RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/701584-13 Datum uitspraak: 10 december 2014 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA-adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2014. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.E. Woudman, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.P. Lettinga, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 07 april 2013 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of een of meer andere personen (spelers van voetbalvereniging [voetbalvereniging]), welk geweld bestond uit - het duwen en/of trekken op/tegen/aan het lichaam van die [persoon 1] en/of een of meer andere personen (spelers van voetbalvereniging [voetbalvereniging]) en/of - het een of meermalen trappen en/of schoppen op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [persoon 1] en/of - het een of meermalen trappen en/of schoppen en/of slaan en/of stompen op/tegen de benen en/of armen en/of rug en/of het lichaam van die [persoon 1] en/of - het (met gebalde vuist) slaan en/of stompen op/tegen het gezicht van die [persoon 2] artikel 141 Wetboek van Strafrecht en/of hij op of omstreeks 7 april 2013 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 2] (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [persoon 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden artikel 300 Wetboek van Strafrecht. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs De rechtbank acht, met de raadsman en anders dan de officier van justitie, het ten laste gelegde, niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Allereerst stelt de rechtbank vast dat slechts getuigen [persoon 2], bij de politie, en [getuige 1], bij de rechter-commissaris, verdachte (op basis van zijn rugnummer 2) zonder meer hebben aangewezen als degene die [persoon 2] heeft geslagen. Ten aanzien van getuige [persoon 2], die bij de politie een signalement had gegeven van degene die hem had geslagen, geldt echter dat hij verdachte tijdens een enkelvoudige spiegelconfrontatie met verdachte niet heeft herkend als de dader. Verder geldt ten aanzien van getuige [getuige 1] dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij niet kon zien wie ‘rugnummer 2’ raakte ‘omdat dit te snel ging en er zoveel jongens waren’. Gezien het voorgaande is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de belastende verklaringen van [persoon 2] en [getuige 1] onvoldoende overtuigingskracht hebben. Voorts is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat ook de verklaringen van getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] onvoldoende als redengevend kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van [getuige 2] en [getuige 3] is van belang dat zij slechts het vermoeden hebben uitgesproken dat verdachte – de speler met rugnummer 2 – [persoon 2] heeft geslagen. Verder heeft [getuige 4] weliswaar verklaard dat [persoon 2] werd geslagen, maar heeft hij tevens verklaard niet te hebben gezien wie er daadwerkelijk heeft geslagen. Gezien het voorgaande en gelet op de stellige ontkenning door verdachte, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte [persoon 2] heeft geslagen. Nu uit het dossier niet, althans onvoldoende naar voren komt dat verdachte anders dan door het slaan van [persoon 2] betrokken zou zijn geweest bij de ten laste gelegde openlijke geweldpleging, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van beide cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Salomon, voorzitter, mrs. S. van Eunen en E.J. Weller, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2014.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.