← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2015:1583

RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751.642-14 RK nummer: 14/4913 Datum uitspraak: 20 maart 2015 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 april 2013 door the Public Prosecutor's Office of the Court of Appeal of Athens (Griekenland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Griekenland) op [geboortedag] 1951, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [gba-adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 september 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek, en door een tolk in de Griekse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 6 maart 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Griekse taal. Met toestemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege de aanhouding niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijnen uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Griekse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van: - the No. 1230 dated 18-03-2003 Order of the Council of the Judges of Misdemeanor Court of Athens, which is maintained in effect by the No. 12 dated 28-06-2002 Arrest Warrant of the Investigator of the 27th Ordinary Division of the Misdemeanor Court of Athens; - the No. 2692 dated 17-06-2003 Order of the Council of the Judges of Misdemeanor Court of Athens, which is maintained in effect by the No. 21 dated 11-12-2002 Arrest Warrant of the Investigator of the 13th Ordinary Division of the Misdemeanor Court of Athens. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Griekenland strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: Oplichting. Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. Volgens de in rubriek
  2. c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW in verbinding met artikel 6, vijfde lid, van de OLW De opgeëiste persoon heeft niet de Nederlandse nationaliteit, maar aan alle voorwaarden van artikel 6, vijfde lid, van de OLW is voldaan. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Head of Directorate van het Penal Affaires Greek Ministry of Justice heeft in zijn mail van 19 december 2014 de volgende garantie met betrekking tot de opgeëiste persoon gegeven: Request guarantee of return and conversion [opgeëiste persoon]. Following your correspondence with the Public Prosecutor at the Appeal Court of Athens, we would like to inform you the requested person will be returned to the Netherlands in accordance with the provisions of Framework Decision on the E.A.W. Dit heeft de Public Prosecutor at the Appeal Court of Athens bevestigd in een brief, ontvangen op 22 december 2014. In een e-mail van 23 januari 2015 heeft de Prosecutor, Head of the Department of Extradition and Judicial Assistance Public Prosecutor’s Office at the Court of Appeal of Athens het volgende gemeld: We can, at this stage, guarantee that Mr. [opgeëiste persoon] will return to the Netherlands in order to serve the sentence that might be imposed on him by Greek court and the prison sentence can be adjusted to Dutch standards after his return. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: Feit 1: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft Feit 2: Verduistering gepleegd door hem wie het goed uit noodzaak in bewaring is gegeven. Aan deze voorwaarde is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 6Artikel 11 van de OLW De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn is geschonden omdat de feiten in 1999 zijn gepleegd. De Griekse autoriteiten hebben tijdens het verblijf van de opgeëiste persoon in Griekenland en nadien, tijdens vakanties, geen acties gericht op vervolging ingesteld. Verder vreest de opgeëiste persoon ook de detentieomstandigheden in Griekenland. Voor zover de raadsman met zijn verweer een beroep heeft gedaan op artikel 11 van de OLW is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. In haar uitspraak van 17 januari 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:1303) heeft de rechtbank het volgende overwogen: Alle lidstaten van de Europese Unie zijn partij bij het EVRM. Polen is dus in het kader van de strafvervolging van de opgeëiste persoon verplicht tot eerbiediging van de in het EVRM neergelegde rechten, waaronder het recht op berechting binnen een redelijke termijn. Deze verplichting vormt de grondslag voor “het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten, zodat de personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dus binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat eventuele rechtsmiddelen kunnen aanwenden ter betwisting van de rechtmatigheid van de procedure van strafvervolging (…)” (HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-168/13 PPU (F.), punten 49-50). Onder verwijzing naar EHRM 4 oktober 2007, nr. 12049/06 ([naam 1]/Albanië en Griekenland) en EHRM 4 mei 2010, nr. 56588/07 ([naam 2]/Ierland) heeft de rechtbank in eerdere zaken in vergelijkbare zin geoordeeld dat: - de uitvoerende lidstaat in principe ervan mag uitgaan dat een opgeëiste persoon alle relevante verweren in verband met het recht op berechting binnen een redelijke termijn kan voeren voor en geëerbiedigd kan zien door de strafrechter van de uitvaardigende lidstaat; - de rechter in de uitvaardigende lidstaat doorgaans ook beter in staat is om de gegrondheid van een dergelijk beroep op artikel 6 EVRM feitelijk en juridisch te beoordelen dan de overleveringsrechter en - de opgeëiste persoon, indien zijn beroep op artikel 6 EVRM in de uitvaardigende lidstaat niet succesvol is geweest, een klacht tegen die lidstaat kan indienen bij het Europese Hof voor de rechten van de mens (Rb. Amsterdam 19 oktober 2011, LJN BU2954). Voorts heeft ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in haar uitspraak van 9 oktober 2014 geoordeeld dat in Griekenland een “effective remedy” bestaat tegen overschrijding van de redelijke termijn (EHRM 9 oktober 2014, nr. 30226/09, [naam 3]/Griekenland). Verder kan een beroep op artikel 11 van de OLW slechts slagen als het wordt gestaafd met concrete en individuele feiten en omstandigheden, op grond waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon zal leiden tot een flagrante schending van zijn fundamentele rechten, zoals die worden gewaarborgd in het EVRM. Dat van dergelijke concrete en individuele feiten en omstandigheden sprake is, is onvoldoende onderbouwd. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 322 en 323 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor's Office of the Court of Appeal of Athens (Griekenland) ten behoeve van het in Griekenland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. A.C. Enkelaar, voorzitter, mrs. S.J. Riem en I.V. Ottens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 maart 2015. De jongste rechter is buiten staat te tekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.