← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2015:1509

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 14/7123 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2015 in de zaak tussen [naam], te Aalsmeer, eiser, en Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard en tevens het alcoholslotprogramma opgelegd. Bij besluit van 15 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart

  1. Eiser is verschenen. Verweerder is, na afmelding per fax d.d. 3 maart 2015, niet verschenen. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan eiser medegedeeld dat partijen binnen zes weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden. Overwegingen
  2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. Op pagina 4 van het primaire besluit heeft verweerder een aantal situaties omschreven waarin het uitdrukkelijk geen zin heeft om bezwaar te maken tegen het besluit. Eén van de vermelde situaties is: “Ik word al gestraft door de politie-/strafrechter”.
  4. Op 22 september 2014 heeft het Gerechtshof in Den Haag uitspraak gedaan in een aantal zaken, waaruit kortgezegd volgt dat de voornoemde mededeling in het primaire besluit (mogelijk) onjuist is.
  5. Aangezien eiser op de mededeling in het primaire besluit was afgegaan, had hij geen bezwaar ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn. Na bekendwording met de uitspraak van het Gerechtshof heeft eiser echter alsnog bij brief van 7 oktober 2014 bezwaar gemaakt. Dit is vier weken na afloop van de bezwaartermijn en circa twee weken na de uitspraakdatum. Bovendien heeft eiser het bezwaar gemaakt zonder gemachtigde.
  6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Eiser stelt dat hij vertrouwde op de juistheid van de mededeling in het primaire besluit dat bezwaar maken geen zin heeft en dat hij spoedig na bekendwording van de uitspraak van het Gerechtshof alsnog bezwaar heeft maakt.
  7. De rechtbank is, met eiser, van oordeel dat hij op deze mededeling mocht vertrouwen. Verweerder is niet verplicht om dergelijke mededelingen in een besluit op te nemen. Hoewel de rechtbank kan begrijpen waarom verweerder dergelijke mededelingen in besluiten opneemt, moeten burgers wel op de juistheid ervan kunnen vertrouwen. De juistheid van die mededelingen komen derhalve voor verweerders risico. Nu diverse rechtbanken in het land ten tijde van het primaire besluit al hadden geoordeeld zoals het Gerechtshof op 22 september 2014 deed, had verweerder reden om te twijfelen aan de juistheid van de onderhavige mededeling. Toch heeft verweerder de mededeling in het besluit opgenomen. Verweerder heeft daarmee het risico aanvaard dat eiser vertrouwde op deze mogelijk onjuiste mededeling. De rechtbank is van oordeel dat, nu dit risico zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, verweerder daarom niet heeft mogen besluiten om de onderhavige overschrijding van de bezwaartermijn onverschoonbaar te achten.
  8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Aangezien verweerder tot op heden niet inhoudelijk op het bezwaar van eiser heeft beslist, dient verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
  9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
  10. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Bruggen, griffier, op 3 maart
  11. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.