vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/192254 / HA ZA 00-403 Vonnis van 8 april 2015 in de zaak van MR. JOHAN WIND in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ESTI Gevelelementen B.V., wonende te Middelburg, eiser, advocaat mr. J. Wind te Middelburg, tegen 1. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V., (voorheen: O.W.J. Schlencker Assuradeuren B.V.), gevestigd te Amsterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NATEUS NEDERLAND B.V. (voorheen Knight Scheuer Assuradeuren V.O.F.) gevestigd te Amsterdam, 3. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING NV, gevestigd te Amsterdam, 4. de naamloze vennootschap ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V. (voorheen: Royal Nederland Schadeverzekering N.V.), gevestigd te Rotterdam, 5. de naamloze vennootschap HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V. (voorheen: Hannover International Insurance (Nederland) N.V.), gevestigd te Rotterdam, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, BLOEMERS & CO. ASSURADEUREN B.V., gevestigd te Rotterdam, 7. de naamloze vennootschap NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, 8. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, 9. de naamloze vennootschap AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V. (voorheen: Fortis Corporate Insurance N.V.), gevestigd te Amstelveen, 10. de naamloze vennootschap GENERALI SCHADEVERZERKING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Diemen, gedaagden, advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam. Eisende partij zal hierna de curator worden genoemd. Gedaagden 1, 2 en 6 zullen hierna gezamenlijk de assuradeuren dan wel ieder afzonderlijk bij naam worden genoemd. Gedaagden 3, 4, 5, 7, 8, 9 en 10 zullen hierna gezamenlijk de verzekeraars worden genoemd. De failliet zal hierna worden aangeduid als Esti. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 18 mei 2011 zoals hersteld bij herstelvonnis van 7 september 2011, de akte uitlating bewijs van de curator met één productie, de akte overlegging producties van de verzekeraars, het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juli 2013, het proces-verbaal van contra-enquête van 5 maart 2014, de conclusie na getuigenverhoor van de curator met producties, de antwoordconclusie na getuigenverhoor van de verzekeraars. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling De bedrijfsschade 2.1. Bij tussenvonnis van 18 mei 2011 (hierna: het tussenvonnis), zoals hersteld bij herstelvonnis van 7 september 2011, heeft de rechtbank met betrekking tot de bedrijfsschade op grond van artikel 6.1 van de polisvoorwaarden een bedrag van € 122.814,71, vermeer-derd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 1996, toegewezen. Dit bedrag ziet op de in de eerste 13 weken geleden schade. Vervolgens heeft de rechtbank – overeenkomstig het tussenvonnis van 23 december 2009 – overwogen dat de uitkering van de bedrijfsschade niet tot 13 weken beperkt blijft indien de staking van het bedrijf enkel en alleen een gevolg is van de weigering van de verzekeraars tot voorlopige uitkering over te gaan. De curator is daarop opgedragen te bewijzen dat de staking van het bedrijf Esti enkel en alleen het gevolg was van de weigering van verzekeraars om tot dekking over te gaan. 2.2. De curator heeft ter voldoening aan zijn bewijsopdracht een rapport van drs. ir. E.J. van der Schoot (hierna: Van der Schoot) gedateerd op 23 maart 2012 in het geding gebracht. De curator heeft daarnaast Van der Schoot en [naam 1] van Esti) als getuigen doen horen. 2.3. De verzekeraars hebben in reactie hierop een rapport van dr. J. Joling RA (hierna: Joling) met een daarbij behorend begeleidend schrijven, beide gedateerd op 11 februari 2014, in het geding gebracht. Voorts hebben de verzekeraars in contra-enquête mr. P.J.M. Drion (advocaat van de verzekeraars) en Joling doen horen. 2.4. Partijen hebben vervolgens beide een conclusie na enquête genomen. Hetgeen partijen in deze conclusies naar voren hebben gebracht, alsmede hetgeen in het kader van de bewijslevering in het geding is gebracht, komt – voor zover voor de beslissing van belang – in het navolgende aan de orde. 2.5. De rechtbank constateert allereerst dat beide partijen in hun conclusies na enquête zich hebben uitgelaten over de vraag hoe de aan de curator gegeven bewijsopdracht moet worden uitgelegd. De rechtbank overweegt dat de bewijsopdracht er in de kern toe strekt dat de curator dient te bewijzen dat Esti het gered zou hebben – in de zin dat zij niet failliet zou zijn gegaan – als de verzekeraars op tijd, dat wil zeggen binnen een redelijke termijn na de brand, tot uitkering over waren gegaan. Dat betekent dat het, hoewel in de bewijsopdracht is opgenomen dat bewezen dient te worden dat het faillissement enkel en alleen het gevolg is van de weigering van de verzekeraars om tot dekking over te gaan, het er met name om gaat of op basis van het door de curator aangedragen bewijs kan worden geoordeeld dat er kort voor de brand geen (andere) faillissementsindicatoren aanwezig waren. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen. 2.6. De rechtbank stelt voorop dat in het door [naam 1] opgestelde ondernemingsplan gedateerd op 7 april 1995 – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen: “(…) ALGEMEEN (…) Aangezien Esti gefinancierd wordt door een bancair krediet gelijk aan 50% van het jongste debiteurenbestand, alsmede door haar crediteuren, is van meet af aan duidelijk dat de financiële basis gerelateerd aan haar omzet te smal is. De financiering van de bovengenoemde investeringen [een investering van NLG 700.000 in het machinepark, computers en software, rechtbank] worden dan ook nagenoeg volledig opgebracht door het niet betalen van de fiscale verplichtingen. Een en ander resulteert in het leggen van bodembeslag door de fiscus (…). Er wordt door de nieuwe directie met de fiscus een voorlopige afbetalingsregeling getroffen voor de oude fiscale schulden van Esti. (…) De financiële herstructurering dient het mogelijk te maken dat: (…) de vermogenspositie van ESTI weer gezond wordt (…) COMMERCIELE ZAKEN (…) Een en ander resulteert in een sterke toename van de orderportefeuille. Tevens worden wijzigingen doorgevoerd in de organisatie waardoor de nodige interne verbeteringen optreden. ESTI blijft echter voortdurend geconfronteerd met de problemen uit het verleden, waardoor een financieel te krappe basis voor het voortbestaan van de onderneming blijft bestaan. (…) FINANCIEEL (…) Bij de doorstart van de onderneming is onvoldoende rekeninggehouden met de voor een onderneming als Esti noodzakelijke solvabiliteit en liquiditeit. (…) De onderneming beschikte over geen enkel eigen vermogen.(…)De financiële situatie is van dien aard dat Esti in een negatieve spiraal blijft zitten, welke slechts kan worden doorbroken door het aantrekken van nieuw eigen vermogen en een totale herfinanciering van de onderneming. (…) 4.2 FINANCIËLE GEGEVENS De financiële positie van ESTI in de jaren 1993, 1994 en 1995 is uiterst zorgwekkend. De gevolgen hiervan: 1. Grote lasten bij de fiscus 2. Verliessituatie in de jaren 1993 en 1994 3. Negatief eigen vermogen 4. Voorzichtigheid in handelen door banken en crediteuren. (…) Door de moeilijke financiële situatie is het echter noodzakelijk om omzichtig te handelen; een snelle inning van debiteuren, de daaraan gekoppelde snelle betaling van crediteuren om nieuwe leveranties mogelijk te maken immers; De leveranciers hebben hun leveringen beperkt tot maximale quota. Daarnaast staan de continue onderhandelingen met banken, fiscus en bedrijfsvereniging. (…) 5.0 STERKTE / ZWAKTE ANALYSE (…) 5.1 FINANCIEEL Tot en met heden wordt “ESTI” geplaagd door grote liquiditeitsproblemen. Er is een gebrek aan voldoende eigen vermogen en er zijn met name bij de fiscus te grote schulden. (…) Conclusie is duidelijk dat Esti op financieel gebied zeer zwak scoort. (…) 7. DOELSTELLINGEN (…) 7.1 FINANCIEEL (…) Essentieel (…) is het versterken van het eigen vermogen op korte termijn en het verbeteren van de liquiditeitspositie. (…) Het blijft dan ook essentieel om door middel van het aantrekken van een externe participant de liquiditeit te vergroten. (…) 8. CONCLUSIES (…)Het voornaamste knelpunt is steeds de precaire financiële situatie geweest. Zolang de financiële structuur van het bedrijf niet is verbeterd, blijft het echter onmogelijk om tot een structureel gezonde situatie te geraken. Het aantrekken van nieuw eigen vermogen dient dan ook de eerste doelstelling op korte termijn te zijn. (…) De belangrijkste conclusie ten aanzien van de financiering blijft de noodzaak tot het aantrekken van nieuw eigen vermogen. Gezien het feit dat de onderneming in de kern levensvatbaar is en beschikt over een aantal verborgen reserves moet het aantrekken van eigen vermogen zeer wel mogelijk zijn. (…)” 2.7. De rechtbank acht voorts van belang dat het ondernemingsplan drie weken voor de brand is opgesteld door de degene die op dat moment bij uitstek bekend was met de (financiële) situatie van Esti, namelijk de toenmalig directeur van Esti. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het ondernemingsplan dat de financiële situatie van Esti kort voor de brand zeer zorgwekkend was en dat zonder het aantrekken van nieuw eigen vermogen gevolgd door een totale herfinanciering van de onderneming de ongezonde financiële situatie van Esti niet verbeterd zou kunnen worden. 2.8. Bij het voorgaande komt dat kort voor de brand
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.