← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2014:8770

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 2414110 CV EXPL 13-25259 vonnis van: 16 december 2014 fno.: 590 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiser] wonende te [woonplaats] eiser nader te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. R. van Oostrom (CNV Vakmensen) t e g e n Stichting Pensioenfonds van de Metalektro statutair gevestigd en kantoorhoudende te Schiphol gedaagde nader te noemen: PME gemachtigde: mr. G.R. Derksen VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 26 augustus 2014 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen een akte genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Beoordeling De inhoud van het tussenvonnis van 26 augustus 2014 dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In dat tussenvonnis is PME in de gelegenheid gesteld berekeningen te maken op een wijze als in dat tussenvonnis aangegeven. [eiser] heeft daarop gereageerd.

  1. Op het in voornoemd vonnis gegeven oordeel dat het verweer van PME dat bij de berekening van de door contante waarde rekening moet worden gehouden met de verlaging van de pensioenen vanaf 1 januari 2013 ad 5,1% en per 1 januari 2014 met 0,5 % komt de kantonrechter terug. Terecht merkt [eiser] op dat ook geen rekening wordt gehouden met toekomstige verhogingen.
  2. Rekening houdend met de verlagingen komt PME tot een contante waarde van de netto pensioenuitkeringen ten bedrage van € 102.107,88, terwijl [eiser] - geen rekening houdend met die verlagingen - komt tot een bedrag van € 120.643,
  3. PME geeft niet aan dat uitgaande van de door de kantonrechter gehanteerde uitgangspunten, waarvan PME de juistheid betwist, maar waarop de kantonrechter niet terugkomt, deze berekening onjuist is.
  4. Een en ander betekent dat de kantonrechter de berekeningen van [eiser] volgt.
  5. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] op de navolgende manier toe. De kantonrechter verwijst uitdrukkelijk naar het in voornoemd tussenvonnis onder 8 en 9 overwogene, waarin kort gezegd staat: [eiser] maakt primair aanspraak op een bruto bedrag van € 204.438,98 en subsidiair op een netto-bedrag van € 120.643,
  6. Voorts dat de kantonrechter geen belastingrechter is en een netto-bedrag toewijst met de overweging dat indien de fiscus van oordeel is dat loon- dan wel inkomstenbelasting c.s. verschuldigd is, deze voor rekening voor PME komt.
  7. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring af te wijzen, dan wel aan toewijzing met uitvoerbaar verklaring bij voorraad een zekerheidsstelling als bedoeld in artikel 233 lid 3 Rechtsvordering te verbinden. Het aan [eiser] toe te wijzen bedrag voorziet in een aanvulling op zijn inkomsten. Het belang van [eiser] om van dat bedrag ten behoeve daarvan gebruik te kunnen maken dient zwaarder te wegen dan het belang van PME om niet geconfronteerd te worden met een restitutierisico. Vanzelfsprekend dient [eiser] zich wel bewust te zijn van het risico dat hij het bedrag dient terug te betalen indien in hoger beroep tot een ander oordeel wordt gekomen. Ook maken de door PME geschetste omstandigheden, het door [eiser] te ontvangen bedrag in relatie tot de hoogte van het door [eiser] te ontvangen pensioen en AOW, niet dat het stellen van een bankgarantie door [eiser] in de gegeven omstandigheden geboden is en redelijkerwijs aan hem opgelegd kan worden.
  8. Onweersproken door PME is dat de gemachtigde van [eiser] zich herhaaldelijk schriftelijk tot PME heeft gewend in verband met de vordering van [eiser]. Aan het enkele verweer dat niet is komen vast te staan dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, gaat de kantonrechter dan ook voorbij. Nu buitengerechtelijke kosten in redelijkheid gemaakt konden worden en de hoogte van het gevorderde bedrag de kantonrechter redelijk voorkomt, worden de gevorderde kosten toegewezen.
  9. PME wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast. BESLISSING De kantonrechter: verklaart voor recht dat PME aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van de onjuiste inlichtingen geleden schade; veroordeelt PME tot betaling aan [eiser] van: - € 120.643,25 aan hoofdsom, te vermeerderen met eventueel over deze bedragen door [eiser] verschuldigde loon- dan wel inkomstenbelasting c.s.; - € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; veroordeelt PME in de kosten van het geding, tot hiertoe begroot op - kosten dagvaarding € 92,82 - griffierecht € 448,00 - salaris gemachtigde € 2.000,00 ------------ totaal € 2.540,82 een en ander, voorzover van toepassing, inclusief BTW; veroordeelt PME tot betaling van een bedrag van € 205,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en PME niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. P. van der Kolk-Nunes, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.