RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/654179-14 Datum uitspraak: 1 april 2015 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, verblijvende te [verblijfadres] , [verblijfplaats] , zijnde hetdetentieadres, gedetineerd in het huis van bewaring “ [naam] ”. 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 18 maart 2015. 1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.G.T. Kramer, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. T.P. Schut, naar voren hebben gebracht. 2Tenlasteleggin g Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 19 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (haar kind) [naam kind] (geboren op [geboortedatum] ) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - op die [naam kind] is gaan zitten en/of boven het lichaam van die [naam kind] heeft gehangen en/of - ( vervolgens) haar, verdachtes, hand(
- en)(met kracht) op/tegen/over/om de mond en/of het gezicht en/of het hoofd en/of de keel/hals, in elk geval het lichaam, van die [naam kind] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of de mond en/of keel/hals van die [naam kind] heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden; Subsidiair: zij op of omstreeks 19 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te weten [naam kind] (geboren op [geboortedatum] ), - op die [naam kind] is gaan zitten en/of boven het lichaam van die [naam kind] heeft gehangen en/of - ( vervolgens) haar, verdachtes, hand(
- en)(met kracht) op/tegen/over/om de mond en/of het gezicht en/of het hoofd en/of de keel/hals, in elk geval het lichaam, van die [naam kind] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of de mond en/of keel/hals van die [naam kind] heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs De rechtbank acht het feit bewezen zoals hierna onder punt 5 vermeld. De rechtbank overweegt als volgt. De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken nu niet bewezen kan worden dat er sprake is van opzet op de dood, dan wel van opzet op het toebrengen van letsel of pijn. Het is onduidelijk wat getuige [naam getuige 1] precies heeft gezien; één hand op de mond, beide handen op de keel of beide handen op het hoofdje van [naam kind] ? De letselverklaring is te summier, terwijl niet duidelijk is wanneer het letsel is ontstaan; wellicht is dit gebeurd toen verdachte haar dochter uit bed haalde. Door de psychose van verdachte was bovendien ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen afwezig, aldus de raadsman. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte heeft gepoogd haar dochter [naam kind] (hierna: [naam kind] ) van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte opzettelijk gehandeld. Hierbij is de verklaring van getuige [naam getuige 1] van belang, evenals de letselverklaring, die inhoudt dat [naam kind] “duidelijk krasletsel” in de hals had – “passend bij insnoerend geweld” – en “puntbloedingen in het gelaat, passend bij het afknijpen of beknellen van de hals”. Uit de verklaringen van [naam getuige 1] en de moeder van verdachte, [naam moeder] , volgt dat verdachte – na de interventie van [naam getuige 1] – heeft geroepen “mijn baby is dood” en/of “is ze dood?”. Hieruit blijkt dat verdachte, ondanks haar psychische toestand, wist dat er mogelijk iets vreselijks was gebeurd. Niet alleen betekent zulks dat opzet op de dood van [naam kind] kan worden aangenomen, maar ook dat er bij verdachte sprake was van enig inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Uit de verklaringen van [naam getuige 1] en de moeder van verdachte, [naam moeder] , volgt dat [naam kind] zelf uit bed is gegaan en naar verdachte is toegelopen. Het letsel kan naar het oordeel van de rechtbank dus niet zijn ontstaan bij het uit bed halen van [naam kind] of op een ander moment dan ten tijde van het bewezen geachte geweld. Het verweer wordt verworpen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: op 19 juli 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar kind [naam kind] (geboren op [geboortedatum] ) van het leven te beroven, met dat opzet - boven het lichaam van die [naam kind] heeft gehangen en - haar, verdachtes, hand(
- en)op de mond en de keel van die [naam kind] heeft gedrukt en gedrukt gehouden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8De strafbaarheid van verdachte 8.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. 8.2 Het standpunt van de verdediging Ook de raadsman heeft betoogd dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft kennis genomen van het multidisciplinair gedragskundig pro justitia onderzoek d.d. 29 januari 2015 van J. Yntema, GZ-psycholoog, I. Maksimovic, psychiater en M.L. van der Wielen, forensisch milieuonderzoeker. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd. Op grond van de anamnese en van de gerechtelijke stukken kan worden gesteld dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een kortdurende psychose. Ten tijde van deze psychose had betrokkene geen controle over haar gedrag. Haar keuzes en beslissingen werden door haar psychotische belevingen aangestuurd. Zo was zij overtuigd dat haar kind bezeten is en dat zij de duivel die in het kind zat moest uitdrijven. Hoogstwaarschijnlijk was dat de reden voor het plegen van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen. Vanuit haar ernstig gestoord realiteitsbesef reageerde zij fysiek agressief naar haar kind. Geconcludeerd kan worden dat betrokkene voor het ten laste gelegde (indien bewezen) op grond van deze kortdurende psychose als ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De rechtbank neemt deze conclusie over. Het bewezen geachte kan verdachte derhalve wegens de haar overkomen psychose niet worden toegerekend. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 9Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Leijten, voorzitter, mrs. A.B.M. Wijnveldt en W.M. van den Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 april 2015.