vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/555974 / HA ZA 13-1827 Vonnis van 28 oktober 2015 in de zaak van 1. de vereniging DE VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS (voorheen Vereniging VEB NCVB), gevestigd te 's-Gravenhage, 2. de stichting STICHTING VEB-ACTIE LANDIS, gevestigd te 's-Gravenhage, eiseressen, advocaat mr. drs. G.F.E. Koster te 's-Gravenhage, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. J.A.F. Stoel te Weesp. Eiseressen worden hierna VEB en de Stichting genoemd en gedaagden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De procedure tegen de in de dagvaarding genoemde gedaagden sub 3 tot en met 6 is doorgehaald. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 april 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald, het proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2015 en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren (respectievelijk vanaf de oprichting en vanaf 1996) tot 10 april 2002 bestuurders van het ICT-bedrijf Landis Group N.V. (hierna: Landis of de vennootschap). [gedaagde sub 1] was bestuursvoorzitter (CEO) en [gedaagde sub 2] was financieel directeur (CFO). Vanaf 1998 was Landis genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs. Landis is op 8 juli 2002 failliet verklaard. 2.2. Bij beschikking van 15 december 2011 heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam vastgesteld dat op het gebied van het financieringsbeleid, het acquisitiebeleid, de externe verslaggeving, de administratie en het functioneren van de raad van commissarissen tussen 11 maart 1998 en 10 april 2002 sprake is geweest van wanbeleid bij Landis en dat de raad van bestuur en de raad van commissarissen daarvoor verantwoordelijk zijn (ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8414; hierna: de beschikking van de Ondernemingskamer). De beschikking van de Ondernemingskamer heeft gezag van gewijsde. 2.3. Bij vonnis (uitvoerbaar bij voorraad) van 19 juni 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland de bestuurders en commissarissen van Landis veroordeeld tot voldoening aan de curatoren van Landis van het faillissementstekort, almede schadevergoeding nader op te maken bij staat (ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3225; hierna: het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland). De rechtbank heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tevens veroordeeld tot betaling van een voorschot aan de curatoren ten bedrage van € 25 miljoen. De rechtbank oordeelde onder meer dat het bestuur in de periode vanaf 23 april 1999 tot aan het faillissement niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW en dat de bestuurders aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:138 lid 2 BW. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de bestuurders op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk zijn voor de schade die Landis heeft geleden als gevolg van de in het vonnis vastgestelde tekortkomingen. Het bestuur is – kort samengevat – tekortgeschoten in haar bestuurstaak, met name wat betreft de boekhoudplicht, de gepubliceerde en aan banken verstrekte cijfers, de bepaling van overnameprijzen, de zorg voor de vereiste solvabiliteit, de naleving van de statuten en de samenstelling van de raad van commissarissen. Van een en ander valt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] persoonlijk een ernstig verwijt te maken, aldus de rechtbank Midden-Nederland. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn van dit vonnis in appel gegaan bij het gerechtshof Amsterdam. 2.4. VEB behartigt overeenkomstig haar statutaire doel de belangen van Nederlandse beleggers in effecten in het algemeen en die van haar leden in het bijzonder. VEB treedt in deze procedure op als belangenbehartiger van de gedupeerde beleggers in aandelen Landis (hierna: de gedupeerde beleggers), waaronder in het bijzonder de leden van VEB. 2.5. De Stichting behartigt overeenkomstig haar statutaire doel de belangen van de gedupeerde beleggers die met de Stichting een deelnemingsovereenkomst hebben gesloten. Dit betreft een groep van ruim 2.000 gedupeerde beleggers. Deze beleggers hebben hun (mogelijke) vorderingen op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de Stichting gecedeerd. 3Het geschil 3.1. VEB (op de voet van artikel 3:305a BW) en de Stichting vorderen, samengevat en na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verklaringen voor recht dat: de jaarrekeningen en jaarverslagen 1999 en 2000 en het halfjaarbericht 2001 (hierna ook: de (half)jaarcijfers of de financiële verslaglegging) een misleidende voorstelling hebben gegeven van de toestand van Landis in de zin van artikel 2:139 BW, de onder a genoemde misleidende voorstelling van de toestand van Landis door de (half)jaarcijfers te wijten is aan [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] , de in hoofdstuk 7B van de dagvaarding genoemde persberichten en uitlatingen in de media een misleidende voorstelling geven van de toestand van Landis in de periode tussen 11 maart 1998 tot en met 10 april 2002 en dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] dienaangaande onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedupeerde beleggers, het condicio sine qua non verband aanwezig is tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] (gelegen in het doen van onjuiste en misleidende mededelingen in de (half)jaarcijfers waardoor de gedupeerde beleggers hun beleggingsbeslissing op basis van onjuiste, onvolledige en misleidende informatie hebben moeten nemen) en de daardoor tot stand gekomen (ver)koop(voorwaarden) en de daardoor door de gedupeerde beleggers geleden koersschade in de periode tussen 11 maart 1998 tot en met 10 april 2002, althans een andere in goede justitie te bepalen periode, de koop en/of verkoop van aandelen Landis door de gedupeerde beleggers bij afwezigheid van het hiervoor onder d genoemde onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tegen een gunstiger marktprijs dan wel in het geheel niet tot stand zou zijn gekomen, [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedupeerde beleggers, zoals in de dagvaarding omschreven, in de periode tussen 11 maart 1998 en 10 april 2002, althans een andere in goede justitie te bepalen periode, dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] een ernstig verwijt kan worden gemaakt van hun onbehoorlijke taakvervulling en dat de gedupeerde beleggers die als gevolg daarvan schade hebben geleden in dit verband rechtstreeks een vordering kunnen instellen tegen [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] tot vergoeding van die schade, degenen die tussen 11 maart 1998 en 10 april 2002, althans een andere in goede justitie te bepalen periode, beleggingsbeslissingen hebben genomen met betrekking tot Landis onder “derden” als bedoeld in artikel 2:139 BW vallen en onder beleggingsbeslissingen het (bij)kopen, aanhouden en verkopen van aandelen valt. De Stichting vordert daarnaast (ten aanzien van de vorderingen van de gedupeerde beleggers die aan de Stichting zijn gecedeerd) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente. Eiseressen vorderen ten slotte veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten en de nakosten (te vermeerderen met wettelijke rente in geval van niet-tijdige betaling). 3.2. Ter onderbouwing van hun vorderingen stellen VEB en de Stichting het volgende. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn aansprakelijk jegens de gedupeerde beleggers op grond van balansaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 2:139 BW. De jaarrekeningen en jaarverslagen 1999 en 2000 en het halfjaarbericht 2001, die waren opgemaakt en getekend door onder anderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , waren misleidend. Dit is komen vast te staan in de procedure die heeft geleid tot – en blijkt uit – het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en de beschikking van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat bij Landis in de periode van 11 maart 1998 tot en met 10 april 2002 sprake was van wanbeleid voor wat betreft onderdelen van het financiële beleid, het acquisitiebeleid, de externe verslaglegging, de administratie en het functioneren van de raad van commissarissen. Beleggers hebben hierdoor schade geleden. Er is slechts geringe ruimte voor de bestuurders om zich te disculperen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wisten of hadden moeten weten dat de stukken misleidend waren. Het causaal verband tussen de misleiding en de daardoor door de beleggers geleden schade moet, zoals in het WOL-arrest (Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162) ten aanzien van de prospectusaansprakelijkheid is bepaald, ook voor de onderhavige balansaansprakelijkheid worden aangenomen. De gedupeerde beleggers hadden – als zij op de hoogte waren geweest van de werkelijke gang van zaken bij Landis en zij niet waren misleid op de wijze als vastgesteld door de rechtbank Midden-Nederland – nooit aandelen Landis gekocht, althans hadden zij de aandelen gekocht tegen een veel lagere prijs, althans hadden zij de gekochte aandelen veel eerder verkocht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daarnaast onrechtmatig gehandeld jegens de gedupeerde beleggers door misleidende publieke berichtgeving met betrekking tot in het bijzonder de winstverwachting van Landis, de solvabiliteitsgrens en de omvang van de post debiteuren. Deze misleidende berichtgeving heeft invloed gehad op de marktwaarde van de aandelen Landis. Ook hierdoor hebben beleggers schade geleden. Voorts is niet aannemelijk dat de financiering van de acquisities zorgvuldig is voorbereid, Landis heeft ondernemingen overgenomen die technisch failliet waren en de externe verslaggeving kon niet door de beugel. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kan van dit alles een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt: van het falende financierings- en acquisitiebeleid, de achterstanden in de administratie, de niet goed functionerende commissarissen en het niet naleven van de statuten. Dit betekent dat zij de elementaire beginselen van goed ondernemerschap niet hebben nageleefd en hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld. Daarmee hebben zij onrechtmatig gehandeld (op grond van artikel 6:162 BW) jegens de gedupeerde beleggers die daardoor schade hebben geleden, aldus steeds VEB en de Stichting. 3.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling nietigheid dagvaarding 4.1. De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op nietigheid van de dagvaarding. De feitelijke en juridische grondslag van de vorderingen, ook het onderdeel “onrechtmatige daad”, is daarin voldoende duidelijk toegelicht. De rechtbank en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen daaruit opmaken waar het geschil over gaat. Het betoog dat niet tegelijkertijd rechtstreekse en afgeleide schade kan worden gevorderd gaat, zonder voldoende duidelijke toelichting die niet is gegeven, niet op, en leidt in ieder geval niet tot nietigheid van de dagvaarding. Niet valt in te zien dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet zowel tegen de vordering met betrekking tot het ene als tegen die met betrekking tot het andere kunnen verweren. Zij zijn dan ook niet in hun verweermogelijkheden geschaad. balansaansprakelijkheid (artikel 2:139 BW) 4.2. Voor wat betreft de onjuiste informatie in de financiële verslaglegging van Landis hebben VEB en de Stichting verwezen naar de volgende zaken die in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland zijn vastgesteld. ten aanzien van de jaarrekening 1999 (r.ov. 9.5.53 en 9.5.54) 4.2.1. Samengevat bevat de jaarrekening in strijd met artikel 2:10 BW de volgende onjuiste en daarmee misleidende gegevens: - de consolidatie van het resultaat van Ilion over de maanden januari tot en met oktober 1999, waardoor het resultaat van Landis met minimaal € 1,8 miljoen te hoog is weergegeven; - de bate van € 3,8 miljoen die in verband met het crediteurenakkoord ten behoeve van [naam] als buitengewone bate is verwerkt in plaats van in de overnamebalans, waardoor het resultaat van Landis met € 3,8 miljoen te hoog is weergegeven; - de afboeking op het eigen vermogen van € 61 miljoen ter zake van goodwill in verband met de overname van Ilion, in plaats van € 54 miljoen, waardoor het resultaat van Landis met € 7 miljoen te hoog is weergegeven; - de mededeling in de jaarrekening dat in het kader van de overname van Ilion eigen vermogen is aangetrokken ter versterking van de balans, welke mededeling in strijd met de werkelijkheid was; - de meegeconsolideerde omzet van Ilion over de eerste negen maanden van 1999, waardoor Landis haar omzet veel te hoog heeft weergegeven; - de boeking als buitengewone last van de correctie van vorderingen uit hoofde van rebates en nog te ontvangen facturen, terwijl deze post als operationele kosten ten laste van het operationeel resultaat gebracht had moeten worden, met als gevolg dat de kwaliteit van de nettowinst te gunstig is voorgesteld; - de met de overname van 4U Group gemoeide goodwill van € 8,4 miljoen die is verwerkt alsof er slechts € 3.000 aan goodwill is betaald. Het resultaat voor belastingen bedroeg volgens de jaarrekening 1999 € 15,5 miljoen. Geconcludeerd kan worden dat dit resultaat met € 12,6 miljoen (€ 1,8 + € 3,8 miljoen + € 7 miljoen) te hoog is weergegeven en in werkelijkheid € 2,9 miljoen bedroeg. ten aanzien van de jaarrekening 2000 (r.ov. 9.6.47) 4.2.2. Samengevat staat vast dat de jaarrekening in strijd met artikel 2:10 BW op de volgende punten onjuiste dan wel incomplete en daarmee misleidende gegevens bevat: - de opname in de geconsolideerde Landis-omzet van de omzet van Detron over de maanden mei en juni 2000 van € 31,5 miljoen; - het als buitengewone lasten aanmerken van de € 6,4 miljoen die op het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening in mindering hadden dienen te worden gebracht, in verband met de opschoning van de vorderingen uit rebates en van de vorderingen van schuldeisers; - de € 4,8 miljoen verlies die niet op het geconsolideerde resultaat in mindering is gebracht, maar aan de goodwill van Ilion is toegevoegd; - de € 5 miljoen verlies die niet op het geconsolideerde resultaat in mindering is gebracht, maar aan de goodwill van Detron is toegevoegd; - het niet te kwantificeren bedrag waarvoor bij consolidatie de cijfers van de individuele leden van de Landis-groep ten onrechte naar boven zijn bijgesteld; - ten aanzien van de achtergestelde converteerbare lening die in 2001 werd uitgegeven (de Convertible): de onvoldoende vermelding van het daaraan klevende verwateringsgevaar en de onjuiste vermelding omtrent het tijdstip van de eerste opname; - het niet opnemen in de geconsolideerde balans van de (voorwaardelijke) earn-outverplichtingen die voortvloeiden uit het overnamecontract rond ICT.com. Op grond van deze posten staat vast dat het geconsolideerde resultaat over 2000 voor ten minste (€ 4,8 miljoen + € 5 miljoen =) € 9,8 miljoen te hoog is weergegeven, zodat deze niet € 24,7 beliep, maar ten hoogste € 14,9 miljoen. Daarnaast heeft het niet te kwantificeren bedrag van de ten onrechte doorgevoerde hoofdkantooraanpassingen in verdere mate voor flattering van die resultaten gezorgd, waardoor de winst op een (onbekend) lager bedrag dan die € 14,9 miljoen sluit. Bovendien hebben alle genoemde tekortkomingen gezamenlijk gezorgd voor een misleidend beeld omtrent de financiële stand van zaken van Landis per ultimo 2000. ten aanzien van het halfjaarbericht 2001 (r.ov. 9.7.34 en 9.18.9) 4.2.3. Het staat (samengevat) vast dat het halfjaarbericht 2001 in strijd met artikel 2:10 BW op de volgende punten onjuiste dan wel incomplete en daarmee misleidende gegevens bevat: - de vermelding van een omzetgroei over het eerste halfjaar 2001 ten opzichte van het eerste halfjaar 2000 met 16%, in plaats van 9%; - de vermelding van de boekwinst van € 7,6 miljoen op de verkoop van de bedrijfsonderdelen aan CSS als omzet en daarmee als bedrijfsresultaat in plaats van als resultaat op deelnemingen, tengevolge waarvan de EBIT met € 7,6 miljoen te hoog is weergegeven; - het activeren van koersverliezen, waardoor het resultaat en het werkkapitaal met € 4,4 miljoen te positief is weergegeven; - de vrijval voor niet opgenomen vakantiedagen bij Citee, waardoor het resultaat met € 0,25 miljoen te hoog is weergegeven; - het activeren van geplande implementatiekosten van Oracle met € 0,2 miljoen, waardoor het resultaat met dit bedrag te hoog is weergegeven; - het niet vermelden van de overname van Teletron. Het in het halfjaarbericht 2001 gepresenteerde resultaat bedroeg € 12,5 miljoen, terwijl dit € 7,65 had moeten zijn. 4.2.4. De rechtbank Midden-Nederland oordeelt voorts op grond van de omvang en veelheid van de correcties dat sprake was van een patroon van manipulatie met cijfers en verhulling van de werkelijkheid. De doelbewuste manipulatie wordt geïllustreerd door een e-mail van de Group Finance Director van 1 december 2000 waaruit blijkt dat gestuurd werd op de uitkomst van een bepaalde winst per aandeel. 4.2.5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben al deze vaststellingen niet inhoudelijk bestreden. Hun verweer dat de enkele vaststelling van wanbeleid door de Ondernemingskamer niet hun civielrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt, kan niet als een inhoudelijke betwisting van de vastgestelde feiten worden aangemerkt. Daarbij geldt dat genoemde feiten ook in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland zijn vastgesteld. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat zij tegen dit vonnis appel hebben ingesteld. Dit maakt evenwel niet dat de rechtbank niet van de inhoud van dit vonnis, dat op de in dit verband relevante onderdelen bovendien uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan uitgaan, nu de inhoud ervan in deze procedure niet is betwist. Gesteld noch gebleken is immers op welke gronden het appel is ingesteld en dat en waarom het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland over de vastgestelde feiten en de juridische beoordeling daarvan onjuist zou zijn. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in deze procedure zal uitgaan van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland zoals hiervoor in 4.2.1 t/m 4.2.4 kort samengevat weergegeven. 4.2.6. Op grond van deze feiten zowel afzonderlijk als in onderling samenhang bezien, is de rechtbank – met de rechtbank Midden-Nederland – van oordeel dat door de jaarrekeningen en jaarverslagen over de jaren 1999 en 2000 en het halfjaarbericht 2001 een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap is gegeven. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens de gedupeerde beleggers aansprakelijk zijn voor de schade die zij dientengevolge hebben geleden. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 2:139 BW; de gedupeerde beleggers zijn als aandeelhouders immers aan te merken als “derden” als bedoeld in dit artikel. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet aangevoerd dat het voorgaande niet aan hen te wijten is. misleidende publieke berichtgeving 4.3. Voor wat betreft overige misleidende publieke berichtgeving door Landis, althans [gedaagde sub 1] , zoals opgesomd in hoofdstuk 7B de dagvaarding, is in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, voor zover van belang, het volgende vastgesteld: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.