze patiënten.” 2.17. Op verzoek van het Zorginstituut heeft onderzoeksbureau ME-TA (opnieuw) een systematische review uitgevoerd van alle beschikbare literatuur die ziet op de behandeling van IC-patiënten met blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur. Het rapport is verschenen op 19 augustus 2014. Dit onderzoek is uitgevoerd met behulp van de zogenaamde GRADE-methode, een ‘evidence based medicine’ (EBM) methode waarmee ook de kwaliteit van het beschikbare bewijs systematisch kan worden beoordeeld en gegradeerd. De conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: “ Er zijn slechts twee gerandomiseerde studies en één niet-gerandomiseerde gecontroleerde studie die de effectiviteit van blaasinstillaties met hyaluronzuur of chondroïtinesulfaat bij patiënten met BPS/IC onderzochten. Er is bewijs van laag tot zeer laag niveau dat blaasspoelingen met chondroïtinesulfaat geen significant effect hebben op de mictiefrequentie, pijn en levenskwaliteit van patiënten met BPS/IC. Er is daarentegen bewijs van laag niveau op basis van een niet-gerandomiseerde gecontroleerde studie dat blaasspoelingen met hyaluronzuur wel een significant effect hebben op de mictiefrequentie en pijn van patiënten van BPS/IC. Er wordt echter geen onderscheid gemaakt in de verschillende subgroepen van patiënten met BPS/IC. Harde conclusies kunnen op basis hiervan niet getrokken worden, en bevestiging in een grotere gerandomiseerde studie is noodzakelijk. Twee richtlijnen bevelen aan blaasinstillaties met hyaluronzuur of chondroïtinesulfaat als tweede- of derdelijnsbehandeling te overwegen. Slechts één richtlijn hiervan is evidence-based.” 3Het geschil 3.1. ICP vordert om bij vonnis primair: het Zorginstituut te veroordelen tot intrekking van het standpunt van 23 juli 2013 aangaande blaasspoelvloeistoffen en/of het Zorginstituut te verbieden een nieuw standpunt vast te stellen waarin wordt geconcludeerd dat blaasspoelvloeistoffen met chondroïtinesulfaat en/of hyaluronzuur niet voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk en/of het Zorginstituut te veroordelen om van het toegewezene aan alle zorgverzekeraars in Nederland binnen 1 week na dit vonnis schriftelijk mededeling te doen met verzending van een afschrift daarvan en de bijbehorende verzendlijst aan de advocaten van ICP en/of subsidiair: het Zorginstituut te veroordelen tot intrekking van het standpunt van 23 juli 2013 aangaande blaasspoelvloeistoffen en/of het Zorginstituut te gebieden een inhoudelijke heroverweging te maken van het standpunt van 23 juli 2013 waarin op voldoende wijze zal worden getoetst aan de ‘praktijk’ zoals aangeleverd door ICP in deze procedure en met inachtneming van de geldende wettelijke bepalingen en toelichting daarop en/of het Zorginstituut te veroordelen om van het toegewezene aan alle zorgverzekeraars in Nederland binnen 1 week na dit vonnis schriftelijk mededeling te doen met verzending van een afschrift daarvan en de bijbehorende verzendlijst aan de advocaten van ICP, meer subsidiair: het standpunt van 23 juli 2013 van het Zorginstituut buiten werking te stellen en/of het Zorginstituut te gebieden een inhoudelijke heroverweging te maken van het standpunt van 23 juli 2013 aangaande blaasspoelvloeistoffen waarin op voldoende wijze zal worden getoetst aan de ‘praktijk’ zoals aangeleverd door ICP in deze procedure en met inachtneming van de geldende wettelijke bepalingen en toelichting daarop en/of het Zorginstituut te veroordelen om van het toegewezene aan alle zorgverzekeraars in Nederland binnen 1 week na dit vonnis schriftelijk mededeling te doen met verzending van een afschrift daarvan en de bijbehorende verzendlijst aan de advocaten van ICP, en/of primair, subsidiair, meer subsidiair, meer, meer subsidiair: het Zorginstituut te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, daaronder mede begrepen de kosten van rechtsbijstand en de nakosten van € 131 (in het geval van betekening van het vonnis te verhogen met € 68), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest (de rechtbank begrijpt: vonnis) en/of te bepalen dat het Zorginstituut binnen een termijn van drie dagen na betekening van het vonnis aan de veroordeling zal voldoen onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat het Zorginstituut in gebreke blijft, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 3.2. Het Zorginstituut voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. ICP legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het Zorginstituut door het standpunt van 23 juli 2013 in te nemen jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld omdat gehandeld is in strijd met het wettelijk criterium, gehandeld is in strijd met het eigen beleid van het Zorginstituut en gehandeld is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de maatschappelijke betamelijkheid. Strijd met wettelijk criterium 4.2. De rechtbank overweegt ten aanzien van het wettelijk kader allereerst als volgt. 4.3. In de Zorgverzekeringswet (Zvw) is bepaald waaraan een verplichte zorgverzekeringsovereenkomst, af te sluiten met een particuliere zorgverzekeraar, moet voldoen. Zo moeten de verzekerde prestaties overeenkomen met hetgeen in de Zvw is bepaald. 4.4. In artikel 10 van de Zvw is het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico (het te verzekeren basispakket) beschreven. Tot de te verzekeren risico’s behoren onder meer de behoefte aan geneeskundige zorg en hulpmiddelenzorg. In artikel 11 lid 1 van de Zvw is bepaald dat de verzekerde recht heeft op prestaties bestaande uit zorg of overige diensten waaraan hij behoefte heeft of vergoeding van de kosten van deze zorg of deze diensten. In lid 3 van datzelfde artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de inhoud en omvang van de in het eerste lid genoemde prestaties nader worden geregeld. 4.5. In het Besluit Zorgverzekering (Bz) wordt voor de inhoud en omvang van de zorg en overige diensten (bedoeld in artikel 11 Zvw) in artikel 2.1 lid 1 verwezen naar de artikelen 2.4 tot en met 2.15 van het Besluit. In artikel 2.9 Bz wordt de te verzekeren prestatie ‘hulpmiddelen’ omschreven als volgt: Hulpmiddelenzorg omvat bij ministeriele regeling aangewezen, functionerende hulpmiddelen en verbandmiddelen, waarbij [onder meer] kan worden geregeld in welke gevallen de verzekerde recht heeft op die zorg. De blaasspoelingen zijn medische hulpmiddelen en worden geregeld in de ministeriele Regeling zorgverzekering (Rz) in artikel 2.11. 4.6. Artikel 2.1 lid 2 Bz bepaalt dat de inhoud en omvang van de vormen van zorg of diensten mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. 4.7. In de Nota van Toelichting op het Bz (Stb. 2005, 389) wordt over het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ het volgende overwogen: “(…) Het verklaart díe zorg tot dat deel van het pakket, welke de betrokken beroepsgroep tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden rekent. Daarbij zijn zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. In dit opzicht heeft het criterium veel gemeen met de rechtspraak welke het gebruikelijk zijn afmeet aan de houding in de kringen van de medische wetenschap en praktijkuitoefening. Het woord houding maakt duidelijk dat niet bepalend is hoe vaak bepaalde zorg toepassing vindt, doch in welke mate beroepsbeoefenaren dergelijke hulp als een professioneel juiste handelwijze beschouwen. Staat eenmaal vast dat een vorm van onderzoek of behandeling gebruikelijk is, dan is daarmee het opgenomen zijn in het verzekeringspakket een gegeven. (…) Met het hanteren van het begrip ‘stand der wetenschap’ wordt voldaan aan deze voorwaarde van het Hof. Het begrip ‘stand der wetenschap’ kan immers slechts internationaal worden uitgelegd. Het criterium is verder ruimer dan het door het Hof gehanteerde criterium. In de eerste plaats is er aan toegevoegd ‘en praktijk’. Deze toevoeging is noodzakelijk omdat het pakket anders versmald zou zijn tot enkel evidence based medicine. Slechts een klein deel van het medisch arsenaal voldoet daaraan. Verder is er aan toegevoegd ‘door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten’. Deze toevoeging is noodzakelijk omdat deze bepaling thans betrekking heeft op alle zorgvormen en dus ook op de zorg en diensten die minder of geen wetenschappelijke status hebben of behoeven (bijvoorbeeld het zittend vervoer).” 4.8. Met de verwijzing naar het Hof wordt gedoeld op het zogenaamde Smits-Peerebooms-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (12 juli 2001, C-151/99). In dat arrest heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over het in de Nederlandse jurisprudentie ontwikkelde gebruikelijkheidscriterium en geoordeeld dat de voorwaarde van gebruikelijkheid alleen aanvaardbaar is als deze verwijst naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. 4.9. Met het Zorginstituut is de rechtbank van oordeel dat het criterium ‘stand der wetenschap en praktijk’ tot doel heeft het basispakket te beperken tot die vormen van zorg waarvan op de effectiviteit mag worden vertrouwd. Anders gezegd, er moet sprake zijn van doelmatige zorgverlening in de zin van het Bz. Daarvoor is niet alleen het zuiver wetenschappelijk onderzoek van belang, maar tevens de mate van acceptatie in de medische praktijk. In zoverre moet het criterium als één geïntegreerd criterium worden beschouwd. Dat effectiviteit van een behandeling een vereiste is om deze tot de verzekerde zorg te kunnen rekenen wordt ook door ICP onderschreven. ICP is evenwel van mening dat het Zorginstituut – kort gezegd – de ‘praktijk’ niet of te weinig heeft meegewogen bij haar beoordeling. 4.10. De vraag van CZ aan het Zorginstituut of blaasspoelvloeistoffen als verzekerde zorg zijn aan te merken in de zin van de Zvw moet door het Zorginstituut dan ook worden getoetst aan het hiervoor weergegeven (geïntegreerde) criterium. Naar het oordeel van de rechtbank is het de taak van het Zorginstituut om op zo objectief mogelijke wijze de effectiviteit van een behandeling te beoordelen. 4.11. Bij de beoordeling of sprake is van doelmatige zorgverlening als hierboven bedoeld, is het Zorginstituut te werk gegaan volgens de in zijn (op 5 november 2007 vastgestelde) rapport “Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk” uitgewerkte methodiek. Om vast te stellen of zorg voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ volgt het Zorginstituut de principes van ‘evidence based medicine’ (EBM). Deze methode wordt in het rapport als volgt gedefinieerd: “Evidence based medicine is het zorgvuldig, expliciet en oordeelkundig gebruik van het huidige beste bewijsmateriaal om beslissingen te nemen voor individuele patiënten. De praktijk van evidence-based medicine impliceert het integreren van individuele klinische expertise met het beste externe bewijsmateriaal dat vanuit systematisch onderzoek beschikbaar is. De voorkeuren, wensen en verwachtingen van patiënten spelen bij de besluitvorming geen rol”. De EBM-methode wordt gekenmerkt door de volgende stappen: het formuleren van een beantwoordbare vraag het gestructureerd zoeken naar literatuur het selecteren van de gevonden literatuur het beoordelen van de geselecteerde literatuur het classificeren van de beoordeelde literatuur het formuleren van een conclusie. 4.12. Bij deze systematische zoekstrategie wordt gebruik gemaakt van de internationale medisch-wetenschappelijke gegevensbestanden, de nationale en internationale richtlijnen, (gepubliceerde) gezaghebbende meningen en opvattingen van experts op het betreffende vakgebied (‘expert opinions’) en de bevindingen van (buitenlandse) zorgverzekeraars en andere relevante instanties. Er wordt met deze werkwijze zo volledig mogelijk gezocht naar alle relevante internationale medische-wetenschappelijke publicaties. Bij de selectie en beoordeling van de op deze wijze gevonden publicaties wordt het niveau van bewijskracht (‘levels of evidence’) vastgesteld en vindt een kritische analyse van de gevonden publicaties plaats. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende niveaus van bewijskracht die hiërarchisch zijn te rangschikken van hoog naar laag: A1: systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau (mits de kwaliteit van het onderzoek goed
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.