vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/569607 / HA ZA 14-736 Vonnis van 10 juni 2015 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CDK HOLDING B.V., gevestigd te Kaatsheuvel, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2] , gevestigd te [plaats] , eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat: mr. J.A. Endtz te Amsterdam (in de plaats van mr. LG. Meijer te Amsterdam), tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] , gevestigd te [plaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] B.V., gevestigd te [plaats] , gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat: mr. T. Berendsen te Den Bosch. Partijen zullen hierna CDK, [eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 juli 2014, met producties, de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 10 september 2014, met producties, het tussenvonnis van 24 september 2014 waarin een comparitie van partijen is bepaald, het proces-verbaal van comparitie van 11 februari 2015, en de daarin vermelde stukken, de akte uitlaten proces-verbaal van 18 maart 2015, aan de zijde van CDK en [eiser 2] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. CDK wordt feitelijk bestuurd door de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] en exploiteert kledingwinkels. [gedaagde 1] wordt bestuurd door de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] en exploiteert een eigen kleding- en accessoirelijn (merk: [merk] , by [naam 4] ). [gedaagde 2] is een vennootschap die wordt gecontroleerd door [naam 3] en [naam 4] . 2.2. CDK en [gedaagde 1] hebben vanaf april 2013 onderhandeld over een samenwerking vanuit een nieuw op te richten vennootschap (‘Newco’) waarin CDK en [gedaagde 1] elk voor 50% zouden gaan deelnemen. CDK en [gedaagde 1] zijn in grote lijnen de volgende samenwerking overeengekomen: Newco zal een monobrand store voor [merk] -kleding exploiteren in een door CDK gehuurd bedrijfspand aan de [adres] (waarin CDK in april 2013 nog een eigen kledingwinkel met eigen personeel exploiteerde); CDK blijft huurder van het pand en blijft werkgever van het personeel; [gedaagde 1] zal de [merk] -kleding aan Newco verkopen en leveren; [gedaagde 1] zal ten behoeve van de samenwerking een licentie op het gebruik van haar handelsnaam en het merk [merk] , by [naam 4] verlenen; CDK zal de vaste lasten doorberekenen aan Newco (huur, personeelskosten, energiekosten e.d.); CDK wordt benoemd tot bestuurder van Newco. 2.3. In september 2013 is de monobrand store geopend en hebben partijen uitvoering gegeven aan de overeengekomen samenwerking, met dien verstande dat: de nieuwe vennootschap (‘Newco’) op 22 oktober 2013 is opgericht, zijnde [eiser 2] ; [gedaagde 2] (in plaats van [gedaagde 1] ) mede-oprichter en mede-aandeelhouder van [eiser 2] is geworden, waartegen CDK destijds geen bezwaar heeft gemaakt. 2.4. Partijen zijn doende geweest om hun samenwerking schriftelijk vast te leggen, maar dit proces is nooit voltooid. In mei 2013 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] een (tweede) concept opgesteld van een “overeenkomst tussen [ [gedaagde 1] ] en [CDK] en [Newco] inzake het aandeelhouderschap en de samenwerking binnen [ Newco]” (hierna: het mei-concept). Dit concept is op 24 mei 2013 aan [naam 1] en [naam 3] gezonden. Daarna hebben partijen nog met elkaar gesproken en e-mails uitgewisseld. Ten slotte is in november 2013 een gewijzigde versie van het mei-concept opgesteld door [naam 3] (al dan niet samen met [naam 1] ). Partijen hebben in het kader van de samenwerking uiteindelijk nooit een overeenkomst ondertekend. 2.5. Over de verkoopprijs die [gedaagde 1] , als kledingleverancier, aan ‘Newco’/ [eiser 2] zou gaan rekenen is het volgende gewisseld. 2.5.1. In het mei-concept staat in artikel 3.1: “(…) [gedaagde 1] zal de Collecties van het Merk aan Newco verkopen en leveren tegen een prijs gelijk aan de kostprijs. Tussen Partijen is genoegzaam bekend wat de kostprijs is.” en in artikel 9.1: “In het kader van de financiële afspraken zoals vastgelegd in deze Overeenkomst verlenen Partijen over en weer elkaar het recht, welk recht hierbij wordt geaccepteerd, om [twee]maal per jaar (in voetnoot: Of per collectie? Of na het vaststellen van de jaarrekening?) de aan Newco in rekening gebrachte bedragen te (laten) controleren. (…)” en in artikel 13.2: “Mede in verband met de door CDK gedane investering in de samenwerking, zal [gedaagde 1] gedurende de duur van deze Overeenkomst eerst CDK het recht geven om tegen voorwaarden gelijk als vastgelegd in deze Overeenkomst deel te nemen in de opzet en exploitatie van een tweede monobrand store, indien door [gedaagde 1] wordt besloten tot het openen van een tweede monobrand store.” 2.5.2. Bij e-mail van 9 juni 2013 heeft [naam 1] de volgende opmerking bij artikel 3.1 gemaakt: “Kostprijs omschrijven; kostprijs is de fabricageprijs plus shipping and handling resulterend in een 5.0 calculatie (grosso modo) t.o.v. de door NP opgegeven detailhandelsprijs.” 2.5.3. Bij e-mail van 10 juni 2013 heeft [naam 3] het volgende aan [naam 1] geschreven: “Ben er zelf even doorheen gegaan. De meeste zaken komen we wel uit. Mijn grootste pijnpunt zit hem in jullie opmerking t.a.v. 5.4. Kun jij daar ook nog even over nadenken? (…)” en vervolgens achter het commentaar van [naam 1] bij artikel 3.1 geschreven (in een andere kleur): “Inkooppprijs van [gedaagde 1] + S&H” Artikel 5.4 waaraan [naam 3] in de e-mail refereert, heeft betrekking op de termijn waarbinnen [gedaagde 1] door Newco moet worden betaald. 2.6. Op 27 juni 2013 heeft [naam 1] per e-mail aan [naam 3] bericht: “Kreeg je gisteren en zo net niet te pakken, heb het contract met Meijer besproken, geen schokkende zaken, 50 % aansprakelijkheid order ok, art 12 iets andere opzet maar dat lukt wel tussen van der Zwan en Meijer (…)” Vervolgens heeft [naam 3] dezelfde dag per e-mail aan [naam 1] geantwoord: “Wij hebben ook nogmaals de contractvoorwaarden met elkaar besproken. Er is 1 punt waar we op willen terugkomen en dit betreft de verkoopprijs van [gedaagde 1] aan de winkel. Wij hebben gesproken over een marge van 5.0 als afgeleide van de inkoopprijs + onze kosten. Na afsluiting van het huidige seizoen hebben wij gemerkt dat onze werkelijke kosten voor de collectie veel meer omvatten dan alleen de inkoop + transport. Er zijn veel verborgen kosten voor ons, ik noem een aantal voorbeelden: upcharge van de fabrikant als wij de minimale productieaantallen niet halen maar het artikel wel willen laten doorgaan (dit is soms wel 30% extra), kosten van retouren en omruilingen tijdens het seizoen (is heel erg de spuitgaten uitgelopen), B-keuzes (tot 7% reclameren wij niet bij de producent), valutarisico voor inkopen in USD, etcetera. Het bovenstaande betekent dat wij op basis van onze huidige calculaties in eerste instantie verlies gaan leiden op de verkopen aan de winkel. De komende collecties willen wij onze eigen marge langzaam iets verhogen. Dit willen wij hoofdzakelijk bereiken door goedkoper in te kopen omdat onze afname-aantallen groeien. Dit inkoopvoordeel hebben wij nodig voor onze eigen bedrijfsvoering. Wat voor ons verder speelt is dat wij niet in een situatie willen belanden waarin wij jullie inzage in onze boeken moeten geven om voor ieder artikel te controleren wat onze marge nu werkelijk is. Het is voor ons niet wenselijk om alle inkoopkanalen, condities en afspraken bloot te leggen. Het bovenstaande afwegende willen wij in het contract de afspraak zo maken dat wij aan de winkel gaan leveren voor een fixed marge van 5.0 en is het verder aan ons om te zorgen dat wij kostendekkend draaien. Hierop moeten wij alleen een uitzondering maken voor een aantal artikelen waarop wij een substantieel lagere basismarge maken om 5.0 te kunnen geven. Op dit moment geldt dit voor de lederen artikelen (leren jassen, leren broeken). Hierop kunnen wij nu 4.0 geven. Onze aantallen zijn nog te laag (dit is ons eerste seizoen met lederen artikelen) waardoor wij duur moeten inkopen. Bij 5.0 worden wij te duur in de winkel t.o.v. onze concurrenten (Supertrash, Ibana, Goosecraft, etc). Wij zijn nog in beraad met de leveranciers om te kijken naar andere leerkwaliteiten of naar alternatieve leveranciers. Maar voor nu is ons leer nog te duur. Wij zullen per collectie duidelijk vooraf aangeven op welke artikelen wij geen 5.0 kunnen geven. (…)” Daarop heeft [naam 1] diezelfde dag aan [naam 3] gemaild: “(…) Prima zo hoor, ook als er iets zou zijn wat een soort try out is (bijv. vintage horloges) (LOL) hoeft het zelfs geen 4.0. te zijn, we’re in it together, dus jullie moeten er ook qua collectie input wat aan hebben, dat voor de reguliere collectie 5.0 wordt aangehouden is en was het uitgangspunt en daar moet een gezonde [store] mee neer te zetten zij. (…)” 2.7. [gedaagde 1] is aan [eiser 2] gaan leveren en factureren voor een prijs die neerkomt op 20% van de consumentenverkoopprijs (marge 5.0) voor reguliere artikelen, en 25% van de consumentenverkoopprijs (marge 4.0) voor lederen artikelen. 2.8. [eiser 2] heeft een aantal van deze facturen zonder protest voldaan. [eiser 2] heeft, met instemming van [gedaagde 1] , een aantal keer facturen of pakbonnen gecorrigeerd, zodanig dat deze in overeenstemming werden gebracht met de hiervoor in 2.7 vermelde marges. 2.9. Bij e-mail van 5 oktober 2013 legde [naam 1] een aantal administratieve kwesties aan [naam 3] voor. Verder zette [naam 1] uiteen dat er meer voorraad moet komen, omdat er te vaak ‘nee’ aan klanten moet worden verkocht. [naam 1] schrijft dienaangaande: (…) gisteren heeft [naam 5] 4 A4tje’s vol geschreven met artikelen die zeker verkocht hadden kunnen worden indien deze voorradig waren geweest, op basis van de afgelopen verkoopperiode zou volgens de huidige gegevens en met voldoende voorraad een jaaromzet van EU 1.500.000,- (incl. BTW) realiseerbaar moeten zijn dat betekend een bruto inkoop van EU 600.000,- netto EU 300.000,- (m.u.v. het leer dat calculatie 4 heeft) (…) 2.10. Bij brief van 28 mei 2014 heeft mr. Van der Zwan , de toenmalige advocaat van [gedaagde 2] , CDK aansprakelijk gesteld voor schade alsmede gesommeerd tot nakoming van verplichtingen. De advocaat schrijft: “Als bestuurder van [eiser 2] is [CDK] verplicht zich conform het bepaalde in artikel 2:8 BW en atikel 2:9 BW te gedragen. Tevens dient een bestuurder ten opzichte van een aandeelhouder van de vennootschap waarvan zij bestuurder is, niet in strijd te handelen met artikel 6:162 BW. Beide normen zijn door [CDK] als bestuurder van [eiser 2] jegens cliënte als aandeelhouder overtreden, waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad.” In de brief worden vervolgens de verwijten aan CDK beschreven, samengevat: door [gedaagde 1] aan [eiser 2] geleverde kleding wordt gedeeltelijk verkocht in een andere winkel dan de monobrand store, namelijk een door CDK geëxploiteerde winkel elders in de stad. Het gevolg is dat [eiser 2] omzet misloopt en dat [gedaagde 1] inkomsten misloopt omdat zij nu in wezen aan een derde partij een – zeer hoge – marge van 5.0 c.q. 4.0 geeft, waar zij dat normaal gesproken niet zou doen; CDK heeft toegestaan dat [eiser 2] een bedrag van € 38.750,00 heeft betaald aan een derde, namelijk een door CDK gecontroleerde vennootschap, terwijl voor die betaling geen grondslag was. 2.11. Bij brief van 28 mei 2014 heeft mr. Van der Zwan , de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] , aan [eiser 2] bericht dat een aantal facturen ter zake geleverde kleding ook na aanmaning onbetaald zijn gebleven, en heeft zij [eiser 2] gesommeerd het openstaande factuurbedrag alsmede de buitengerechtelijke kosten binnen vier dagen te voldoen. Voorts is in deze brief vermeld dat [gedaagde 1] intussen haar leveringsverplichtingen aan [eiser 2] opschort. Een brief met gelijke strekking is op 4 juni 2014 door mr. Van der Zwan aan [eiser 2] gezonden. 2.12. Bij brief van 20 juni 2014 heeft mr. Van der Zwan een verklaring van ontbinding gedaan aan mr. Meijer , de toenmalige advocaat van CDK en [eiser 2] : “Betreft: [ [gedaagde 1] ] en [ [gedaagde 2] ] / [CDK] c.s. (…) [ [gedaagde 1] ] heeft goederen geleverd aan [eiser 2] . Deze goederen worden ten onrechte onbetaald gelaten. (…) (…) Voor de volledigheid wordt hierbij de samenwerking tussen partijen ontbonden per heden met betrekking tot alle toekomstige verplichtingen. De samenwerking ziet op het gezamenlijk exploiteren van de monobrand winkel aan de [adres] . De samenwerking ziet daarmee ook op de levering van de goederen aan deze winkel. Nu de afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst – zie de diverse brieven gedateerd 28 mei 2014 – toerekenbaar niet worden nagekomen, dan wel nu de nakoming van diverse verplichtingen blijvend onmogelijk is, komen cliënten (zowel [ [gedaagde 1] ] als [ [gedaagde 2] ] het recht toe om de samenwerking te ontbinden. Het gevolg hiervan is dat alle samenhangende overeenkomsten mede als ontbonden beschouwd moeten worden. Zo ook de overeenkomst tot levering van de winterorder. Los van voornoemde consequentie, bestaan er thans diverse vorderingen op uw cliënten inzake schadevergoeding. (…)” 3Het geschil in conventie 3.1. CDK en [eiser 2] vorderen, steeds voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad verklaard: I verklaring voor recht dat partijen bij de samenwerkingsovereenkomst van 24 mei 2013, inclusief de aanmerkingen van 9 en 10 juni 2013 zijn: [gedaagde 1] en CDK, alsmede verklaring voor recht dat ook [gedaagde 2] aan die overeenkomst is gebonden; II verklaring voor recht dat de inhoud van hetgeen tussen partijen [gedaagde 1] en CDK is afgesproken, wordt bepaald door de inhoud van het concept van 24 mei 2014 (rechtbank: bedoeld wordt 24 mei 2013) en hetgeen partijen ten aanzien van de inhoud van het concept nader hebben vastgelegd in de mail van 9 en 10 juni 2013, meer in het bijzonder ten aanzien van: de prijzen die [gedaagde 1] aan [eiser 2] mag en dient te berekenen, dat wil zeggen de fabricageprijs te vermeerderen met de kosten van shipping en handling; het recht van inzage, aldus dat aan CDK het recht toekomt inzage te hebben in de boeken van [gedaagde 1] ; het optierecht, aldus dat aan CDK het recht toekomt om te participeren in een te openen monobrandstore op gelijke wijze en tegen dezelfde voorwaarden als in de samenwerkingsovereenkomst van 24 mei 2013 is overeengekomen; III veroordeling van [gedaagde 1] om aan CDK op eerste daartoe strekkende verzoek van CDK volledige openheid en inzage in haar boeken te geven, een en ander als voorzien in artikel 9 van de samenwerkingsovereenkomst van 24 mei 2013, zulks op straffe van een dwangsom van € 250.000,-- in geval van weigering door [gedaagde 1] aan deze veroordeling uitvoering te geven; IV veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan [eiser 2] van hetgeen [gedaagde 1] zal blijken meer te hebben gefactureerd aan [eiser 2] dan de overeengekomen inkoopprijs plus kosten van shipping en handling; V veroordeling van [gedaagde 1] om aan [eiser 2] de door [eiser 2] geplaatste (en door [gedaagde 1] geaccepteerde) orders voor levering van de wintercollectie tijdig uit te leveren, zulks op straffe van een dwangsom van € 250.000,--, indien [gedaagde 1] de geplaatste order niet, niet geheel en/of te laat uitvoert; VI veroordeling van [gedaagde 1] tot nakoming van de met CDK overeengekomen looptijd van de samenwerkingsovereenkomst, bij gebreke waarvan [gedaagde 1] jegens CDK schadeplichtig zal zijn; VII een verbod aan [gedaagde 1] om een monobrandstore in Amsterdam te vestigen zonder tevoren aan CDK aan te bieden daarin te participeren op dezelfde wijze als in de samenwerkingsovereenkomst van 24 mei 2013 bepaald, en/of bij zodanige oprichting direct of indirect betrokken te zijn en/of aan enige in Amsterdam door derden te stichten monobrandstore artikelen van het merk [merk] te leveren, zulks op straffe van een dwangsom van € 420.000,-- in geval van overtreding van dit verbod; VIII veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten. 3.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen, steeds voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad verklaard: I veroordeling van [eiser 2] tot betaling aan [gedaagde 1] van € 148.250,00, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de gewone wettelijke rente over een bedrag van € 125.419,23 vanaf 11 september 2014 tot de dag der algehele voldoening; II verklaring voor recht dat CDK toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.