RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/654003-14 (Promis) Datum uitspraak: 22 december 2014 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te[woonplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1960, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 4 april 2014, 27 juni 2014, 30 juni 2014 en 8 december 2014. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.L.M. Ficq naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 8 december 2014 – ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 03 januari 2014 te Amsterdam opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het (linkerboven)been gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; subsidiair: hij op of omstreeks 03 januari 2014 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in het (linkerboven)been en/of een doorsnijding van de uitwendige bekkenslagader van het (linkerboven)been), heeft toegebracht, door opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het (linkerboven)been te steken en/of te snijden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Inleiding Uit het dossier en wat ter zitting is besproken, leidt de rechtbank het volgende af. Op 3 januari 2014 omstreeks 11.22 uur heeft de politie een melding gekregen dat er op de Oudezijds Voorburgwal zou zijn geschoten en dat er iemand op straat zou liggen. Ter plaatse zagen de verbalisanten in de ingang van de coffeeshop een plas bloed liggen en daarin een man die op zijn buik lag. De man leefde en keek om zich heen. Hij reageerde echter niet toen hij werd aangesproken. Verbalisant[verbalisant 2] heeft verdachte, die ter plaatse aanwezig was, gevraagd wat er was gebeurd. Hierop antwoordde verdachte: “Ik kom net naar werk. Ik zag mijn neef zo op de grond liggen en heb 112 gebeld. Ik werk hier in de coffeeshop en zou samen met mijn neef werken.” Het slachtoffer is naar het ziekenhuis gebracht en is daar rond 12.30 uur overleden. Bij sectie werd als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld een steekwond aan de buiten/achterzijde van het linker bovenbeen gevonden. Deze steekwond had een steekkanaal van circa 13 centimeter van buiten/achterwaarts naar voor/middenwaarts dwars door het bovenbeen. In het steekkanaal was de bekkenslagader doorgesneden. Verdachte heeft op het politiebureau – toen (nog) als getuige gehoord – wederom verklaard dat zijn neef op de grond lag toen hij de coffeeshop binnenging. Wanneer uit de camerabeelden van de gemeente en de naastgelegen coffeeshop blijkt dat, tussen het moment dat het slachtoffer de coffeeshop binnenging en het moment dat verdachte arriveerde, niemand anders de coffeeshop in of uit is gegaan en in de coffeeshop een mes op de tas van verdachte wordt aangetroffen, wordt verdachte aangehouden. In het verhoor dat daarop volgde, heeft verdachte verklaard dat hij op advies van zijn advocaat niets wilde zeggen, behalve dat hij bij zijn eerdere verklaring blijft. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat zijn eerste verklaring niet klopt en dat hij nu graag het echte verhaal wil vertellen. De hierop volgende verklaringen van verdachte komen kort samengevat op het volgende neer. Het slachtoffer was nog niet gewond toen verdachte de coffeeshop binnenging. Het slachtoffer was bezig met het veranderen van de positie van de spotjes boven de bar en riep verdachte, die een mes in zijn hand had in verband met het snijden van hasj, bij zich om te vragen of hij het mooi vond. Vervolgens wilde het slachtoffer van de ene kruk op de andere overstappen, waarbij hij zijn balans verloor. Het slachtoffer viel op verdachte af en in een fractie van een seconde probeerde verdachte hem vast te pakken of misschien te voorkomen dat hij zou vallen. Verdachte had op dat moment het mes echter nog in zijn hand. Vervolgens viel zijn neef op de grond en riep “au, au, mijn been, je hebt me in mijn been gestoken”, aldus verdachte. In de coffeeshop heeft de politie een mes aangetroffen met een lemmet van circa 15 centimeter en circa 3 centimeter breed. Volgens verdachte is dit het mes waarmee het slachtoffer is verwond. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte het slachtoffer een steekverwonding heeft toegebracht als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. De vraag is echter of de steekverwonding opzettelijk is toegebracht of het gevolg is van een noodlottig ongeval. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie Op grond van de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer opzettelijk een steekverwonding heeft toegebracht waaraan het slachtoffer is komen te overlijden. De verklaringen van verdachte zijn innerlijk tegenstrijdig en ongeloofwaardig en moeten daarom terzijde worden geschoven. Het handelen van verdachte kan niet anders worden uitgelegd dan dat hij de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. Nu het voorwaardelijk opzet op de dood kan worden bewezen, moet verdachte voor de ten laste gelegde doodslag worden veroordeeld. 4.3 Het standpunt van de verdediging Verdachte moet worden vrijgesproken van al hetgeen hem ten laste is gelegd, nu niet kan worden bewezen dat hij het slachtoffer opzettelijk – ook niet in voorwaardelijk zin – heeft gestoken. Subsidiair heeft de raadvrouw ten aanzien van de ten laste gelegde doodslag aangevoerd dat, indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel (voorwaardelijk) opzet op het steken zou hebben gehad, de zaak dient te worden aangehouden om een traumatoloog te ondervragen over de aanmerkelijke kans op de dood door een messteek op de plek waar het slachtoffer is gestoken. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Voordat de rechtbank uiteenzet welke in de wettige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden zij redengevend acht voor het bewijs, zal zij ingaan op het verweer van de verdediging dat geen sprake is van opzet. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte het slachtoffer een steekverwonding heeft toegebracht als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Het steekwapen betrof een mes met een lemmet van 15 centimeter lang. Het slachtoffer is geraakt in het linker bovenbeen, buiten/achterwaarts. Uit het deskundigenrapport dat is opgemaakt op 20 mei 2014 door forensisch arts Van Venrooij blijkt het volgende. De vorm en diepte van de steekwond worden bepaald door een groot aantal factoren, zoals de specifieke eigenschappen van het veroorzakende voorwerp, de richting, kracht en snelheid van de beweging waarmee de geweldsinwerking plaatsvindt en de lokalisatie op het lichaam. Vervolgens wordt dan de maximale lengte van de huidperforatie afgezet tegen de maximale breedte van het lemmet en wordt voorts de lengte en het verloop van het steekkanaal bezien. Hieruit leidt de deskundige af dat de snijdende bewegingscomponent bij de in- en uitgaande beweging waardoor de steekwond in het been werd veroorzaakt, kan worden aangemerkt als relatief gering. De geringe bijkomende bijdrage van de snijdende bewegingscomponent aan de huidwondlengte past bij een opeenvolging van bewegingen waarbij de ingaande en de uitgaande beweging van een lemmet langs nagenoeg hetzelfde traject hebben plaatsgevonden zonder zijdelingse bewegingscomponenten van betekenis. Daarbij is een belangrijk gegeven dat de omgeving van het letsel volledig vrij is van andere verwondingen zoals krassen, huidverscheuringen en bloeduitstortingen. Ook dit past bij een ontstaanswijze van de verwonding met relatief weinig bijkomende dynamiek. In een situatie waarin het steekletsel zou zijn ontstaan door een val van enige hoogte in het mes dat steeds vastgehouden zou zijn, zouden zowel een grotere snijcomponent, een minder regelmatige wondvorm, onderbrekingen van de wondranden en begeleidend andersoortig letsel te verwachten zijn. Nu hiervan geen sprake is, komt de deskundige tot de conclusie dat de kans op het aantreffen van de onderzoeksbevindingen, het mes en de wondkenmerken van het steekletsel, veel groter is onder een scenario met relatief weinig dynamiek tussen beide betrokkenen dan onder een scenario met relatief veel dynamiek tussen betrokkenen. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet precies kan herinneren hoe het slachtoffer is gevallen. Wel heeft hij tijdens de reconstructie verklaard dat hij het slachtoffer van zich af heeft geduwd en wel naar achteren. Naar het oordeel van de rechtbank valt de lezing van verdachte onder het scenario met relatief veel dynamiek tussen betrokkenen, hetgeen door de deskundige ter zitting van 8 december 2014 is bevestigd. Tegenover dit rapport staan de verklaringen van verdachte. Verdachte heeft in eerste instantie een leugenachtige verklaring afgelegd. Zowel ter plaatse als op het politiebureau heeft verdachte immers – naar later is gebleken in strijd met de waarheid – verklaard dat het slachtoffer al gewond was toen hij de coffeeshop binnenkwam. Nadat verdachte werd geconfronteerd met de eerder genoemde camerabeelden waaruit bleek dat tussen het moment dat het slachtoffer de coffeeshop binnenging en het moment dat verdachte arriveerde niemand anders de coffeeshop in of uit is gegaan, is verdachte op zijn eerdere verklaring teruggekomen. Zijn nieuwe verklaring heeft verdachte vervolgens in de loop van het onderzoek op meerdere (relevante) onderdelen aangepast. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat het slachtoffer op een kruk stond toen hij met de spotjes aan het plafond bezig was. Op de foto in het dossier op pagina C 128 is te zien dat het slachtoffer volgens verdachte op de kruk stond en boven zijn hoofd met de spotjes bezig was. Uit de beschikbare informatie is gebleken dat dit, gezien de hoogte van de kruk en de lengte van het slachtoffer, feitelijk onmogelijk is. Bij de reconstructie is verdachte op deze verklaring teruggekomen en heeft hij verklaard dat het slachtoffer op de bar zat. Nadat verdachte ter zitting van 8 december 2014 met deze inconsequentie is geconfronteerd, heeft hij verklaard dat hij niet meer weet of het slachtoffer stond of zat en dat hij dat ook niet wist tijdens de reconstructie; hij heeft tijdens de reconstructie verklaard dat het slachtoffer op de bar zat omdat hij zich erg onder druk gezet voelde en niet de indruk wilde wekken dat hij niet wilde meewerken aan het onderzoek. De rechtbank acht deze uitleg van verdachte over de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen onaannemelijk. Uit de beelden van de reconstructie blijkt immers dat verdachte wel degelijk kenbaar maakte wanneer hij zich bepaalde handelingen niet meer kon herinneren. Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte het slachtoffer tijdens een val en per ongeluk heeft gestoken. Hierbij betrekt de rechtbank de opvallende gedragingen van verdachte na afloop van het steken. Over zijn gedragingen na het steken heeft verdachte gesteld dat hij in een paniekreactie handelde. Verdachte heeft verklaard dat hij het alarmnummer was vergeten en dat hij daarom zijn oom 112 heeft laten bellen, dat hij het mes – dat op zijn tas is aangetroffen en waarmee het slachtoffer is gestoken – onder de kraan heeft gehouden om af te spoelen en dat hij naar buiten is gegaan om hulp in te roepen. De rechtbank is van oordeel dat het afwassen van het steekwapen of het vergeten van het alarmnummer op zichzelf genomen zou kunnen worden verklaard door een paniekreactie, maar dat de omstandigheden in de onderhavige zaak, in onderlinge samenhang bezien, daartegen pleiten. In de eerste plaats heeft verdachte tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn gemoedstoestand na het steken. Zo heeft verdachte meermalen verklaard dat hij, nadat het slachtoffer hem zei dat hij gestoken had, dacht dat het niet ernstig was, dat het slechts om een schrammetje zou gaan en dat het wel goed zou komen. In de tweede plaats heeft verdachte verklaard dat hij na de bovengenoemde opmerking van het slachtoffer meteen het mes ging afwassen en zijn oom ging bellen, zonder dat hij checkte hoe het met het slachtoffer gesteld was. In de derde plaats heeft verdachte verklaard dat hij in paniek naar buiten is gegaan om hulp te roepen en dat hij aan getuige [getuige] hulp heeft gevraagd, terwijl dit niet strookt met de camerabeelden en de verklaring van [getuige] zelf. Op de camerabeelden van voor de coffeeshop is immers te zien – in tegenstelling tot wat verdachte heeft verklaard – dat verdachte niet direct omstanders om hulp heeft gevraagd toen hij naar buiten liep. Hij heeft eerst nog bellend heen en weer gelopen, is gestopt met bellen en is opnieuw gaan bellen, is overgestoken en daar even blijven staan om vervolgens weer terug te lopen naar de coffeeshop. Nadat verdachte al ongeveer drie minuten buiten was, zag getuige [getuige] dat verdachte er erg beroerd uitzag en is daarom op hem afgestapt om te vragen of alles wel goed was. Verdachte heeft toen pas tegen [getuige] gezegd dat hij binnen moest kijken wat er is gebeurd. De rechtbank is op grond van het voornoemde dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat de gedragingen kunnen worden verklaard uit een paniekreactie, als onaannemelijk terzijde dient te worden geschoven. Het samenstel van gedragingen past veeleer bij een situatie waarin verdachte zich bewust moet zijn geweest van zijn handelen. De rechtbank stelt vast dat, gelet op het rapport van de wonddeskundige en het achterwege blijven van een aannemelijk alternatief scenario over de oorzaak van het door het slachtoffer opgelopen dodelijk letsel, in combinatie met bovenomschreven gedragingen, boven redelijke twijfel is verheven dat verdachte het slachtoffer opzettelijk met het mes in zijn bovenbeen heeft gestoken. Dat een mogelijk motief voor het steken niet is komen vast te staan, doet hier niet aan af. Vrijspraak moord Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van voorbedachte raad, zodat verdachte van de hem ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken. Vrijspraak doodslag Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de handelingen van verdachte willens en wetens op de dood van het slachtoffer waren gericht; van vol opzet is niet gebleken. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of in het onderhavige geval de aanmerkelijke kans bestond dat door het handelen van verdachte de dood van het slachtoffer zou intreden, nu de rechtbank van oordeel is dat de hierboven beschreven omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat verdachte de kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. In aanmerking genomen dat de precieze toedracht van het steken onbekend is gebleven, dat verdachte slechts éénmaal heeft gestoken, dat het slachtoffer hierbij buiten/achterwaarts ter hoogte van het linker bovenbeen is geraakt en dat verdachte derhalve niet rechtstreeks op de slagader heeft ingestoken, kan niet worden vastgesteld dat verdachte de dood van het slachtoffer op de koop heeft toegenomen. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. De rechtbank komt niet toe aan het door de raadsvrouw subsidiair gedane verzoek, nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer had. Zware mishandeling met de dood ten gevolge De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde wel kan worden bewezen, zoals hierna vermeld. Door met een mes met een lemmet van 15 centimeter diep in het (boven)been te steken, bestaat immers de aanmerkelijke kans dat er pezen, spieren, vaten en/of zenuwen worden geraakt en aldus lichamelijk letsel dat als zwaar kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, wordt veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van de gedragingen van verdachte, zoals hierboven geschetst, kan worden vastgesteld dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Hierdoor is sprake van – in ieder geval voorwaardelijk – opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Deze zware mishandeling heeft de dood ten gevolge gehad. 5Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het subsidiair ten last gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat: 1. Een proces-verbaal met nummer 2014002348-2 van 3 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. A9-A20) Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op 3 januari 2014 hoorden wij dat wij middels de portofoon opgeroepen werden door de meldkamer. Wij hoorden dat wij met spoed naar de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam dienden te gaan. Wij kwamen ter plaatse op het genoemde adres waar kennelijk coffeeshop ‘City Hall’ gevestigd was. Wij zagen ter hoogte van de genoemde coffeeshop een man die zich voorstelde als de neef van het slachtoffer. Ik hoorde de man antwoorden dat het slachtoffer gestoken was. Ondertussen zagen wij in de ingang van de coffeeshop City Hall een plas bloed liggen met daarin een man welke op zijn buik lag en omhoog keek naar ons. Ik, verbalisant[verbalisant 2], ging mij ontfermen over de neef van het slachtoffer. Ik, verbalisant[verbalisant 2], sprak bovengenoemde man die later opgaf te zijn genaamd [verdachte]. Hierop antwoordde hij: “Mijn neef heet [slachtoffer]”. Op de hoek van de bar zag ik een zwarte tas met daarop een mes. Het mes had een zwart heft met een lemmet van circa 15 centimeter en circa 3 centimeter breed. 2. De verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd op 6 januari 2014, zakelijk weergegeven: Ik kwam ’s morgens [de rechtbank begrijpt: op 3 januari 2014] in de coffeeshop. Mijn neef was er al. Op dat moment had ik het mes – dat gevonden is – in mijn handen. Vervolgens viel mijn neef op de grond en riep “au, au, mijn been, je hebt me in mijn been gestoken”. 3. Een proces-verbaal met nummer 2014002348 van 5 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. C32-49). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: Op vrijdag 31 januari 2014 vond er een reconstructie plaats van het steekincident, in het perceel [perceel] te Amsterdam, waarbij de verdachte [slachtoffer] op de plaats delict werd gehoord. De verdachte verklaarde hierop onder andere het volgende: Ik kwam binnen. Hij zegt: “Auw, je hebt me in mijn been gestoken”. Ik pak mijn telefoon. Ik bel mijn zwager en zeg: “Die man is in zijn been gestoken, kan je snel een ambulance bellen?”. Er was een beetje bloed op het mes. Ik loop naar de kraan (wijst achter de bar). Ik was het mes. Toen hij zei: “Ik ben in mijn been gestoken”, keek ik naar het mes. Toen ik bloed zag ben ik gelijk gaan bellen. Ik keek naar het mes, er zat een klein beetje bloed op. Ik spoelde hem af onder de kraan. 4. Een proces-verbaal met nummer 2014002348 van 4 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. A71-73). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Coffeeshop City Hall (plaats delict) is gevestigd in perceel [perceel] te Amsterdam. Coffeeshop Greenhouse is gevestigd in perceel [perceel] te Amsterdam. Camera CH6 is bevestigd ter hoogte van de voordeur van de coffeeshop en “kijkt” in de richting van coffeeshop City Hall. 03.01.2014 vr 10.51.00 uur Het latere slachtoffer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.