vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/583887 / HA ZA 15-313 Vonnis in incident van 25 november 2015 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, eiseres in het incident, advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,
- [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen,
- [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. J.M. Eringa te Enschede. Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in het incident ex artikel 843a Rv van 5 augustus 2015, de incidentele conclusie tot vrijwaring, de incidentele antwoordconclusie van [eiseres] . 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident 2.
- Op 13 mei 2015 heeft mr. H. Loonstein zich gesteld voor [gedaagde sub 1] . Op 24 juni 2015 heeft mr. Loonstein namens [gedaagde sub 1] een incidentele conclusie ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genomen. Op die vordering is bij vonnis van 5 augustus 2015 beslist. Op 30 september 2015 heeft mr. Loonstein de incidentele conclusie tot vrijwaring genomen. Hoewel dat uit de aanhef van deze conclusie niet blijkt, begrijpt de rechtbank dat deze conclusie eveneens alleen namens [gedaagde sub 1] is ingediend. 2.
- Op grond van artikel 210 lid 1 Rv moet een conclusie tot oproeping in vrijwaring worden genomen voor alle weren, zulks op straffe van verval van het recht daartoe (artikel 211 Rv). Deze regel moet aldus worden uitgelegd dat voldoende maar tevens noodzakelijk is dat de gedaagde die een derde in vrijwaring wil oproepen, dat doet in de eerste namens of door hem genomen schriftelijke conclusie (vgl. Hoge Raad 29 april 1994, NJ 1994/488). Naar het oordeel van de rechtbank moet deze regel in verband met de goede procesorde strikt worden toegepast. In dit geval was de eerste door [gedaagde sub 1] ingediende conclusie de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv. Het incident tot oproeping in vrijwaring is dus niet opgeworpen in de eerste conclusie en daarom tardief. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar incidentele vordering, omdat deze vordering niet gelijktijdig is ingediend met de incidentele vordering ex artikel 843a Rv. 2.
- [gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- verklaart [gedaagde sub 1] niet ontvankelijk in haar vordering, 3.
- veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 452,00, 3.
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 3.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 december 2015 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 1] , 3.
- iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 25 november
- type: HD coll: