vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/577440 / HA ZA 14-1169 Vonnis van 2 september 2015 (bij vervroeging) in de zaak van [curator] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
(5e)F.). Nu in de stellingen van [gedaagde 3] en Beheer geen aanknopingspunten zijn te vinden die maken dat dat beginsel niet geldt, is de rechtbank van oordeel dat de benadeling door Beheer en [gedaagde 3] (die de transactie mogelijk heeft gemaakt door de volgens artikel 6:155 BW vereiste toestemming te geven) paulianeus is jegens de schuldeisers van Autoschade; de benadeling van de schuldeisers van Autoschade is gelijk aan de waarde van het vervreemde actief en bedraagt aldus € 160.000,--. De curator heeft er niet voor gekozen de transactie te vernietigen, maar om namens de schuldeisers van Autoschade het bedrag van € 160.000,00 als schade wegens onrechtmatige daad te verhalen op Beheer en [gedaagde 3] . Deze vordering slaagt nu het paulianeus handelen ook als een onrechtmatig handelen kan worden bestempeld. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook hoofdelijk (artikel 6:102 BW) worden toegewezen jegens Beheer en [gedaagde 3] , te vermeerderen met de gewone wettelijke rente vanaf 5 oktober 2012 zoals gevorderd. Dat aan [gedaagde 1] terzake een persoonlijk ernstig verwijt te maken valt, is gesteld noch gebleken. De vordering zal ten aanzien van [gedaagde 1] daarom worden afgewezen. Betaling € 18.000,-- door [bedrijf 2] aan [gedaagde 3] 4.
- De betaling van € 18.000,-- door [bedrijf 2] aan [gedaagde 3] vond volgens [gedaagde 3] plaats vóór 19 november 2012 en volgens de curator op 19 november
- De faillissementsaanvraag is ingediend op (volgens de curator) of na (volgens [gedaagde 3] ) 19 november
- De curator heeft de betaling vernietigd op grond van art. 47 F., stellende dat deze plaatsvond na de faillissementsaanvraag, althans dat deze het gevolg was van overleg tussen [bedrijf 2] en [gedaagde 3] , dat ten doel had [gedaagde 3] door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen. 4.
- De rechtbank overweegt als volgt. Op het door de curator in het geding gebrachte formulier “Eigen aangifte tot faillietverklaring van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid” (dagvaarding prod. 10) staan twee stempels, waaruit blijkt dat dit formulier is binnengekomen bij de Centrale Balie van de rechtbank en bij het team insolventiezaken op 20 november
- De vermelding in het faillissementsvonnis dat het verzoek inzake [bedrijf 2] is binnengekomen op 19 november 2012 berust dan, bij gebreke van een andere verklaring, op een kennelijke verschrijving. Dat de betaling heeft plaatsgevonden na de eigen aangifte kan dan ook niet worden aangenomen, zodat de betaling op die grond niet vernietigbaar is. 4.
- Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van samenspanning als bedoeld in artikel 47 F. De curator heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in deze gewezen op de concernverhoudingen, die zouden moeten leiden tot het aannemen van een feitelijk vermoeden van samenspanning. De rechtbank volgt hem daarin niet, gelet op de achtergrond van de betaling. [gedaagde 3] heeft tot haar verweer aangevoerd, dat zij genoemd bedrag ten behoeve van [bedrijf 2] heeft voorgeschoten aan een derde (Auto Bakkenes), omdat [bedrijf 2] niet over voldoende liquiditeit beschikte. Aldus heeft [gedaagde 3] [bedrijf 2] in staat gesteld € 3.430,-- winst te maken op een auto die laatstgenoemde al aan een klant had verkocht. Nadat [bedrijf 2] de koopprijs van de auto van de klant had ontvangen heeft zij daaruit [gedaagde 3] terugbetaald en de winst van € 3.430,-- behouden. Een en ander heeft zich afgespeeld in de periode tussen 9 en 16 november 2012, behoudens de terugbetaling van de € 18.000,00 aan [gedaagde 3] die zoals gezegd rond 19 november 2012 plaatsvond. [gedaagde 3] behoorde toen al niet meer tot het concern van [bedrijven 1 t/m 10] , zodat voor het aannemen van een feitelijk vermoeden van samenspanning op grond van concernverhoudingen geen grond is. Maar bovendien kan op grond van de hiervoor genoemde en niet weersproken feiten en omstandigheden niet worden aangenomen dat [bedrijf 2] en [gedaagde 3] de bedoeling hebben gehad crediteuren van eerstgenoemde te benadelen. Integendeel, doel van de transactie was juist het realiseren van een bate van € 3.430,-- door [bedrijf 2] , die zonder de hulp van [gedaagde 3] niet gerealiseerd had kunnen worden; de crediteuren van [bedrijf 2] hebben daarvan geprofiteerd. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. Bestuurdersaansprakelijkheid 4.
- Of en zo ja in hoeverre sprake is van schending van de boekhoud- en publicatieplicht kan in het midden blijven, omdat de bestuurders aannemelijk hebben gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. In dit verband hebben zij aangevoerd dat [bedrijven 1 t/m 10] na 2009 onder leiding van een externe adviseur, [naam 1] , is gereorganiseerd en dat er structurele kostenbesparingen zijn doorgevoerd. Zo is blijkens de door de curator overgelegde jaarrekening in 2010 ten opzichte van 2009 een kostenbesparing gerealiseerd van € 415.586,--, waardoor het bedrijfsresultaat is omgebogen van -/- € 443.988,-- naar -/- € 68.990,--, bij nagenoeg gelijk gebleven bruto marges. In 2012 bleek echter dat de kostenbesparingen niet voldoende waren om de dalende omzet als gevolg van de wereldwijde economische crisis te compenseren. Door het inzakken van de onroerend goed prijzen konden bovendien bedrijfspanden niet meer verkocht worden teneinde de financieringskosten te beperken, aldus de bestuurders. [naam 1] heeft bevestigd dat hij vanaf november 2009 betrokken is geweest bij de reorganisatie van [bedrijven 1 t/m 10] en dat er vanaf 2010 structurele kostenbesparingen zijn gerealiseerd van ongeveer € 500.000,--, maar dat deze besparingen weer teniet zijn gedaan door de aanhoudende economische crisis, waarna in augustus 2012 duidelijk werd dat een faillissement onafwendbaar was. Uit de jaarrekening blijkt voorts dat in 2011 sprake was van een daling in de bruto marge van meer dan 12% ten opzichte van
- 4.
- De curator heeft in reactie hierop gesteld dat de financiële crisis in 2008 begon en tot wasdom kwam in 2009 en dus niet de oorzaak kan zijn van het mislukken van de reorganisatie in de jaren 2010 en
- De curator vermoedt dat de gebrekkige administratie de voornaamste reden voor de faillissementen is. Doordat er onvoldoende inzicht was in de rechten en plichten van het concern, was het niet mogelijk om de onderneming te leiden of om succesvol te reorganiseren, aldus de curator. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat uit de jaarrekeningen blijkt van een aanzienlijke omzetdaling in 2011 en van een significante kostenbesparing in de jaren 2010 (en in mindere mate 2011). Daarnaast heeft [naam 1] bevestigd dat de financiële crisis de kostenbesparingen van met name 2010 weer teniet heeft gedaan. Verder is een feit van algemene bekendheid dat de daling van de onroerend goed prijzen zich ook na 2009 heeft voortgezet. Nu daarmee aannemelijk is gemaakt dat het faillissement is veroorzaakt door een van buiten komende oorzaak, is het door de curator geuite vermoeden dat de gebrekkige administratie de voornaamste reden voor de faillissementen is, van onvoldoende gewicht voor het oordeel dat het faillissement in belangrijke mate veroorzaakt is door een onbehoorlijke taakvervulling. De daarop betrekking hebbende vordering zal dan ook worden afgewezen. Buitengerechtelijke kosten 4.
- De curator vordert buitengrechtelijke kosten, stellende dat hij heeft getracht om in overleg met gedaagden tot een oplossing van de onderhavige kwesties te komen; dat de reacties van gedaagden miniem en nauwelijks ter zake doende waren; en dat de herhaalde pogingen van de curator om verdere reacties van gedaagden te ontlokken en te komen tot inhoudelijk overleg op niets zijn uitgelopen. Aldus heeft de curator te weinig gesteld om te kunnen oordelen dat hij voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De vordering zal worden afgewezen. Beslagkosten 4.
- De vordering van beslagkosten is op grond van artikel 706 Rv toewijsbaar jegens [gedaagde 3] en Beheer die ter zake hoofdelijk zullen worden veroordeeld. De kosten worden begroot op: € 282,00 aan griffierecht voor het beslagrekest € 1.421,00 aan salaris advocaat voor het beslagrekest (1 punt, tarief € 1.421,00) € 781,24 aan explootkosten voor beslag ten laste van [gedaagde 3] en Beheer € 2.484,24 totaal aan beslagkosten voortvloeiend uit het beslagverlof van 8 september
- Proceskosten 4.
- [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en Beheer zijn in deze procedure tezamen opgetrokken met dezelfde advocaat. De aan hun zijde gevallen kosten worden tot heden begroot op: € 3.829,00 aan griffierecht: € 2.842,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief € 1.421,00) € 6.671,00 totaal Deze kosten worden als volgt over de afzonderlijke partijen verdeeld (rekening houdend met het lagere griffierecht dat [gedaagde 1] als natuurlijk persoon zou zijn verschuldigd als hij zelfstandig procedeerde): griffierecht: € 633,78 ( [gedaagde 1] ) + € 1.597,61 ( [gedaagde 3] ) + € 1.597,61 (Beheer) salaris advocaat: € 947,33 ( [gedaagde 1] ) + € 947,33 ( [gedaagde 3] ) + € 947,34 (Beheer) 4.
- In de zaak tegen [gedaagde 1] zal de curator als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen kosten, tot heden begroot op: € 633,78 aan griffierecht € 947,33 aan salaris advocaat € 1.581,11 totaal 4.
- In de zaak tegen [gedaagde 2] zal de curator als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagde 2] gevallen kosten, tot heden begroot op: € 282,00 aan griffierecht € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief € 452,00) € 1.186,00 totaal 4.
- In de zaken tegen [gedaagde 3] en Beheer zullen deze partijen als de grotendeels in het ongelijk gestelden hoofdelijk worden veroordeeld in de aan de zijde van de curator gevallen kosten, tot heden begroot op: € 77,52 aan explootkosten € 1.237,00 aan griffierecht (€ 1.519,00 -/- € 282,00 aan beslagrekestgriffierecht) € 2.842,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief € 1.421,00) € 4.156,52 totaal 5De beslissing De rechtbank 5.
- wijst de vorderingen tegen [gedaagde 1] af, 5.
- veroordeelt de curator in de aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen kosten van het geding, tot heden begroot op € 1.581,11, 5.
- wijst de vorderingen tegen [gedaagde 2] af, 5.
- veroordeelt de curator in de aan de zijde van [gedaagde 2] gevallen kosten van het geding, tot heden begroot op € 1.186,00, 5.
- veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan de curator te betalen een bedrag van € 160.000,00 (éénhonderdzestig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 5 oktober 2012 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling aan de curator van € 2.484,24 aan beslagkosten, 5.
- veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de aan de zijde van de curator gevallen kosten van het geding, tot op heden begroot op € 4.156,52, 5.
- veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de curator, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 4] en [gedaagde 3] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, 5.
- wijst het meer of anders jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 3] gevorderde af, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 2 september
- type: NCHB coll: