vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/571694 / HA ZA 14-867 Vonnis van 10 juni 2015 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat: mr. A. Willemsen te Harderwijk, tegen 1. de maatschap [gedaagde sub 1] , gevestigd te [plaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] , gevestigd te [plaats], 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 3] , gevestigd te [plaats], 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 4] , gevestigd te [plaats], 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 5] , gevestigd te [plaats], gedaagden, advocaat: mr. dr. J.G.F.M. Hoffmans te Den Haag. Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna tezamen [gedaagden gezamenlijk] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 17 december 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast, het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2015. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is sinds [datum] werkzaam bij de politie Flevoland. 2.2. Op 21 juli 2009 heeft zich een incident voorgedaan dat ertoe heeft geleid dat de korpsbeheerder op 20 januari 2010 aan [eiser] een disciplinaire straf (plaatsing in een lagere salarisschaal) alsmede een maatregel (overplaatsing naar een andere functie) heeft opgelegd. 2.3. Het strafbesluit van 20 januari 2010 luidt voor zover hier van belang als volgt: “(…) Op 18 december 2009 is het voornemen tot het opleggen van de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal aan u uitgereikt (…). Ik verwijs naar dit voornemen en beschouw de inhoud hiervan als herhaald en ingelast. Sinds 1 januari 2001 bent u aangesteld bij de meldkamer van politie Flevoland. U bent werkzaam als senior medewerker meldkamer en heeft de rang van brigadier. Op 27 juli 2009 werd de groepschef van de meldkamer aangesproken door een collega. Deze collega gaf aan dat u op 21 juli 2009 een burger had uitgescholden. Deze melding vormde grond om de voicelogging van de meldkamer uit te luisteren. De groepschef heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapportage. Op basis van deze rapportage heeft de plaatsvervangend divisiechef ondersteuning op 14 augustus 2009 besloten aan u buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging te verlenen. Tevens werd in dit besluit aangegeven dat de divisieleiding zich zou gaan beraden over uw aanstelling. Dit besluit is op 17 augustus 2009 aan u uitgereikt. U erkende dat u fout had gehandeld en bood aan uw excuses te maken aan de burger die u onheus te woord had gestaan. I Resultaten disciplinair onderzoek Op 2 september 2009 heeft de plaatsvervangend divisiechef ondersteuning besloten een disciplinair onderzoek tegen u in te stellen. Op 15 september 2009 is de aanzegging van het disciplinair onderzoek aan u uitgereikt. Verhoor 24 september 2009 Op 24 september 2009 bent u als betrokkene gehoord. U verklaarde dat u op 21 juli 2009 een burger had uitgescholden. U verklaarde dat dit niet professioneel was geweest. De burger in kwestie, een verwarde man, had al vaker via 112 naar de meldkamer gebeld. U had de 112-centrale in Driebergen inmiddels gemeld dat sprake was van 112-misbruik. De verwarde man schold meerdere malen medewerkers van de meldkamer, waaronder u, uit. Verder verklaarde u dat uw vader in mei 2009 was overleden en dat u ten gevolge daarvan minder goed in uw vel zat. U verklaarde dat u de man had uitgescholden omdat u wilde bereiken dat de man niet meer zou bellen. Dit was volgens u ook gelukt, aangezien de man niet meer had gebeld nadat u hem had uitgescholden. U kon het zich niet herinneren dat u tijdens of na de dienst op uw gedrag was aangesproken door collega’s. Verhoor getuige [getuige 1] Op 28 september 2009 werd als getuige gehoord, collega [getuige 1]. Zij verklaarde dat zij op 21 juli 2009 samen met u en getuige [getuige 2] een ochtenddienst had op de meldkamer. Tevens was aanwezig [getuige 3] van de meldkamer brandweer. Zij verklaarde dat zij het voorval later had besproken met [getuige 3] en dat laatstgenoemde had aangegeven dat het goed was dat [getuige 1] u na het voorval had aangesproken. [getuige 1] verklaarde verder dat in de overdrachtsmap een aantekening zat waaruit bleek dat een man op 20 juli 2009 herhaaldelijk nodeloos naar 112 had gebeld. U had naar aanleiding daarvan een melding misbruik-112 gemaakt. Op 21 juli 2009 belde de verwarde man vrijwel vanaf het begin van de dienst naar de meldkamer. Omstreeks 10.13 uur kreeg u de verwarde man wederom aan de lijn. Tijdens dit gesprek werd de man door u onheus bejegend. Getuige [getuige 1] verklaarde tot slot dat zij u na het incident had aangesproken op uw gedrag. Verhoor getuige [getuige 2] Op 1 oktober 2009 werd als getuige gehoord, collega [getuige 2]. Hij verklaarde dat hij op 21 juli 2009 met getuige [getuige 1] en u een ochtenddienst had. Hij verklaarde dat het uw en zijn laatste dienst was voor uw beider vakantie. Hij verklaarde verder dat hij van het incident niets had meegekregen. Verhoor getuige [getuige 4] Op 7 oktober 2009 werd als getuige gehoord, collega [getuige 4]. Hij verklaarde dat hij gedurende langere periode met u heeft samengewerkt en dat u, mits u goed in uw vel zit, één van de beste centralisten bent die hij kent. Hij verklaarde dat u plotseling een woedeaanval kan krijgen op het moment dat zaken niet lopen zoals u wilt en dat u in het verleden aan [getuige 4] gevraagd heeft u aan te spreken indien u dreigde te ontploffen. Verhoor getuige [getuige 5] Op 9 oktober 2009 werd als getuige gehoord uw leidinggevende, [getuige 5]. Hij verklaarde dat u, op het moment dat hij groepschef werd, in een ontwikkelingstraject zat om door te groeien naar senior medewerker meldkamer. Hij verklaarde dat u erom bekend staat dat u kunt ontploffen. Hij had gehoopt dat u na het overlijden van uw vader wat milder zou worden, maar merkte dat u na enige tijd weer terugviel in uw oude gedrag. Hij verklaarde dat u alles in u heeft om een goede senior medewerker te zijn. Wel had hij met u meerdere gesprekken gehad over uw houding en gedrag. Op 27 juli 2009 was [getuige 5] door collega [getuige 1] op de hoogte gebracht van het incident van 21juli 2009. Uitluisteren CD-rom Op 13 oktober 2009 heeft een medewerker van de afdeling BVI de CD-rom met voiceloggings uitgeluisterd. Op de CD-rom bevinden zich dertien gesprekken. In de eerste drie gesprekken met de verwarde man verwijst collega [getuige 1] de man naar diverse instanties binnen de gezondheidszorg, omdat de man aangeeft last te hebben van stemmen in zijn hoofd. In het vierde gesprek scheldt de verwarde man u uit voor “mother fucker”. In het vijfde gesprek is te horen dat u de 112-centrale in Driebergen vraagt om misbruik-112 in kennis te stellen. In het zesde gesprek tussen [getuige 1] en de verwarde man geeft [getuige 1] aan de verbinding te verbreken. In het zevende gesprek geeft de 112-centrale in Driebergen aan dat misbruik-112 in kennis is gesteld. Tevens wordt gemeld dat collega’s van een ander korps bij de verwarde man op bezoek zijn geweest en hem gewaarschuwd hebben. In het achtste en negende gesprek geeft [getuige 1] aan de verbinding te verbreken. In het tiende gesprek scheldt de verwarde man [getuige 1] uit voor “mother fucker”. In het elfde gesprek geeft de verwarde man u aan dat hij stemmen in zijn hoofd hoort en vraagt u waar hij moet klagen. U vertelt de verwarde man dat deze bij de plaatselijke politie moet zijn. Vervolgens geeft de verwarde man aan dat de dokter tegen hem heeft gezegd dat hij uitgeprocedeerd is. U reageert daarop met de opmerking dat de man dan het land uit moet gaan. Vervolgens wordt u uitgescholden voor “mother fucker” en “klootzak”. Daarop geeft u aan dat de man een proces-verbaal zal krijgen voor het misbruik van het alarmnummer 112. De verwarde man zegt daarop nog iets over stemmen in zijn hoofd. U reageert als volgt: “Ga terug naar je Egyptische woestijn, stomme stink Marokkaan of wat dan ook wat je bent. Val ons niet lastig zoek het fijn uit. Dit land is veel te gastvrij voor sukkels en uitzuigers zoals jij. Ga een vliegtuig pakken en stort fijn neer, dag”. In het twaalfde gesprek scheldt de verwarde man u uit voor “klootzak” en “bastaard”. U reageert als volgt: “Ga op je mat liggen en bidden naar het oosten naar Mekka om vergeving te vragen, doeg”. In het dertiende gesprek scheldt de verwarde man u uit voor “bastaard” en “klootzak”. U geeft aan dat de man één minuut heeft. De man meldt dat hij stemmen hoort en vraagt u wat hij moet doen. U reageert met de opmerking “zelfmoord plegen”. De man scheldt u wederom een aantal keren uit, waarop u aangeeft dat de man had gevraagd wat hij moet doen en dat u daar antwoord op had gegeven. U herhaalt hierbij dat de man zelfmoord moet plegen. Vervolgens zegt u: “Ik ben je nou spuug en spuugzat vuile moslim. Ik ga nu de politie naar je toesturen en die schoppen je die woning uit. Kan je direct naar Schiphol, kan je direct naar je thuisland”. II Voornemen tot strafoplegging Gelet op de resultaten van het disciplinair onderzoek is u op 18 december 2009 het voornemen tot het opleggen van de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal uitgereikt. III Zienswijze en verantwoording Overeenkomstig artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 79 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), heb ik u in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden en uw zienswijze te geven op mijn voornemen. Namens u is op 29 december 2010 een schriftelijke zienswijze ingediend. Deze werd door mij ontvangen op 7 januari 2010. De zienswijze is te laat ingediend. Ik heb echter besloten deze wel bij de definitieve besluitvorming te betrekken. In de zienswijze wordt namens u opgemerkt dat u een uitstekende staat van dienst heeft en dat u pas in het afgelopen jaar bent aangesproken op uw houding en gedrag. Verder wordt aangegeven dat u lang in onzekerheid heeft verkeerd. Met betrekking tot het incident van 21 juli 2009 wordt namens u aangegeven dat u op dat moment in een zeer vervelende privésituatie verkeerde. Verder wordt gesteld dat u twee maal voor hetzelfde feit wordt gestraft (terugplaatsing in schaal en overplaatsing), hetgeen juridisch niet houdbaar is. Verder wordt namens u gewezen op het feit dat uit het besluit tot buitengewoon verlof verlening een diffamerende werking is uitgegaan, hetgeen betekent dat u feitelijk al gestraft bent. IV Overwegingen Ik ben tot de conclusie gekomen dat u dat heeft gedaan of nagelaten wat een goed politieambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen en dat u zich, aldus handelende, schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, als bedoeld in artikel 76 van het Barp. Concreet verwijt ik u dat u op 21 juli 2009 een verwarde man, die via de 112-centrale in contact werd gebracht met de meldkamer, tijdens drie telefoongesprekken heeft geschoffeerd en onheus heeft bejegend. Dit gebeurde in het bijzijn van twee collega’s en een collega van de brandweer. Ik verwijt u de volgende opmerkingen: 1. “Ga terug naar je Egyptische woestijn, stomme stink Marokkaan of wat dan ook wat je bent. Val ons niet lastig zoek het fijn uit. Dit land is veel te gastvrij voor sukkels en uitzuigers zoals jij Ga een vliegtuig pakken en stort fijn neer, dag”. 2. “Ga op je mat liggen en bidden naar het oosten naar Mekka om vergeving te vragen, doeg”. 3. Het advies aan de man om zelfmoord te plegen. Gevolgd door: “Ik ben je nou spuug en spuugzat vuile moslim. Ik ga nu de politie naar je toesturen en die schoppen je die woning uit. Kan je direct naar Schiphol, kan je direct naar je thuisland”. Dat u in de uitvoering van uw werkzaamheden gehinderd werd door de man staat vast. Dat u probeerde te bewerkstelligen dat de man niet weer nodeloos zou bellen valt dan ook te begrijpen. Dit betekent echter niet dat het u vrij stond de man te bejegenen op de wijze zoals u heeft gedaan. Met de u verweten opmerkingen heeft u de fatsoensnormen op grove wijze geschonden, heeft u het in u gestelde vertrouwen beschaamd en het aanzien van de politie in het algemeen en die van politie Flevoland in het bijzonder, ernstig in diskrediet gebracht. Het spreekt voor zich dat het geven van het advies “ zelfmoord plegen” aan een verward persoon uiterst laakbaar is. Niet is gesteld of gebleken dat de u verweten gedragingen u niet kunnen worden toegerekend. Hierbij heb ik betrokken dat geen sprake is geweest van één gesprek waarin u uw geduld verloor, maar dat er sprake was van drie afzonderlijke gesprekken. Het feit dat u op dat moment in een vervelende privésituatie verkeerde leidt niet tot een andere conclusie. Op 24 september 2009 heeft u immers ook verklaard dat u de man had uitgescholden omdat u wilde bereiken dat de man niet meer zou bellen. Overigens kan ik u niet volgen in uw stelling dat u gedurende uw dienstverband niet eerder bent aangesproken op uw houding en gedrag. Gebleken is dat u gedurende uw dienstverband vaker op negatieve wijze de aandacht heeft gevestigd op uw houding en gedrag en dat u daar ook op bent aangesproken. Het incident op 21 juli 2009 en uw functioneren in het verleden vormden voor het bevoegd gezag aanleiding zich te beraden over uw aanstelling. Tevens diende het disciplinair onderzoek naar uw handelen op 21 juli 2009 te worden afgerond. Dat u enige tijd in onzekerheid heeft verkeerd valt te betreuren, maar hierbij dient te worden opgemerkt dat dit voortvloeit uit uw eigen gedragingen en dat het vanzelfsprekend is dat bij het nemen van beslissingen als hier aan de orde de nodige zorgvuldigheid in acht dient te worden genomen. Zoals u weet heb ik overwogen aan u ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor de dienst, anders dan door ziels of lichaamsgebreken. Ik meen echter dat het opleggen van een straf, naast het treffen van een bijkomende maatregel, meer op zijn plaats is. De bijkomende maatregel zal bestaan uit een overplaatsing met alle daaruit voortvloeiende rechtspositionele gevolgen en zal separaat aan u bekend worden gemaakt. Ik deel uw standpunt, dat het opleggen van een straf en het treffen van een maatregel juridisch niet houdbaar is, niet. Uit jurisprudentie volgt dat het mogelijk is naast het opleggen van een straf een ordemaatregel te treffen [in voetnoot: zie bijvoorbeeld LJN: BH5416, Centrale Raad van Beroep (…)]. Voor de goede orde merk ik nog op dat bij de belangenafweging ten aanzien van de zwaarte van de straf rekening is gehouden met de bijkomende maatregel van overplaatsing en het diffamerende effect daarvan. Wellicht ten overvloede merk ik hierbij op dat het feit dat u sinds 14 augustus 2009 geen werkzaamheden meer heeft verricht, er niet toe leidt dat de op te leggen straf lager uitvalt. Het verlenen van buitengewoon verlof betrof een ordemaatregel welke noodzakelijk bleek ten gevolge van uw optreden. Dat hiervan een diffamerend effect is uitgegaan is aan uw eigen toedoen te wijten. Alle feiten en omstandigheden in overweging nemend, meen ik dan ook dat, met betrekking tot het incident van 21 juli 2009, de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal als passend kan worden beschouwd. V Besluit tot strafoplegging Gelet op de aard en omvang van de u verweten gedragingen besluit ik u de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal op te leggen, als bedoeld in artikel 77, eerste lid onder i, van het Barp. U bent op dit moment geplaatst in salarisschaal 8, salarisnummer 13 (€ 3347,- peildatum 1 januari 2010). Ik ben voornemens u te plaatsen in salarisschaal 7, salarisnummer 12 (€ 2941,- peildatum 1 januari 2010). Deze straf treedt in werking op het moment dat dit besluit aan u bekend wordt gemaakt.” 2.4. Het maatregelbesluit van 20 januari 2010 luidt voor zover hier van belang als volgt: “(…) In vervolg op het tegen u ingestelde disciplinair onderzoek bericht ik u als volgt. Vast is komen te staan dat u op 21juli 2009 een burger telefonisch heeft geschoffeerd. Bij besluit van 20 januari 2010 (…), heeft de korpsbeheerder besloten u de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal op te leggen. De inhoud van dit besluit beschouw ik hier als herhaald en ingelast. In het besluit tot het opleggen van de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal wordt melding gemaakt van een bijkomende maatregel, te weten een overplaatsing, Op 18 december 2009 is het voornemen tot overplaatsing aan u uitgereikt (…). De inhoud van dit voornemen beschouw ik hier als herhaald en ingelast. Zienswijze Overeen komstig artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, heb ik u in de gelegenheid gesteld uw zienswijze te geven op mijn voornemen. Namens u is op 29 december 2010 een schriftelijke zienswijze ingediend. Deze werd door mij ontvangen op 7 januari 2010. De zienswijze is te laat ingediend. Ik heb echter besloten deze zienswijze wel bij de definitieve besluitvorming te betrekken. Namens u wordt gesteld dat u een uitstekende staat van dienst heeft en pas in het afgelopen jaar bent aangesproken op uw houding en gedrag. U beschouwt de maatregel van overplaatsing als een straf, hetgeen volgens u juridisch niet houdbaar is. Verder wordt namens u gesteld dat het dossier waarop de maatregel gebaseerd is, niet deugt. Er is geen hoor en wederhoor toegepast en het dossier is gebaseerd op allerlei mededelingen van collega’s aan uw leidinggevende. Deze mededelingen zijn volgens u nimmer met u besproken. Verder wordt gesteld dat selectief te werk is gegaan bij het toevoegen van stukken en dat positieve beoordelingen zijn weggelaten. Verder wordt gesteld dat het bevoegd gezag niet bevoegd is uw functie te wijzigen in de zin dat u structureel in een lagere functie werkzaam dient te zijn. Er is geen verbetertraject besproken en nimmer is aangegeven dat u voor dergelijke gevolgen zou kunnen worden geplaatst. Tot slot wordt namens u gesteld dat u het betreurt dat uw goede bedoelingen (uiten van kritiek op de organisatie) verkeerd zijn uitgelegd. Overwegingen Sinds 1 januari 2001 bent u aangesteld bij de meldkamer van politie Flevoland. U bent werkzaam als senior medewerker meldkamer en heeft de rang van brigadier. De functie van senior medewerker meldkamer en overige seniorfuncties op het niveau van salarisschaal 8, brengen specifieke taken en verantwoordelijkheden voor de functionaris met zich mee. Zo heeft de functionaris op seniorniveau een voorbeeldfunctie voor de minder ervaren collega’s en dient hij of zij in woord en daad aantoonbaar voorbeeldgedrag te laten zien. Ik ben van mening dat u middels de u verweten gedragingen en de wijze waarop u zich met regelmaat op de werkvloer heeft geprofileerd, heeft laten zien dat u niet voldoet aan de functie-eisen voor een seniorfunctie op het niveau van salarisschaal 8. Voor een weergave van de u verweten gedragingen verwijs ik u naar het besluit tot het opleggen van de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal. Uw leidinggevende heeft bovendien melding gedaan van het feit dat uw houding en gedrag op de werkvloer met regelmaat te wensen heeft overgelaten. In 2005 is bij u onder de aandacht gebracht dat uw functioneren op een aantal punten verbetering behoefde. Dit naar aanleiding van de wijze waarop u zich profileerde op de werkvloer en in het werkoverleg. U werd voorgehouden dat u zich diende te verbeteren in de volgende houdingsaspecten: - uitstralen van korps- en afdelingsbeleid; - inzicht hebben in uw eigen verantwoordelijkheden; - een positieve houding ten toon spreiden; - uw functie als senior medewerker duidelijk waar maken; - werken aan relatieverbetering tussen u en de leiding. In maart 2007 bent u wederom aangesproken op uw houding en gedrag. U is voorgehouden dat u zich meer als senior diende te gaan gedragen en dat uw houding op de werkvloer ongepast was voor een senior. Uit het ontwikkelgesprek van 26 maart 2008 kan worden opgemaakt dat u enige tijd een verbetering heeft laten zien in uw houding en gedrag. Uw stelling dat het dossier derhalve ondeugdelijk is samengesteld, kan ik niet volgen. Uw leidinggevende constateerde in juli 2008 echter dat u na een periode van enige rust weer terug bij af was. Wederom kwam u in beeld met ongenuanceerde uitspraken, zowel tegen collega’s als tegen burgers. In september 2008 heeft uw leidinggevende een gesprek met u gevoerd, waarin hij u op uw ongenuanceerde houding en uitspraken heeft aangesproken. Op 30 maart 2009 heeft uw leidinggevende een gesprek gehad met de centrale vertrouwenspersoon, nadat aan deze een aantal zaken waren gemeld over uw houding en gedrag. Naar aanleiding hiervan heeft uw leidinggevende op 31 maart 2009 een gesprek met u gevoerd, waarin hij u heeft voorgehouden dat hij van u een andere houding wenst te zien. Dit leidde echter wederom niet tot een structurele verbetering. In juli 2009 werd door collega’s gemeld dat uw gedrag “onuitstaanbaar” was. U gooide uit boosheid met een computermuis door de kamer en snauwde collega’s af. Eén collega gaf aan dat zij niet meer met plezier naar het werk ging als zij met u moest werken. Op 9 juli 2009 heeft uw leidinggevende u aangesproken en u gevraagd waarom u de muis door de meldkamer had gegooid. Hierop werd u kwaad omdat de collega’s u niet zelf hadden aangesproken en liep u weg bij het gesprek met de mededeling dat het u allemaal geen bal kon schelen. Voor de goede orde merk ik op dat in het dossier dus niet alleen sprake is van mededelingen van collega’s, maar ook van eigen ervaringen van uw leidinggevende(n). Gelet op de diverse momenten waarop u bent aangesproken op uw houding en gedrag, kan ik u niet volgen in uw stelling dat nimmer hoor en wederhoor is toegepast. U bent herhaaldelijk aangesproken op uw houding en gedrag en liet herhaaldelijk blijken daar niet voor open te staan. Van het verkeerd uitleggen van uw goede bedoelingen is bovendien geen sprake geweest. U stond en staat erom bekend dat u zich op ongenuanceerde wijze kunt uitlaten, maar heeft hierin, zeker op 21 juli 2009, de grenzen van het toelaatbare overschreden. Afgaand op uw houding en gedrag in de afgelopen jaren, kom ik tot de conclusie dat gesprekken met u geen structurele verbetering hebben kunnen bewerkstelligen. Uiteindelijk is het zo ver gekomen dat u een burger op 21 juli 2009 meerdere malen heeft geschoffeerd. Het zal u duidelijk zijn dat ik iedere kans op herhaling in de toekomst wens uit te sluiten. Het vertrouwen dat herhaling in de toekomst zal uitblijven is op dit moment niet aanwezig. Bovendien ben ik van mening dat het, ook in het belang van de rust op de werkvloer, onverantwoord is u nog langer werkzaamheden te laten verrichten bij de meldkamer. Uw standpunt dat het opleggen van een straf en een maatregel juridisch onhoudbaar is, deel ik niet. Ik verwijs u hiervoor naar jurisprudentie [in voetnoot: zie bijvoorbeeld LJN: BH5416, Centrale Raad van Beroep (…)]. Besluit overplaatsing Gelet op het bovenstaande besluit ik u, op grond van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie, in het belang van de dienst over te plaatsen naar een andere functie. Vooralsnog zult u tot en met maart 2010 worden geplaatst bij het Verkeershandhavingsteam (VHT) in de functie van medewerker verkeerssurveillance. Dit is een functie op salarisschaal 7-niveau. Gelet op bovenstaande overwegingen meen ik dat deze functie u kan worden opgedragen. U behoudt uw executieve status. Gelet op artikel 2 van het Besluit rangen politie wordt u met deze overplaatsing de rang van hoofdagent toegekend. Functioneringstraject Uw functioneren bij het VHT zal worden gevolgd middels tweewekelijkse voortgangsgesprekken. U zult, alvorens tot overplaatsing naar een andere functie wordt overgegaan, op basis van uw functioneren bij het VHT, worden beoordeeld op de volgende competenties: - Betrokkenheid. U identificeert zich met de politieorganisatie en gedraagt zich daarnaar. Ten opzichte van jongere en minder ervaren collega’s heeft u een voorbeeldfunctie. U committeert zich aan de werkwijzen van de organisatie en neemt de beleefdheids- en fatsoensnormen in acht; - Inlevingsvermogen. U onderkent de gevoelens en behoeften van anderen en het effect van het handelen daarop. U houdt rekening met de omstandigheden en de belevingswereld van anderen en laat blijken te begrijpen wat het effect van uw handelen op anderen is; - Interculturele sensitiviteit. U herkent en respecteert de gewoonten en culturele achtergronden van mensen. U leeft zich in, kijkt vanuit een ander cultureel perspectief en blijft effectief presteren. U bent bedacht op misverstanden met mensen uit andere culturen; - Klantgerichtheid. U herkent en onderzoekt de wensen en behoeften van anderen en speelt daarop in. In uw contacten bent u vriendelijk en behulpzaam; - Zelfreflectie. U laat blijken uw eigen gedrag en standpunten kritisch te evalueren en open te staan voor evaluatie door anderen. U toont een lerende houding en vraagt om feedback. U kunt omgaan met kritiek en gaat actief op zoek naar ontwikkelmogelijkheden. Werkgebied en plaats van tewerkstelling Als werkgebied wordt aangewezen de regio politie Flevoland. Uw plaats van tewerkstelling blijft ongewijzigd: het bureau van politie De Doelen te Lelystad. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op het moment dat het aan u wordt uitgereikt. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat het besluit tot buitengewoon verlofverlening (…) per gelijke datum komt te vervallen. (…)” 2.5. In de bestuursrechtelijke procedure rond deze besluiten is [eiser] bijgestaan door de advocaat [advocaat], op basis van een overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en de maatschap [gedaagden gezamenlijk]. Gedaagden 2 tot en met 5 zijn of waren de vennoten van de maatschap. 2.6. De bezwaarschriftencommissie heeft de korpsbeheerder geadviseerd het bezwaar tegen het maatregelbesluit ongegrond te verklaren. De commissie heeft de korpsbeheerder wat betreft het strafbesluit geadviseerd om de plaatsing in een lagere salarisschaal te beperken in de tijd, waarbij de commissie een tijdsduur van één jaar gerechtvaardigd zou achten. Een in de tijd ongelimiteerde plaatsing in een lagere salarisschaal heeft immers zeer aanzienlijke gevolgen en heeft een devaluerend effect op het inkomen gedurende wellicht de gehele loopbaan van [eiser]; salarisschaalverlaging voor onbepaalde tijd is niet evenredig aan de aan [eiser] verweten gedragingen en in de gegeven omstandigheden buitenproportioneel. Aldus de commissie. 2.7. Het hierop volgende besluit op bezwaar van 24 september 2010 luidt als volgt: “(…) Bij brieven van 1 maart 2010, aangevuld bij brieven van 31 maart 2010, is namens u een tweetal bezwaarschriften ingediend: 1) tegen het besluit van 20 januari 2010, waarbij u de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal is opgelegd en 2) tegen het besluit van 20 januari 2010, waarbij u in het belang van de dienst bent overgeplaatst. De behandeling van de bezwaarschriften is overgedragen aan de bezwaarschriftencommissie van politie Flevoland (verder: de commissie). Op 2 juli 2010 heeft de commissie een hoorzitting gehouden. Bij gelegenheid van die hoorzitting zijn door en namens u de bezwaarschriften nader toegelicht. Een kopie van het verslag van de hoorzitting gaat hierbij. De commissie heeft mij geadviseerd uw bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2010 tot oplegging van een disciplinaire straf gedeeltelijk gegrond te verklaren en uw bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2010 tot overplaatsing ongegrond te verklaren. Een kopie van het advies van de commissie treft u hierbij aan. Besluit op bezwaar Ik kan mij vinden in de overwegingen en het oordeel van de commissie, met uitzondering van het door de commissie gestelde ten aanzien van de verlaging in schaal zonder tijdsbepaling. De commissie merkt op dat zij een disciplinaire maatregel van terugzetting in schaal gelimiteerd tot een duur van één jaar gerechtvaardigd zou achten. Ik volg de commissie op dit punt niet. Anders dan de commissie ben ik van mening dat de straf van terugplaatsing in een lagere schaal, zonder daaraan een tijdsduur te koppelen, evenredig is aan het u verweten plichtsverzuim. Artikel 77, eerste lid onder i van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) maakt geen melding van de toepassing van een tijdsduur. Bij de vaststelling van de aan u op te leggen straf is dezerzijds ontslag overwogen. Ik heb echter rekening gehouden met uw lange staat van dienst en het feit dat u niet eerder disciplinaire maatregelen opgelegd heeft gekregen. Verder heb ik u reeds eerder gewezen op uw seniorschap en de voorbeeldfunctie die daarmee gepaard ging. U heeft met de u verweten gedragingen het in u gestelde vertrouwen ernstig beschaamd. U zult dit vertrouwen terug moeten verdienen en dezerzijds kan niet worden ingeschat hoeveel tijd daarmee gemoeid zal zijn. Verder acht ik het van belang dat u te allen tijde de mogelijkheid ter beschikking staat om door te groeien, bijvoorbeeld middels de objectieve toetsing. Ik verklaar derhalve uw bezwaren ongegrond en laat de besluiten van 20 januari 2010 in stand. (…)” 2.8. Tegen dit besluit op bezwaar stond beroep bij de bestuursrechter open. Door een fout van [advocaat] is evenwel verzuimd om tijdig beroep in te stellen. Het strafbesluit en het maatregelbesluit zijn daardoor in rechte onaantastbaar geworden. 2.9. Een verzoek van [eiser] van 13 mei 2012, herhaald op 31 juli 2012, om de aan hem opgelegde disciplinaire straf van plaatsing in een lagere schaal per 1 juni 2012 te beëindigen, is door de korpsbeheerder afgewezen bij besluit van 4 september 2012. Dit besluit luidt voor zover hier van belang als volgt: “(…) Met het besluit van 20 januari 2010 is aan u de straf opgelegd van plaatsing in een lagere salarisschaal. Tevens bent u per gelijke datum overgeplaatst naar het Verkeershandhavingsteam. Hierna bent u in oktober 2010 overgeplaatst naar de basiseenheid Zeewolde en aan de slag gegaan als medewerker basiseenheid in de rang van hoofdagent. U heeft mij verzocht de aan u opgelegde straf van plaatsing in een lagere schaal per 1 juni 2012 te beëindigen. U voert aan dat inmiddels twee jaren zijn verstreken en dat u zich gedurende deze jaren heeft bewezen als een medewerker waarop het korps weer kan vertrouwen. U stelt, onder verwijzing naar uw goede functioneren, dat voldoende vergelding heeft plaatsgevonden en dat de straf dient te worden opgeheven. Ik bevestig dat uw tewerkstelling bij het Verkeershandhavingsteam is afgesloten met een beoordeling met het oordeel goed (datum beoordeling 17 augustus 2010). Op uw functioneren bij de basiseenheid Zeewolde bent u nog niet beoordeeld. Wel laat het ontwikkelgesprek van 14 maart 2011 een positief beeld zien. Politie Flevoland hanteert bij de straf zoals die aan u is opgelegd het beleid dat deze straf in beginsel wordt opgelegd voor onbeperkte duur. In de praktijk kan door het “natuurlijk verloop” van de loopbaan de bestrafte medewerker na verloop van tijd bevorderd worden. Het beëindigen van de straf vloeit dan als het ware voort uit de nieuwe situatie. Hierbij wens ik nog te benadrukken dat in uw geval bij de strafoplegging bewust is gekozen (zoals ook bij andere soortgelijke strafopleggingen) voor een straf zonder tijdsbepaling. Uw bezwaar tegen dit besluit is door mij ongegrond verklaard bij besluit van 24 september 2010. U heeft hiertegen geen beroep ingesteld en hiermee staat het besluit rechtens vast. Feitelijk verzoekt u mij nu alsnog op dit besluit terug te komen en alsnog een tijdsduur vast te stellen. Op uw verzoek tot het beëindigen van de straf zal door mij alleen positief beslist kunnen worden indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, bijvoorbeeld een verzoek van uw kant om in aanmerking te worden gebracht voor de objectieve toetsing. Mede gelet op het eerder genoemde beleid met betrekking tot deze strafmaatregel en eerdere soortgelijke gevallen wordt uw verzoek om alsnog een tijdsduur aan de straf te koppelen door mij niet gehonoreerd. Van een positief besluit op uw verzoek kan slechts sprake zijn indien u aansluitend wordt overgeplaatst naar een functie op schaal 8-niveau. Op dit moment zie ik onvoldoende grond om u te bevorderen naar schaal 8 en over te plaatsen naar een functie op schaal 8-niveau. Wel zie ik aanleiding om uw verzoek te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling. Ik zal de districtsleiding van het district Zuid verzoeken bij deze beoordeling specifiek de vraag te betrekken of u functioneert op schaal 8-niveau en of u in aanmerking komt, en zo ja binnen welk tijdsbestek, voor bevordering naar schaal 8 en overplaatsing naar de functie van senior medewerker basiseenheid. Daarbij zal paragraaf 3.3 van het ontwikkelgesprek van 14 maart 2011 (belangstellingsinventarisatie), waarin u aangeeft vooralsnog geen directe belangstelling of ideeën te hebben voor een andere functie of loopbaanverandering, nadrukkelijk worden betrokken. (…)” 2.10. Het door [eiser] tegen dit besluit gemaakte bezwaar is vervolgens ongegrond verklaard. Tegen dit besluit op bezwaar heeft [eiser] beroep ingesteld bij de bestuursrechter. De daaropvolgende uitspraak van de bestuursrechter (rechtbank Midden-Nederland), van 20 november 2013, luidt voor zover hier van belang als volgt: “(…) 3. Gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiser de volgende gronden heeft aangevoerd: Gezien de inhoud van het besluit op bezwaar van 24 september 2010 heeft verweerder aan eiser een voorwaardelijke disciplinaire straf opgelegd, inhoudende dat ingeval aan de door verweerder gestelde voorwaarden wordt voldaan de voor onbepaalde tijd opgelegde disciplinaire straf wordt beëindigd. Eiser mocht gezien de formulering van het besluit op bezwaar van 24 september 2010 er op vertrouwen dat wanneer hij aan de voorwaarden zou voldoen, te weten het goed functioneren in de lagere functie op niveau 7 en het hersteld zijn van het vertrouwen van verweerder in eiser, de disciplinaire straf zou worden beëindigd. Nu eiser aan die voorwaarden voldoet, dient de opgelegde disciplinaire straf te worden beëindigd. Eiser heeft verweerder gevraagd de disciplinaire straf te beëindigen en niet, zoals verweerder stelt, terug te komen op het besluit waarbij aan eiser de disciplinaire straf is opgelegd. Dit betekent dat het verzoek van eiser inhoudelijk en ex nunc getoetst dient te worden. Verweerder heeft bij de onderhavige besluitvorming door te toetsen aan het toetsingskader dat geldt voor verzoeken om terug te komen op in rechte vaststaande besluiten, dan ook een onjuist toetsingskader gehanteerd.Subsidiair heeft eiser aangevoerd, dat ingeval zijn verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om op het besluit tot plaatsing in een lagere salarisschaal terug te komen, sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden die het terugkomen op dit besluit rechtvaardigen. Eiser heeft als nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden aangevoerd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.