vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/562041 / HA ZA 14-334 Vonnis van 19 augustus 2015 in de zaak van [eiser] wonende te [eiser] , eiser, advocaat mr. M.G. Doornbos te Assen, tegen de maatschap [gedaagde] , gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. A.S. graaf van Randwijck te Rotterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van [eiser] van 13 maart 2014, met producties, de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties, het tussenvonnis van 9 juli 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast, het proces-verbaal van comparitie van 16 oktober 2014 en de daarin genoemde producties van [eiser] ; de akte na comparitie van [eiser] , met producties, de antwoordakte na comparitie van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Tegen [eiser] zijn in 2006 twee strafrechtelijke procedures aanhangig gemaakt. In de ene zaak werd [eiser] - kort gezegd - beschuldigd van valsheid in geschrifte en incassofraude; in de andere zaak werd aan hem witwassen van een geldbedrag van € 135.000,- ten laste gelegd. Beide strafzaken hebben tot een veroordeling door de rechtbank geleid. [eiser] is tegen de vonnissen in hoger beroep gegaan. 2.2. [eiser] is de zomer in 2007 met [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] hem in de procedure in feitelijke instanties en, indien aan de orde, in cassatie, van rechtsbijstand zou voorzien. De rechtshulp zou worden verleend door mr. [gedaagde] (hierna: mr. [gedaagde] ), toenmalig maat van [gedaagde] . Partijen kwamen voor de volledige bijstand tot en met cassatie een vaste prijs van € 22.500,- overeen (€ 11.000,- inclusief btw bij factuur, € 11,500,- contant). [eiser] heeft dit bedrag voldaan. 2.3. In de strafzaak met parketnummer 21-004470-06 (de zaak waarin [eiser] oplichting en valsheid in geschrifte ten laste werd gelegd, hierna te noemen: zaak 1) heeft op 25 januari 2008 een zitting bij de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het hof) plaatsgevonden. [eiser] was ter zitting aanwezig, bijgestaan door mr. [gedaagde] . Het proces-verbaal van de zitting houdt in, voor zover relevant: ‘(…) De raadsman van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: Ik heb een brief gestuurd naar het openbaar ministerie met het verzoek de zaak van vandaag gelijktijdig met een andere zaak tegen mijn cliënt te behandelen. Ik verzoek deze brief van 16 januari 2008 als herhaald en ingelast te beschouwen. In de zaak met parketnummer 05/900436-06 is inmiddels een zogenaamd ‘promis-vonnis’ gewezen. Er staat de rechtbank niets aan in de weg om deze zaak op korte termijn aan het hof te zenden. De rechtbank heeft in voormeld vonnis de zaak van vandaag genoemd. Bij de strafmaat hebben ze deze zaak meegewogen. De zaken zijn met elkaar verweven. Het zou de proceseconomie niet dienen als deze zaken niet gelijktijdig behandeld worden. (…) De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven - als volgt: Gelijktijdige behandeling kan ondanks artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, op twee manieren werken. Als het hof in beide zaken tot een veroordeling zou komen, kan gelijktijdige behandeling ook in het nadeel van verdachte zijn. De raadsman van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: Ik heb de werking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht met mijn cliënt besproken. Ik zou me goed kunnen voorstellen dat u tot een andere oordeel komt dan de rechtbank. Mijn verzoek is dan in het voordeel van mijn cliënt. (…) (…)’ 2.4. Het hof heeft de behandeling van zaak 1 vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde deze gelijk te behandelen met de zaak parketnummer 21-004841-07 (waarin aan [eiser] witwassen ten laste werd gelegd, hierna te noemen: zaak 2). De beide strafzaken zijn op de zitting van 17 juni 2008 gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld. [eiser] werd ter zitting bijgestaan door mr. [gedaagde] , kantoorgenoot van mr. [gedaagde] . 2.5. Het hof heeft in beide zaken op 1 juli 2008 arrest gewezen. Het hof heeft in zaak 1 bewezen geacht dat [eiser] medeplichtig is geweest aan valsheid in geschrifte en medepleger is geweest van oplichting. Daarvoor heeft het hof aan [eiser] een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Ook heeft het hof op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan [eiser] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van € 142.803,- (bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen vervangende hechtenis), ten behoeve van vergoeding van de schade van de benadeelde partij Rabobank Didam t.a.v. dhr. [naam] . Het hof heeft de benadeelde partij zelf niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat [eiser] al bij onherroepelijk vonnis door de burgerlijke rechter was veroordeeld tot vergoeding van de desbetreffende schade. 2.6. In zaak 2 heeft het hof bewezen verklaard dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en daarvoor aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden opgelegd. 2.7. [eiser] heeft [gedaagde] opdracht gegeven om tegen beide arresten beroep in cassatie aan te tekenen. [gedaagde] heeft de cassatieschrifturen echter niet tijdig ingediend, als gevolg waarvan de Hoge Raad [eiser] bij arrest van 12 oktober 2010 in beide zaken niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beroep in cassatie. Vervolgens heeft [eiser] [gedaagde] bij brief van 16 november 2010 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde] heeft geleden en nog zal lijden. 2.8. Een aan [eiser] gerichte brief van 8 december 2010 van mr. [kantoorgenote] , destijds als advocaat in dienst bij [gedaagde] , houdt in, voor zover relevant: ‘Op 18 november jongstleden heeft u jegens [gedaagde] een klacht ingediend bij de Deken. Na beraad zijn wij tot de conclusie gekomen dat het indienen van een klacht anders dan een aansprakelijkstelling tot een dusdanige vertrouwensbreuk leidt dat wij niet langer voor u kunnen optreden. Derhalve zullen er geen werkzaamheden meer voor u worden verricht. Uw dossier ligt gereed om te worden afgehaald dan wel om door te zenden naar een door u aan te wijzen advocaat.’ 2.9. Bij beslissing van 11 oktober 2011 heeft de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: De RvD) naar aanleiding van een klacht van [eiser] geoordeeld dat [gedaagde] ten aanzien van onder meer het niet tijdig indienen van de cassatieschrifturen een verwijtbare beroepsfout heeft gemaakt. 2.10. Voorts heeft de RvD bij beslissing van 15 oktober 2013 naar aanleiding van een andere klacht van [eiser] geoordeeld dat [gedaagde] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een aanstaande wijziging in de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling, die grote gevolgen voor de duur van de vrijheidsbeneming van [eiser] kon hebben en ook heeft gehad, niet bij [eiser] aan de orde te stellen toen zij de strategie in hoger beroep bepaalden. In beide gevallen is aan [gedaagde] een berisping opgelegd. [gedaagde] heeft in deze laatste tuchtrechtelijke procedure geen verweer gevoerd. 2.11. [eiser] heeft de beide onvoorwaardelijk opgelegde straf(delen) van 10 maanden (ofwel 300 dagen elk) volledig uitgezeten. Daarnaast heeft [eiser] in verband met de opgelegde schadevergoedingsmaatregel 365 dagen vervangende hechtenis ondergaan. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van € 332.706,-, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [eiser] legt tegen de achtergrond van de vaststaande feiten aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de uitvoering van de aan hem verleende opdracht, althans dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door verschillende beroepsfouten te maken. 3.2.1. Daartoe stelt [eiser] , allereerst, dat [gedaagde] er bij het hof op had moeten aandringen dat de zaken gevoegd zouden worden behandeld en er vóór 1 juli 2008 arrest zou worden gewezen, aangezien, naar [gedaagde] wist, op die datum de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de VI-regeling) in werking zou treden, met als gevolg dat [eiser] bij de door het hof opgelegde straffen zeven maanden langer in detentie zou moeten verblijven dan onder het vóór 1 juli 2008 geldende regime van de vervroegde invrijheidstelling (hierna: de VV-regeling) het geval zou zijn geweest. 3.2.2. Daarnaast heeft [gedaagde] volgens [eiser] verzuimd verweer te voeren tegen de door de advocaat-generaal gevorderde schadevergoedingsmaatregel, met als gevolg dat het Hof de maatregel heeft opgelegd en [eiser] 365 dagen vervangende hechtenis heeft moeten ondergaan. 3.2.3. Nu [gedaagde] aldus ervoor aansprakelijk is dat [eiser] 19 maanden langer in detentie heeft verkeerd, dient hij een schadevergoeding van 19 x € 4.421,05 per maand te betalen, het bedrag dat [eiser] verdiende voordat hij in detentie kwam. Ook is [gedaagde] aansprakelijk voor het door het CJIB uit hoofde van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel op [eiser] verhaalde bedrag van € 215.361,25 (inclusief rente en kosten). 3.2.4. Verder stelt [eiser] dat hij naar aanleiding van de beroepsfout van [gedaagde] bij het indienen van de cassatieschrifturen en het opzeggen van de opdracht andere advocaten in heeft moeten schakelen om hem van juridisch advies te voorzien en een gratieverzoek in te dienen. Volgens [eiser] is [gedaagde] eveneens aansprakelijk voor deze advocatenkosten, die in totaal € 10.845,- bedragen. 3.2.5. Ten slotte vordert [eiser] het aan [gedaagde] betaalde honorarium van € 22.500,- terug. Hij heeft [gedaagde] betaald voor rechtsbijstand in de volledige procedure tot en met cassatie, maar wat het cassatieberoep betreft heeft [gedaagde] niet geleverd. 3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Voorop staat dat een advocaat bij het verrichten van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moeten nemen (artikel 7:401 BW). Maatstaf daarbij is dat een advocaat als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk moet gaan. Deze zorgplicht brengt onder meer met zich dat de advocaat zelfstandig dient te beoordelen wat voor de zaak van zijn cliënt van belang kan zijn en daarnaar dient te handelen. niet tijdig indienen cassatieschriftuur 4.2. [gedaagde] heeft in deze procedure niet gemotiveerd bestreden, en aldus zal als vaststaand worden aangenomen, dat hij tegenover [eiser] tekort is geschoten in de uitvoering van de aan hem gegeven opdracht door de cassatieschrifturen te laat in te dienen. a. terugbetaling honorarium 4.3. [eiser] heeft naar aanleiding van deze beroepsfout onder meer volledige terugbetaling van het aan [gedaagde] betaalde honorarium van € 22.500,- gevorderd. [eiser] voert daartoe aan hij niet geleverd heeft gekregen waarvoor hij heeft betaald. [gedaagde] heeft op 8 december 2010 de overeenkomst eenzijdig opgezegd (2.8), terwijl de procedure in cassatie nog niet was voltooid. 4.4. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de opdracht inderdaad door hem is opgezegd. Artikel 7:411 BW bepaalt dat indien een overeenkomst van opdracht eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. 4.5. De rechtbank overweegt dat [eiser] in het licht van deze bepaling in elk geval geen aanspraak kan maken op volledige terugbetaling van het honorarium, aangezien vast staat dat [gedaagde] in elk geval voor een groot deel wel de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht. Hij heeft [eiser] immers bij de behandeling in feitelijke instanties van rechtsbijstand voorzien, onder meer bij de inhoudelijk behandeling in hoger beroep op 17 juni 2008. Maar ook heeft [gedaagde] ten behoeve van de cassatieprocedure schrifturen opgesteld, zij het dat [eiser] daarvan geen voordeel heeft genoten, omdat deze te laat zijn ingediend. In zoverre is dan ook niet juist, dat [gedaagde] in het geheel geen werkzaamheden voor de cassatieprocedure heeft verricht. 4.6. [eiser] kan dus geen volledige terugbetaling van het loon terugvorderen. Wel heeft [eiser] aanspraak op terugbetaling van een deel van het loon, aangezien hij voor het door hem betaalde honorarium rechtsbijstand van [gedaagde] zou krijgen tot en met de cassatieprocedure. De rechtbank volgt [eiser] in zijn stelling dat deze opdracht is beëindigd voordat zij is volbracht, aangezien als gevolg van de beroepsfout een deel van de procedure in cassatie, namelijk de inhoudelijke beoordeling van de cassatieschrifturen, niet heeft plaatsgevonden. Aldus heeft [gedaagde] in het licht van het bepaalde in artikel 7:411 BW geen aanspraak op het volledige honorarium van € 22.500,-, maar slechts op een naar redelijkheid vast te stellen deel van dit loon. De rechtbank stelt in dit verband vast dat [gedaagde] wel in feitelijke instanties rechtsbijstand heeft verleend: in eerste aanleg in zaak 2 (in zaak 1 was al op 20 oktober 2006 vonnis gewezen) en in hoger beroep in beide zaken. Daarentegen heeft [gedaagde] in cassatie eigenlijk nauwelijks iets geleverd. Hij heeft wel cassatieschrifturen opgesteld, maar door de te late indiening daarvan kan de waarde van dit werk op een verwaarloosbaar bedrag worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] gezien de omvang van het in feitelijke instanties verrichte werk in redelijkheid 75% van het overeengekomen honorarium toekomt ( = € 16.875,-). [gedaagde] dient derhalve een bedrag van € 5.625,- als onverschuldigd aan [eiser] terug te betalen. 4.7. Ook is [gedaagde] de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf 11 oktober 2011, zoals primair gevorderd. [eiser] heeft hem immers in verband met de terugbetaling van het loon op 22 maart 2011 in gebreke gesteld. Dat betekent dat [gedaagde] in elk geval op 11 oktober 2011 in verband met deze terugbetaling in verzuim verkeerde en wettelijke rente aan [eiser] is verschuldigd (artikelen 6:81, 6:82 en 6:119 BW). b. advocaatkosten 4.8. [eiser] vordert ook vergoeding van de kosten van de opeenvolgende advocaten mrs. Vermunt (totaal € 8.913,10), Sanders (€ 1.693,49) en Schadd (€ 238,-). Ter toelichting heeft [eiser] gesteld dat hij zich door mr. Vermunt na de niet-ontvankelijk verklaring van het cassatieberoep heeft laten adviseren met betrekking tot zijn kansen in cassatie. Toen bleek dat hij niets meer kon doen, heeft hij mr. Sanders een gratieverzoek laten indienen. 4.9. Tot uitgangspunt dient dat [gedaagde] op grond artikel 6:74 BW in beginsel verplicht is de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming, in casu het te laat indienen van de cassatieschrifturen, heeft geleden. Daarbij geldt echter wel de begrenzing dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt, die in zodanig verband staat met de desbetreffende tekortkoming, dat zij mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die tekortkoming aan [gedaagde] kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). 4.10. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit de facturen van mr. Vermunt blijkt dat hij zijn arbeidsuren niet aan [eiser] heeft gedeclareerd, maar aan [bedrijf] Tegen deze achtergrond valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien hoe deze advocaatkosten als door [eiser] geleden schade kunnen worden aangemerkt. 4.11. Evenmin heeft [eiser] voldoende gesteld dat de advocaatkosten van mr. Sanders op grond van het bepaalde in artikel 6:98 BW aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Uit de eigen stellingen van [eiser] volgt dat bekend was dat de niet-ontvankelijk verklaring in cassatie niet meer kon worden teruggedraaid, toen hij aan mr. Sanders opdracht gaf om een gratieverzoek in te dienen. [eiser] heeft niet gesteld, en evenmin is gebleken (het gratieverzoek is niet overgelegd en [eiser] heeft verder ook geen andere informatie hierover verstrekt), dat een gratieverzoek op dat moment nog enige kans van slagen had en dat het nodig was om daarom een advocaat in te schakelen. Tegen deze achtergrond valt zonder nadere motivering, die [eiser] niet heeft gegeven, niet in te zien waarom de kosten van dit gratieverzoek nog als een gevolg van de beroepsfout van [gedaagde] zijn aan te merken, die op grond van de maatstaf van artikel 6:98 BW aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Ook deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. 4.12. Ten slotte heeft [eiser] niet voldoende concreet toegelicht waar de advocaatkosten van mr. Schadd op zien, zodat ook daarvan niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate deze kosten verband houden met te late indiening van het cassatiemiddel. Aldus zal de vordering tot vergoeding van de advocaatkosten volledig worden afgewezen. 4.13. Nu uit de stellingen van [eiser] niet blijkt dat hij overigens nog schadevergoeding vordert als gevolg van het te laat indienen van de cassatieschrifturen (hij vordert wel vergoeding wegens een langer durende gevangenisstraf, maar uit zijn stellingen volgt dat hij deze vordering uitsluitend grondt op de hierna te bespreken beroepsfout ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel en inwerkingtreding van de VI-regeling), behoeven deze beroepsfout en de gevolgen daarvan geen verdere bespreking. niet wijzen op gevolgen intreden VI-regeling 4.14. Uit de stellingen van [eiser] valt te destilleren dat hij [gedaagde] drie verwijten maakt, die min of meer met elkaar samenhangen. Allereerst (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.