RECHTBANK AMSTERDAM RK: 13/5501 BESCHIKKING op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [naam 1], ([naam 1] Belastingadviseurs BV, [naam 1] Accountants BV en [naam 1] Financial Advisory Servies BV), gevestigd op het adres [adres, te plaats], te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman, mr. D.R. Doorenbos, [adres, te plaats], klaagster tevens beslagene. 1Procesgang 1.1. Op 10 juli 2013 is namens klaagster het onderhavige klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank Rotterdam. 1.2. Namens de rechtbank Rotterdam is de rechtbank Amsterdam verzocht de behandeling van het klaagschrift over te nemen. 1.3. Het klaagschrift is formeel op 26 augustus 2013 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. 1.4. Bij schrijven 8 oktober 2013 heeft de officier van justitie mr. M.A.W. Mol namens het Openbaar Ministerie een standpunt ingenomen ten aanzien van het klaagschrift. 1.5. Op 28 oktober 2013 heeft de raadsman namens klaagster hier schriftelijk op gereageerd. 1.6. De rechtbank heeft op 15 november 2013 het klaagschrift behandeld en bij beschikking van 29 november 2013 op het klaagschrift beslist. 1.7. De Hoge Raad heeft na door klaagster ingesteld beroep van cassatie bij beschikking van 4 november 2014 de beschikking van de rechtbank van 29 november 2013 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan. 1.8. Op 19 februari 2015 heeft de rechtbank in openbare raadkamer de raadsman van klaagster en de officieren van justitie A. Lodder en C.E.J. Backer gehoord. Tevens heeft de rechtbank de betrokken advocaten van klaagster wier verschoningsrecht wordt ingeroepen, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], als belanghebbenden gehoord. 2De onderliggende zaak In het proces-verbaal van ambtshandeling voorstel doorzoeking bedrijfsadres [naam 1] (0-AH-025) van 8 mei 2013 staat onder meer het volgende gerelateerd. Onder gezag van de officier van justitie van het functioneel parket Rotterdam is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de betrokkenheid van [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], [bedrijf 1 NV], [bedrijf 2 BV] en [persoon 4] bij bedrog bij de jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV], valsheid in geschrifte, oplichting en handel met voorwetenschap. De bovengenoemde (rechts)personen worden ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan onderstaande strafbare feiten: Bedrog in de jaarstukken (artikel 336 van het Wetboek van Strafrecht); Valsheid in geschrifte, (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht); Oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht); Handel met voorwetenschap (artikel 5:56, lid 1 sub a van de Wet op het financieel toezicht juncto artikel 1 onder 3 en artikel 6, lid 1 onder 2 van de Wet op de economische delicten). De onderzoeksperiode loopt vanaf 1 januari 1999, het vermoedelijke begin van het samenwerkingsverband tussen [persoon 1], [persoon 2] en wijlen [persoon 4], tot heden (de rechtbank begrijpt: 8 mei 2013). [bedrijf 1 NV] (hierna: ‘[bedrijf 1 NV]’) is op 24 november1997 door [bedrijf 2 BV], een bedrijf van [persoon 2], opgericht. [persoon 2] was sinds 2000 een van de leden van de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1 NV]. Op 24 april 1998 kreeg [bedrijf 1 NV] een beursnotering aan Euronext Amsterdam en fungeerde zij als houdstermaatschappij van een concern dat zich bezighield met het winstgevend maken van nieuwe technologieën van uitvinders. Een van deze technologieën was een nieuwe wijze van productie van kunststofverpakkingen. De vennootschap die zich binnen het concern bezighield met deze technologie was [bedrijf 3 NV] (hierna: ‘[bedrijf 3 NV]”). [persoon 1] was tot 5 juni 2009 bestuurder van [bedrijf 3 NV]. Het [bedrijf 1 NV] concern is, onder meer via dochtervennootschappen [bedrijf 4 Ltd] (hierna: “[bedrijf 4 Ltd]”) en [bedrijf 3 NV], in de jaren 2001 tot en met 2009 verschillende transacties aangegaan met (vennootschappen behorende bij) het [naam 2] concern, een ogenschijnlijke derde partij. Het [naam 2] concern was grotendeels gevestigd in Hong Kong en China en werd, al dan niet via een trustconstructie, vermoedelijk geleid door wijlen [persoon 4]. [persoon 4] was de oorspronkelijke uitvinder van de verpakkingstechnologie die door [bedrijf 3 NV] werd gecommercialiseerd. Het vermoeden bestaat dat [persoon 2], [persoon 1] en [persoon 4] sinds 1999 een samenwerkingsverband vormden dat zich ‘[naam 3]’ noemde. [naam 3] had vermoedelijk zeggenschap in zowel het [bedrijf 1 NV]- als het [naam 2] concern voor wat betreft het zakelijke en financieel beleid. [persoon 4] had (indirect) een (juridisch) aandelenbelang evenals zeggenschap binnen [bedrijf 4 Ltd] en de [naam 2] vennootschappen. [persoon 1] en [persoon 2] hadden een (indirect) aandelenbelang evenals zeggenschap in [bedrijf 1 NV] [bedrijf 4 Ltd]. [naam 3] had overleg over het zakelijke en financiële beleid van, en zodoende zeggenschap in, beide concerns. Het vermoeden bestaat dat [persoon 3], werkzaam als financieel manager bij [bedrijf 1 NV], op enig moment ook deel uitmaakt van [naam 3]. [naam 3] heeft in ieder geval tot aan het overlijden van [persoon 4] in [2008] bestaan. Vermoedelijk zijn vennootschappen en een trusteestructuur door de [naam 3] opgezet vanwege: - fiscale redenen; - het creëren van omzet en winst voor [bedrijf 1 NV]; - het verhullen van de verbondenheid tussen het [bedrijf 1 NV] concern en het [naam 2] concern voor het publiek en de accountant [naam 1]. Op deze wijze konden onzakelijke materiële transacties worden aangegaan met [bedrijf 4 Ltd], wat vermoedelijk heeft geleid tot onjuiste activa in de cijfers van [bedrijf 4 Ltd]. De cijfers van [bedrijf 4 Ltd] werden door [bedrijf 1 NV] geconsolideerd. Het gevolg hiervan is dat de vermoedelijke onjuiste activa binnen [bedrijf 4 Ltd] in de cijfers van [bedrijf 1 NV] werden verwerkt. Wat betreft het boekjaar 2004 tot en met het boekjaar 2008 geldt dat verschillende accountantskantoren betrokken zijn bij de jaarrekeningen van [bedrijf 4 Ltd] en de geconsolideerde jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV]. Met ingang van het boekjaar 2005 vindt een accountantswissel plaats en neemt [naam 1] Accountants, in de persoon van [persoon 6], de controle van de geconsolideerde jaarrekening van [bedrijf 1 NV] over. [naam 1], in de persoon van [persoon 6], heeft de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV] over de jaren 2005 tot en met 2008 voorzien van goedkeurende accountantsverklaringen. Zoals in ambtshandeling 1-AH-001 is geverbaliseerd bestaat het vermoeden dat de jaarrekeningen over de jaren 2005 tot en met 2008 van [bedrijf 1 NV], zoals goedgekeurd door [naam 1], onwaar zijn. Op basis van hetgeen tot nu toe uit het onderzoek naar voren is gekomen en hetgeen hiervoor is geverbaliseerd, dat: [naam 1] een goedkeurende verklaring heeft afgegeven voor de jaarrekeningen van [bedrijf 1 NV] over de jaren 2005 tot en met 2008, waarvan het vermoeden bestaan dat deze onwaar zijn; [persoon 6], de tekenend partner bij [naam 1] inzake [bedrijf 1 NV], zelf de controle van [bedrijf 4 Ltd] voor zijn rekening neemt; de lokale accountants in Hong Kong over de jaren 2004 en 2005 een oordeelonthouding geven over de jaarrekening van [bedrijf 4 Ltd], die de grootste omzet voor het [bedrijf 1 NV] Concern realiseert; de VEB aangifte heeft gedaan van oplichting voor een bedrag van € 20 miljoen; de ING bank een krediet heeft verstrekt aan [bedrijf 1 NV] van € 45 miljoen; beide mogelijk mede gebaseerd op vermoedelijk onjuiste financiële informatie, waaronder de onware jaarrekening(en); een mogelijkheid bestaat dat [naam 1] door de ING bank en/of VEB aansprakelijk gesteld kan worden omdat zij gelden hebben verstrekt op basis van onware informatie zoals deze door [naam 1] is gecontroleerd en voorzien van een goedkeurende verklaring. En dat: [naam 1] mogelijk mede gezien bovenstaande een belang heeft om bescheiden die zij onder zich heeft niet op basis van een vordering ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering te verstrekken en om verder te kunnen met het verzamelen van bewijsmiddelen voor de reeds bestaande verdenkingen en gezien bovenstaande verzoek ik om een doorzoeking, ter inbeslagneming ex artikel 96c Wetboek van Strafvordering en artikel 125i Wetboek van Strafvordering op het bedrijfsadres van [naam 1] Accountants BV, [adres, te plaats]. De doorzoeking zal zich onder meer dienen te richten op het vinden en in beslagname van de integrale controledossiers en overige dossiers met betrekking tot: [bedrijf 1 NV] [bedrijf 5 BV] [bedrijf 6 BV] [bedrijf 3 NV] [bedrijf 7 BV] ([bedrijf 7 BV]) [bedrijf 4 Ltd] ([bedrijf 4 Ltd]) [bedrijf 8 BV] (voorheen [bedrijf 8 BV]) [bedrijf 9 Inc] [bedrijf 10 Ltd] ([bedrijf 10 Ltd]) [bedrijf 11 s.r.o.] [bedrijf 12] [bedrijf 13] [bedrijf 14 BV] alle overige aan [bedrijf 1 NV] gelieerde (dochter) ondernemingen. Het gaat in casu om zowel alle fysieke stukken als digitale gegevens aanwezig op computers en/of anderszins digitaal opgeslagen bij of in eigendom van [naam 1] (waaronder e-mailberichten) over de periode 2005 tot en met 2009. Het gaat hierbij in ieder geval om (NB niet limitatieve opsomming): de opdracht; de uitgebrachte adviezen; de rapportages en correspondentie; de gespreksverslagen; (interne) memo’s de Letters of Representation; overeenkomsten, zoals lenings-, licentie, patenten, leaseovereenkomsten; de verstrekte accountantsverklaringen en begeleidende brieven; de (concept) managementletters en overige rapportages en correspondentie; de consolidatiestaten en kolommenbalansen en/of saldibalansen; de controledossiers met betrekking tot de balansen en winst- en verliesrekeningen; de controledossiers met betrekking tot de beoordeling van de administratieve organisatie en interne controle; de jaarrekeningen van deelnemingen van [bedrijf 1 NV]; de (concept) rapportages, correspondentie en gespreksverslagen met buitenlandse accountants. In verband met de perikelen rond [bedrijf 1 NV] en haar faillissement per 23 december 2010 heeft [naam 1] zich op 28 januari 2011 gewend tot haar advocaat. 3De inbeslagneming 3.1. In het proces-verbaal doorzoeking van 27 juni 2013 (0-AH-044) staat onder meer het volgende. In ambtshandeling 0-AH-25 is het verzoek tot doorzoeking op het bedrijfsadres van [naam 1] Accountants BV te Rotterdam gedaan. Op 21 mei 2013 heeft deze doorzoeking plaatsgevonden. Gedurende deze doorzoeking bleek dat bepaalde gegevens niet op de locatie Rotterdam aanwezig waren. Voor het verkregen van deze gegevens is een mondelinge vordering ex 126nd Sv gedaan. Deze is vordering is op 24 mei 2013 schriftelijk bevestigd en houdt in dat de officier van justitie van [naam 1] de verstrekking/uitlevering vordert van bepaalde opgeslagen en/of vastgelegde gegevens, te weten de integrale e-mailboxen en backup van de computers die horen bij een aantal (60-70) e-mailadressen met de [e-mailadres 1]. 3.2. Vervolgens is, blijkens de stukken, discussie ontstaan tussen de raadsman van [naam 1] en de officier van justitie of een vordering gebaseerd op artikel 126nd Sv voor de gevraagde gegevens wel de juiste basis zou zijn en is discussie ontstaan over de omvang van hetgeen werd gevorderd. Hierover zijn verschillende faxen gewisseld. Tijdens het wisselen van deze faxen is door een medewerker van [naam 1] een extractie gemaakt vanaf de server van [naam 1] van de in de vordering 126nd Sv d.d. 24 mei 2013 gevraagde gegevens. Deze gegevens werden op een harde schijf opgeslagen. Vervolgens is [naam 1] begonnen met het selecteren van de gegevens. 3.3. Op 27 juni 2013 heeft, onder leiding van officier van Justitie mr. M.A.W. Mol van het Functioneel Parket Rotterdam, op grond van artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering, een doorzoeking plaatsgevonden op het bedrijfsadres van [naam 1], [adres, te plaats]. Daar en toen is de harde schijf in beslag genomen. 3.4. Op de harde schijf bevindt zich, aldus klaagster in het initiële klaagschrift, ongeveer één terabyte gegevens, bestaande uit 600 gigabyte e-mail data en 400 gigabyte-pc back-upgegevens. Het betreft onder meer de integrale inhoud van 60-70 e-mailboxen van [naam 1]-medewerkers over een periode van 8 ½ jaar. 3.5. Tijdens de behandeling in raadkamer op 15 november 2013 zijn door de officier van justitie en klaagster (werk)afspraken gemaakt omtrent de wijze van doorzoeken van de schijf met inachtneming van verschoningsrechten met betrekking tot geheimhouderstukken en met oog voor de proportionaliteit van de inbeslagneming. Deze afspraken zijn in het verkorte proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 15 november 2013 vastgelegd. 3.6. Desgevraagd hebben partijen in raadkamer van 19 februari 2015 bevestigd dat inmiddels in overleg onderzoek aan de harde schijf heeft plaatsgevonden naar stukken van vóór 28 januari 2011 met inachtneming van deze werkafspraken die goed werkbaar bleken en nog onverkort van kracht zijn. 3.7. Uit het proces-verbaal van ambtshandeling 0-AH-068c blijkt dat de inbeslagneming over de periode ná 28 januari 2011 – slechts hier nog in geding, zie hierna – betrekking heeft op ruim 1,2 miljoen e-mails. 4Inhoud klaagschrift 4.1. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster en rust op drie pijlers: 1. de onrechtmatige grondslag van de inbeslagneming, 2. de disproportionaliteit van de inbeslagneming en 3. de inbreuk op het verschoningsrecht van de advocaten van klaagster. 4.2. Het klaagschrift ziet thans alleen nog op de bestanden op de harde schijf voor zover het betreft de emails over de periode ná 28 januari 2011. 4.3.Er is derhalve thans – en wederom – in debat de vraag of onderzoek mag worden gedaan naar de harde schijf voor zover betreffende de stukken die ná 28 januari 2011 zijn geproduceerd (de 1,2 miljoen e-mails), omdat klaagster zich op het verschoningsrecht beroept. Daarnaast heeft klaagster de eerder in 2013 in raadkamer ingetrokken verweren aangaande disproportionaliteit en onjuiste grondslag van het beslag, bij de onderhavige behandeling in raadkamer opnieuw gevoerd en gehandhaafd. 4.4. De raadsman van klager heeft in raadkamer onder verwijzing naar het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. 4.4.1. De inbeslagneming van de harde schijf met daarop de e-mails van na 28 januari 2011 is onrechtmatig, omdat die e-mails daarop zijn verzameld onder de dwang van een vordering ex artikel 126nd Sv, terwijl deze bepaling de officier van justitie niet het recht gaf deze vordering – betrekking hebbende op integrale e-mailboxen – te doen. De inbeslagneming van de aldus verzamelde e-mailbestanden is daarmee bij gebreke van een wettelijke grondslag onrechtmatig te achten. Klaagster stelt voorop dat de bevoegdheid van artikel 126nd Sv geen legitimatie biedt voor het vorderen van “integrale mailboxen” van natuurlijke personen. Het is zonneklaar dat een mailbox van een werknemer talloze gegevens zal (kunnen) bevat ten die naar hun aard en inhoud zijn te kenschetsen als gegevens die in de toekomst zullen vallen onder het telecommunicatiegeheim, zoals dat moet worden gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet. Bij de huidige stand van het recht, zal de rechtsbescherming dienen te worden ontleend aan artikel 8 EVRM, in combinatie met de systematiek van het Wetboek van Strafvordering. In die systematiek wordt onderscheid gemaakt tussen “identificerende gegevens, “andere gegevens” en “gevoelige gegevens”. De inhoud van een mailbox valt onder de derde categorie, niet onder de tweede categorie. Een zo vergaande inbreuk op fundamentele rechten kan slechts geschieden op grond van een daartoe strekkende rechterlijke machtiging die hier ontbreekt. De onrechtmatigheid van deze machtsuitoefening resulterend in de inhoud van de harde schijf, maakt ook de daarop volgende inbeslagneming van die harde schijf onrechtmatig. 4.4.2. De inbeslagneming is disproportioneel. De vordering en de daarop volgende gegevensverzameling op de harde schijf gaat alle perken te buiten en staat evident niet meer in een redelijke verhouding tot hetgeen voor het onderzoek nuttig en nodig kan worden geacht. Herhaalde malen is de officier van justitie erop gewezen dat het gebrek aan concretisering van de vordering ertoe leidde dat een immense hoeveelheid vertrouwelijke, doch voor het overgrote deel voor het onderzoek volstrekt irrelevante, gegevens zou moeten worden verzameld en uitgeleverd. Het hoeft geen betoog dat een integrale mailbox van een individuele [naam 1]-medewerker over een reeks van jaren, uit de aard der zaak vertrouwelijke gegevens zal bevatten over alle cliënten waar die medewerker in die periode iets mee te maken heeft gehad, naast gegevens van meer persoonlijke aard et cetera. Een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.