vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/562256 / HA ZA 14-348 Vonnis in incident van 25 maart 2015 in de zaak van de stichting STICHTING CARTEL COMPENSATION, gevestigd te Den Haag, eiseres in de hoofdzaak en in het incident/verzoek artikel 133 Rv, verweerster in het incident/verzoek artikel 843a Rv, vrijwaring, aanhouding en voeging artikel 222 Rv, advocaat mr. J. van den Brande, tegen 1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann, 2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G., gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen, 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO AG, gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC., gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. D.J. Beenders, 6. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIETE AIR FRANCE S.A., gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik, 7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES LIMITED, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat, 8. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat, gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het incident/verzoek artikel 133 Rv, sub 1, 2 en 6: eiseressen in het incident/verzoek artikel 843a Rv, vrijwaring, aanhouding en voeging artikel 222 Rv, sub 3, 4, 5, 7 en 8: eiseressen in het incident/verzoek artikel 843a Rv, vrijwaring en aanhouding, en zaaknummer / rolnummer C/13/561180 / HA ZA 14-288 (vrijwaringszaak) van 1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann, 2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIETE AIR FRANCE S.A., gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik, eiseressen, tegen 1de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G., gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO AG, gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC., gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. D.J. Beenders, 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht SWISS INTERNATIONAL AIRLINES AG, gevestigd te Basel, Zwitserland, advocaat mr. R.B. Gerretsen, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht CARGOLUX AIRLINES INTERNATIONAL S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg, advocaat mr. A. Knigge, 6. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS A.B., gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk, 7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN, gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk, 8. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS CARGO GROUP A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken, advocaat mr. W. Heemskerk, gedaagden. Eiseres in de hoofdzaak zal hierna SCC worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd (sub 1, 2 en 6 gezamenlijk KLM c.s. en afzonderlijk KLM, Martinair en AF, sub 3 en 4 en Swiss International Airlines AG gezamenlijk Lufthansa/Swiss, sub 5 BA en sub 7 en 8 gezamenlijk SIA). De overige partijen in de vrijwaringszaak zullen hierna Cargolux en SAS worden genoemd. 1De procedure in de hoofdzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 december 2013, met producties, de incidentele conclusie houdende voeging ex artikel 222 Rv, tevens verzoek tot oproeping in vrijwaring, tevens verzoek tot aanhouding, tevens verzoek tot overlegging of afgifte van stukken ex artikel 843a Rv, van KLM c.s. van 25 juni 2014, met producties, de incidentele vordering ex artikel 843a Rv tevens houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en verzoek tot aanhouding van Lufthansa van 25 juni 2014, met één productie, de incidentele conclusie houdende verzoek tot verlof voor oproeping in vrijwaring, tevens vordering ex artikel 843a Rv, tevens verzoek tot aanhouding van BA van 25 juni 2014, met producties, de incidentele conclusie houdende verzoek tot exhibitie ex artikel 843a Rv tevens verzoek tot aanhouding tevens verzoek tot oproeping in vrijwaring van SIA van 25 juni 2014, met producties, de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende incidentele vordering tot vervallenverklaring ex artikel 133 Rv van SCC van 23 juli 2014, met producties, de rolbeslissing van 23 juli 2014, waarbij het verzoek van SCC ex artikel 133 Rv is afgewezen, de rolbeslissing van 20 augustus 2014, waarbij pleidooi in de incidenten is toegestaan, het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooien en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen. in de vrijwaringszaak 1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 april 2014, het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooien en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen. in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten/verzoeken. 2De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 2.1. In documenten van diverse mededingingsautoriteiten, waaronder die in de Europese Unie, Australië, Brazilië, Zuid-Afrika en Zuid-Korea en documenten in verband met gerechtelijke procedures in Australië, Canada en de Verenigde Staten van Amerika, is opgenomen dat door betrokken kartelleden hun deelname aan een kartel is erkend en dat tussen de kartelleden, waaronder (volgens SCC) de luchtvaartmaatschappijen, concurrentiebeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot al het vrachtvervoer dat tussen de kartelleden wereldwijd werd verzorgd in grotendeels dezelfde periode, in ieder geval vanaf 2000 - 2006. 2.2. In een persbericht heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) opgenomen dat zij in een beschikking van 9 november 2010 heeft geoordeeld dat vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen zijn gecoördineerd ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, door diverse luchtvaartmaatschappijen (hierna: de beschikking). Aan elf luchtvaartmaatschappijen, zo is verder opgenomen in dat persbericht, zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000,-- voor deelname aan een internationaal kartel. De beschikking is tot op heden nog niet gepubliceerd. Tegen deze beschikking is door alle twintig geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited, beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. 3De vorderingen in de hoofdzaak 3.1. SCC vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven: 1. te verklaren voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door de introductie, onderlinge afstemming en toepassing van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in de periode van 2000 tot en met 2006 onrechtmatig hebben gehandeld jegens de shippers; 2. hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling van € 216.942.546,77 en € 30.991.792,40 alsmede schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met rente en kosten. Er zijn brandstoftoeslagen en andere toeslagen aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen in rekening gebracht via expediteurs, die (volgens SCC) handelen voor rekening en risico van deze shippers. Een aantal shippers (hierna: de shippers) heeft hun vorderingen met betrekking tot het kartel overgedragen aan SCC, als vermeld in de als productie 32 bij dagvaarding overgelegde overdrachtsakten. 3.2. SCC legt aan haar vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. De luchtvaartmaatschappijen hebben in de relevante periode 2000 - 2006 verboden prijsafspraken gemaakt. Zij maakten deel uit van een wereldwijd kartel dat de introductie, handhaving en toepassing van een brandstoftoeslag en andere toeslagen voor goederenvervoer door de lucht tot doel had (hierna: het kartel). Diverse luchtvaartmaatschappijen hebben inmiddels in nationale procedures (Australië, Brazilië, Zuid-Afrika, Amerika, Canada, Zuid-Korea) erkend dat zij betrokken zijn geweest bij het kartel. De Europese Commissie heeft in haar persbericht bevestigd dat er sprake is van een internationaal kartel en van onderlinge contacten om ervoor te zorgen dat internationale luchtvrachtbedrijven voor alle zendingen een vaste toeslag per kilo berekenden. Een groot aantal partijen heeft schade geleden door de activiteiten van het kartel, onder meer door de brandstoftoeslag die door de kartelleden in rekening werd gebracht boven de ‘base rate’ voor luchtvrachtdiensten. Deze kosten kwamen ten laste van de afzenders van goederen, die al dan niet door tussenkomst van expediteurs luchtvrachtdiensten hebben afgenomen. Een aantal afzenders (hiervoor en hierna: de shippers) heeft vorderingen met betrekking tot het kartel overgedragen aan SCC, als vermeld in de als productie 32 bij dagvaarding overgelegde overdrachtsakten. Zowel in het geval dat de shippers rechtstreeks met de luchtvaartmaatschappijen hebben gecontracteerd als in het geval dat de shippers en de luchtvaartmaatschappijen gebruik hebben gemaakt van een expediteur, zijn de volledige toeslagen bij de shippers in rekening gebracht en door hen betaald. Voornoemde handelwijze is in strijd met het kartelverbod als neergelegd in onder meer (thans) artikel 101 VWEU (voorheen artikel 85 respectievelijk artikel 81 EG-verdrag), artikel 6 Mededingingswet en de mededingingswetgeving van andere landen buiten de EU alsmede onrechtmatig in de zin van de artikelen 6:162 BW en 6:163 BW. De shippers hebben hun vorderingen overgedragen aan SCC. De in deze procedure gevorderde schade betreft de aan de shippers opgelegde toeslagen. Voor wat betreft de brandstoftoeslag is in ieder geval schade geleden van ruim € 245 miljoen. in de incidenten 3.3. KLM c.s. vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: voeging met de vrijwaringsprocedure op grond van artikel 222 Rv, oproeping in vrijwaring van in het petitum genoemde luchtmaatschappijen en de mogelijkheid tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen luchtvaartmaatschappijen, afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, aanhouding totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan dan wel is vernietigd, aanhouding tot de openbaarmaking van de beschikking, kostenveroordeling. 3.4. Lufthansa vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: oproeping in vrijwaring van in het petitum genoemde luchtvaartmaatschappen en de mogelijkheid om een aanvullend vrijwaringsincident op te werpen, afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, op straffe van een dwangsom, aanhouding totdat nadere partijen in vrijwaring opgeroepen moeten worden, aanhouding tot de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, aanhouding tot de publicatie van de beschikking, kostenveroordeling. 3.5. BA vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: oproeping in vrijwaring van de in het petitum genoemde luchtvaartmaatschappijen en de mogelijkheid tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen partijen, afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, op straffe van een dwangsom, aanhouding totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, kostenveroordeling. 3.6. SIA vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: oproeping in vrijwaring van in het petitum genoemde luchtvaartmaatschappijen en de mogelijkheid tot uitbreiding van de in vrijwaring op te roepen partijen, afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv als gespecificeerd in het petitum van de conclusie, op straffe van een dwangsom, aanhouding totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, aanhouding ter bestudering van de hiervoor bedoelde bescheiden, kostenveroordeling. 3.7. SCC vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: vervallenverklaring van het recht van de luchtvaartmaatschappijen om in de hoofdzaak een conclusie van antwoord te nemen op grond van artikel 133 Rv, kostenveroordeling. 3.8. De vorderingen van de onderscheiden partijen zullen gezamenlijk worden behandeld in die zin dat achtereenvolgens aan de orde zullen komen artikel 133 Rv, artikel 222 Rv, artikel 843a Rv, vrijwaring en aanhouding. 4De beoordeling 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank bevoegd is van de hoofdzaak kennis te nemen. in het incident/verzoek ex artikel 133 Rv 4.2. SCC vordert op grond van artikel 133 Rv het recht van de luchtvaartmaatschappijen om in de hoofdzaak een conclusie van antwoord te nemen vervallen te verklaren, althans vast te stellen dat dat recht is vervallen. 4.3. SCC stelt hiertoe, samengevat, dat de luchtvaartmaatschappijen een tweede uitstel hebben gekregen voor het nemen van de conclusie van antwoord op de rolzitting van 25 juni 2014 en dat die conclusie niet is genomen. Op grond van artikel 133 lid 4 Rv en de in de incidentele conclusie door SCC genoemde jurisprudentie is het recht van de luchtvaartmaatschappijen om de conclusie van antwoord te nemen op 25 juni 2014 vervallen. Artikel 6 EVRM en de goede procesorde bieden geen basis voor een nader uitstel. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op dit verzoek reeds door de rolrechter is beslist, verzoekt SCC de rechtbank om op die beslissing, die niet is gemotiveerd en heeft te gelden als een tussenvonnis, terug te komen. Aldus steeds SCC. 4.4. De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat het verzoek van SCC al door de rolrechter is afgewezen. Er is óf sprake van een rolbeslissing, waartegen geen hoger beroep mogelijk is, óf van een voor hoger beroep vatbaar vonnis, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, aldus de luchtvaartmaatschappijen. 4.5. Op het verzoek van SCC op grond van artikel 133 Rv is reeds afwijzend beslist door de rolrechter. De door de luchtvaartmaatschappijen ingeleide incidenten zijn naar aard, strekking en inhoud zodanig dat daarover vooraf moet worden beslist en dat het antwoord in de hoofdzaak na de beslissing in het incident kan worden genomen. Voor zover SCC betoogt dat tot heroverweging van die beslissing moet worden overgegaan, wordt geoordeeld dat het door SCC gestelde niet tot de conclusie kan leiden dat die beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. Evenmin brengen de eisen van een goede procesorde mee dat tot heroverweging moet worden overgegaan. Het verzoek van SCC wordt dan ook afgewezen. in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv 4.6. KLM c.s. vordert op grond van artikel 222 Rv voeging van de hoofdzaak met de vrijwaringszaak. 4.7. SCC refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.8. Voor voeging op grond van artikel 222 Rv is vereist dat beide procedures aanhangig zijn bij dezelfde rechter, dat sprake is van verknochtheid tussen beide procedures en dat beide procedures zich nog in een beginstadium bevinden. Met KLM c.s. is de rechtbank van oordeel dat aan deze vereisten in het onderhavige geval is voldaan. Zowel de hoofdprocedure als de vrijwaringsprocedure is bij deze rechtbank aanhangig en de voeging wordt gevorderd vóór alle weren. De te voegen procedures bevinden zich nagenoeg in hetzelfde stadium, zodat de voeging niet zal leiden tot een hinderlijke vertraging van deze procedures. Verder is aan de eis van verknochtheid voldaan. Het gaat in beginsel om juridische geschilpunten die voortvloeien uit hetzelfde gestelde feitencomplex, namelijk het (beweerdelijk) deelnemen van KLM c.s. en andere luchtvaartmaatschappijen aan een kartel. Beide procedures zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de hoofdprocedure staat immers centraal de hoofdelijke aansprakelijkheid van KLM c.s., terwijl in de vrijwaringsprocedures zal moeten worden beoordeeld in hoeverre een eventuele hoofdelijke veroordeling van KLM c.s. tot schadevergoeding kan worden afgewenteld op de gedaagden in de vrijwaringsprocedure. Een separate behandeling van beide procedures zou kunnen leiden tot het risico van een onwenselijke inconsistentie in de uitspraken, zodat voeging ook in het belang van de doelmatigheid en proceseconomie moet worden geacht. Het verzoek tot voeging wordt op grond van het voorgaande dan ook toegewezen. in het incident ex artikel 843a Rv 4.9. De luchtvaartmaatschappijen vorderen op grond van artikel 843a Rv afschrift van bescheiden, zoals nader gespecificeerd in hun conclusies (zoals luchtvrachtbrieven/air waybills, (raam)overeenkomsten en facturen en documentatie met betrekking tot cessies). Zij stellen daarbij een rechtmatig belang te hebben ter onderbouwing van hun verweer. De gevraagde luchtvrachtbrieven/air waybills, (raam)overeenkomsten en facturen zijn nodig voor de bepaling van het toepasselijk recht, de eventuele verjaring van de vorderingen, de temporele en geografische reikwijdte van de vorderingen, de al dan niet een-op-een doorberekening van de toeslagen, de in vrijwaring op te roepen partijen en de identiteit van de expediteurs. Verder zijn de onderliggende cessieovereenkomsten nodig om te kunnen achterhalen waaruit de vermeende schade zou kunnen bestaan, om welke specifieke vluchten het gaat, met welke expediteur is gecontracteerd en welke luchtvaartmaatschappij de desbetreffende vlucht heeft uitgevoerd. Aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen. 4.10. SCC verzet zich tegen afgifte van de door de luchtvaartmaatschappijen gevorderde bescheiden en voert hiertoe samengevat het volgende aan. De vordering is prematuur omdat het processuele debat in de hoofdzaak nog niet is gevoerd. Het is nu nog onduidelijk of er aan bewijslevering zal worden toegekomen en, zo ja, met betrekking tot welke feiten en omstandigheden. Bovendien is de vordering slechts ingesteld om de procedure te vertragen en gegrond op vermoedens en twijfels, een “fishing expedition” naar mogelijke verweren, waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld. Daarbij komt dat de luchtvaartmaatschappijen de verzochte bescheiden niet nodig hebben voor het nemen van de conclusie van antwoord. Verder gaat het naar schatting om miljoenen pagina’s en onzeker is of en, zo ja, in welke mate alle bescheiden nog aanwezig zijn. Het betreft derhalve een langdurige en kostbare aangelegenheid. Niet alle bescheiden zijn voldoende bepaald omschreven. Verder stellen de luchtvaartmaatschappijen ten onrechte dat zij van SCC kunnen verlangen dat zij haar stellingen op dit punt onderbouwt. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen betogen dat zij air waybills nodig hebben om te kunnen beoordelen welke luchtvaartmaatschappijen in vrijwaring moeten worden opgeroepen, geldt dat zij deel uitmaakten van het kartel en dus weten wie bij die afspraken betrokken waren. Bovendien blijkt de identiteit en de betrokkenheid bij het kartel van vele luchtvaartmaatschappijen ook uit de stukken die in verschillende procedures (wereldwijd; bijvoorbeeld onderzoek van mededingingsautoriteiten en gerechtelijke procedures gericht op handhaving) zijn overgelegd. Aldus steeds SCC. 4.11. Op grond van artikel 843a Rv kan een partij bij een juridische procedure inzage, afgifte of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden wanneer hij daarbij een rechtmatig belang heeft en de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. Aldus kunnen de belangen van partijen worden afgewogen. De belangenafweging bij een schadevergoedingsvordering, zoals de onderhavige, is nader uitgewerkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) in de zaak Bundeswettbewerbsbehörde/Donau Chemie AG (HvJ 6 juni 2013/C-536/11): enerzijds het belang van verzoeker bij inzage in de gevraagde stukken met het oog op de voorbereiding van zijn beroep tot schadevergoeding, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de andere mogelijkheden die eventueel te zijner beschikking staan en anderzijds met de concrete nadelige gevolgen voor openbare belangen of gerechtvaardigde belangen van anderen waartoe inzage kan leiden. Verder is in geval van kartelschade de Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (hierna: de Richtlijn) relevant, en met name artikel 5 lid 3 dat over de toegang tot bewijsmateriaal gaat. De Richtlijn wordt nog geïmplementeerd, maar biedt in dit stadium (overeenkomstig het geldende recht) inzichten, beginselen en aanknopingspunten voor de beoordeling. In het kader van voornoemde bepaling dient het verlenen van toegang tot bewijsmateriaal beperkt te worden tot wat evenredig is, waarbij rekening dient te worden gehouden met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen en derden. Met name moet rekening worden gehouden met de volgende elementen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.