beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel Beschikking van 8 september 2015 in de zaak met nummers 591389 / KG RK 15-1630 MW/CB van: 1. de naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ZAANSTREEK U.A., gevestigd te Zaanstad, verzoeksters, advocaat mr. K.C. Haanstra te Amsterdam, tegen: 1 [XX] [de eigenaar] , wonende te Amsterdam, 2. [YY] [huurder 1] , wonende te Amsterdam, 3. [ZZ] [huurder 2] , wonende te Amsterdam, 4. ÉÉN OF MEER ANDERE (ONDER)HUURDERS, VAN WIE DE NAMEN NIET ACHTERHAALD KUNNEN WORDEN, verweerders, advocaat verweersters sub 2 en 3: mr. C.G.M. Oosterwijk te Amsterdam, verweerders sub 1 en 4 zijn niet verschenen. 1Verloop van de procedure Verzoeksters, verder gezamenlijk te noemen Rabobank, hebben op 30 juli 2015 een verzoekschrift ex artikel 3:264 lid 5 en 3:267 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 1 september 2015. Verweerster sub 2 en 3, verder gezamenlijk te noemen de huurders, hebben voorafgaand aan de zitting een concept-pleitnota met producties toegezonden. Ter zitting hebben zowel Rabobank als de huurders een pleitnota overgelegd. Ter zitting zijn – voor zover van belang – verschenen: - [AA] met mr. Haanstra namens Rabobank; - de huurders met mr. Oosterwijk; - [BB] , directiemakelaar. 2De feiten 2.1. Rabobank heeft op 10 juni 1996 en 6 juli 2005 geldleningen van respectievelijk (in hoofdsom) ƒ 230.000,-- en € 341.000,-- verstrekt aan [XX] [de eigenaar] , verder te noemen [de eigenaar] , onder hypothecair verband van: het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de derde verdieping met bijbehorende berging op de zolderverdieping, plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend [FF] , [GG] , uitmakende het één/vierde onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit een gebouw met ondergrond en verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend [HH] , ten tijde van de splitsing in appartementsrechten kadastraal bekend [II] verder te noemen: de woning. 2.2. [de eigenaar] is in gebreke gebleven om aan zijn verplichtingen uit de geldleningen te voldoen. Rabobank heeft uit dien hoofde per 1 juli 2015 een bedrag van € 206.983,08 opeisbaar van [de eigenaar] te vorderen en wenst haar hypothecaire rechten uit te winnen. 2.3. Bij exploot van 2 juli 2015 heeft Rabobank [de eigenaar] aangezegd dat de openbare verkoop van de woning ten overstaan van notaris mr. F. Stroucken zal plaatsvinden op 5 oktober 2015. 2.4. In de hypotheekakten is onder meer het beding opgenomen dat het [de eigenaar] niet is toegestaan om de woning te verhuren, te verpachten of anderszins in gebruik af te staan, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Rabobank. 2.5. In de hypotheekakten is eveneens het beding opgenomen dat Rabobank met machtiging van de voorzieningenrechter van de rechtbank het pand in beheer mag nemen, indien [de eigenaar] in zijn verplichtingen jegens Rabobank in ernstige mate tekortschiet. Volgens de hypotheekakten is Rabobank bevoegd de woning onder zich te nemen, indien zulks met het oog op de executie vereist is. 2.6. [de eigenaar] en verweerders sub 4 zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. 3De verzoeken 3.1. Het verzoek ex artikel 3:264 lid 5 BW strekt tot het verkrijgen van verlof om het huurbeding, zoals omschreven in de hypotheekakten van 10 juni 1996 en 6 juli 2005, jegens de huurders en verweerders sub 4 in te roepen. 3.2. Rabobank stelt daartoe – kort gezegd – dat [de eigenaar] het pand zonder haar schriftelijke toestemming heeft verhuurd. Zij heeft belang bij verlof voor het inroepen van het huurbeding. Bij een openbare verkoop zal het pand in verhuurde staat minder opbrengen dan in onverhuurde staat. Hiervoor verwijst zij naar het door haar overgelegde taxatierapport van het pand, waarin de executiewaarde vrij van huur gewaardeerd wordt op € 205.000,-- en de executiewaarde in verhuurde staat op € 145.000,--. 3.3. Het verzoek ex artikel 3:267 BW strekt tot het verkrijgen van verlof om het pand in beheer te nemen en te ontruimen. 3.4. Rabobank stelt daartoe – kort gezegd – dat [de eigenaar] niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Vanaf 28 februari 2011 heeft hij al een achterstand laten ontstaan. Daarnaast heeft [de eigenaar] zonder schriftelijke toestemming van Rabobank de woning verhuurd. [de eigenaar] schiet dan ook in ernstige mate tekort in zijn verplichtingen jegens Rabobank. Rabobank heeft belang bij het in beheer nemen van de woning (en zo nodig bij ontruiming), omdat [de eigenaar] , die zelf niet in de woning verblijft, niet meewerkt aan een inpandige taxatie en de verwachting is dat hij ook niet mee zal werken aan bezichtigingen, aldus Rabobank. 4Het verweer De huurders hebben verweer gevoerd. Primair verzoeken zij het verlof tot het inroepen van het huurbeding te weigeren en subsidiair hen een ontruimingstermijn te gunnen van zes maanden. Dit verweer komt – voor zover relevant – hierna aan de orde. 5De beoordeling Het huurbeding 5.1. Vast staat dat de woning ten tijde van de hypotheekstelling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.