RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/3390 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2015 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker en het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder (gemachtigde mr. B.G.J. van Wissen) Tevens heeft aan het geding deelgenomen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, vergunninghouder. Procesverloop Bij besluit van 9 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande oeverbeschoeiing door een stalen damwand in de kernzone van een secundaire directe waterkering. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 juni 2015. Verzoeker was aanwezig. Verweerder was vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen in overleg te treden met vergunninghouder over een eventuele vrijwillige schorsing van het besluit. Bij faxbericht van 25 juni 2015 heeft verweerder meegedeeld de verleende watervergunning niet vrijwillig te schorsen. Nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. 1.2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.1. Vergunninghouder heeft op 9 december 2014 een aanvraag ingediend voor een watervergunning voor het vervangen van de bestaande oeverbeschoeiing door een stalen damwand. Vergunninghouder gaat drie afmeerplaatsen voor partyschepen aanleggen in de Vecht. Op de aanvraag staat vermeld dat de reden is gelegen in het feit dat de bestaande beschoeiing van perkoenpalen niet voldoet, omdat deze bezwijkt als gevolg van de waterdiepte voor de beschoeiing. De kade dient geschikt te worden gemaakt voor het afmeren van partyschepen aan de oever van de Vecht ter hoogte van Oostwaard (kadastraal bekend als sectie C, nummer 1685 en sectie E, nummer 3603). Vanwege de schroefwerking van de schepen met als gevolg daarvan erosie van het talud is een stevige oeverbescherming nodig. Hiervoor wenst vergunninghouder een sterke grondkering aan te brengen door het inheien van een stalen damwand met een inheidiepte alternerend, gestaffeld aangebracht tussen NAP -8,4 meter en NAP -9,4 meter. De bovenkant van de damwand komt uit op maximaal NAP +0,1 meter en zal worden afgewerkt met een gording. De damwand wordt geplaatst in de kernzone en het keurprofiel van een secundaire waterkering. Volgens vergunninghouder is nabij deze locatie op een tweetal vergelijkbare locaties de oever (spontaan) bezweken en afgeschoven in de Vecht. 2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor het plaatsen van een stalen damwandbeschoeiing met een lengte van 8,5 tot 9,5 meter over een traject van 90 meter. De aangevraagde handelingen zullen worden uitgevoerd in de oever van de Vecht ter hoogte van kilometerring 7.28. De oever is onderdeel van een directe secundaire waterkering. De damwand komt aan de boezemzijde van de kering, die een kernzone heeft van 12 meter. 3.1. Verzoeker kan zich niet verenigen met de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Volgens verzoeker is de verleende vergunning in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Maarssen-Dorp woongebied, waarin staat opgenomen dat herstel van de bestaande beschoeiing zowel cultuurhistorisch als natuurvriendelijk dient plaats te vinden, waarbij naast de waterkerende functie rekening wordt gehouden met de natuur en het landschap. Een stalen damwand is niet als zodanig aan te merken. Ook overschrijdt de stalen damwand de begrenzing van het bestemmingsplan met 42 meter, zodat voor dat gedeelte van de stalen damwand reeds om die reden geen vergunning kan worden verleend. Daarbij komt dat sprake is van strijd met de bouwregels van het vaststellingsbesluit Maarssen-Dorp, waarin staat dat maximaal 90 meter aan steigers mag worden gebouwd. Volgens verzoeker voldoet de verleende vergunning niet aan het criterium dat sprake moet zijn van een maatschappelijk belang. Voorts is ten onrechte geen ontheffing gevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet. Een stalen damwand geeft geen ruimte aan de natuurlijke habitat van vissen, waaronder de beschermde diersoort de paling. Bovendien heeft het gebruik van een stalen damwand volgens verzoeker een groot nadeel ten aanzien van het terugkaatsen van de waterbeweging. Door de vorm van het profiel van de damwand worden de golven van langsvarende schepen, als de partyschepen weg zijn, teruggekaatst naar het midden van de Vecht, hetgeen de habitat van eerder genoemde (beschermde) vissoorten aantast. Tot slot is het aanbrengen van de stalen damwand volgens verzoeker in strijd met de Beleidsnotitie ligplaatsen in de Vecht van vergunninghouder en met de Nota Belvedere, aldus verzoeker. 3.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergunningaanvraag alleen mag worden getoetst aan de mogelijke effecten van de realisering van de stalen damwand op de waterhuishouding en de waterkering in de Vecht. De door verzoeker ingediende gronden van het verzoek en het bezwaar die daarop geen betrekking hebben kunnen volgens verweerder niet leiden tot een vernietiging van de verleende watervergunning. Verweerder heeft de aangevraagde handelingen getoetst aan de Beleidsregels Keurvergunningen en is tot de conclusie gekomen dat is voldaan aan alle in die beleidsregels genoemde voorwaarden. De oeverbeschoeiing in de vorm van een damwand wordt geplaatst in de kernzone en in het keurprofiel van een secundaire waterkering. Deze damwand is volgens verweerder als grondkering van een hogere veiligheidsklasse dan de huidige beschoeiing. Versterking van stabiliteit van grondkering is noodzakelijk in verband met de erosie als gevolg van de schroefwerking van de partyschepen die aanmeren op de locatie. Verweerder heeft de constructie beoordeeld op sterkte, veiligheid en duurzaamheid. Voorts is volgens verweerder voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van maatschappelijk belang, omdat de aanleg van steigers voor het afmeren van de partyschepen reeds is vergund, waarbij de afweging van het maatschappelijk belang al is gemaakt op basis van een bestuurlijke afspraak tussen vergunninghouder en de provincie. Concluderend heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de belangenafweging blijkt dat bij inwilliging van de aanvraag de zorg voor de waterhuishouding en de waterkering voldoende wordt gewaarborgd, mits wordt voldaan aan de voorschriften die aan het bestreden besluit zijn verbonden. 4.1. Op grond van artikel 6.13 van de Waterwet is een watervergunning vereist voor het uitvoeren van handelingen in een watersysteem waarvoor krachtens verordening van het waterschap vergunning is vereist. 4.2. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Keur AGV 2011 is het verboden zonder vergunning van het bestuur in de kernzone, beschermingszones en buitenbeschermingszones van waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.