RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/520094-09 Datum uitspraak: 10 december 2015 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22, 26 (inhoudelijke behandeling), 27 (requisitoir) en 29 oktober 2015 (pleidooi), 3 (repliek) en 4 (dupliek en laatste woord verdachte) november 2015 en 3 december 2015 (sluiting). 1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.A. Boheur en M.J. Dontje en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.T.C. van Kampen, naar voren hebben gebracht. 2Inleiding Op 1 oktober 2007 is de Belastingdienst een onderzoek gestart naar de aangiften vennootschapsbelasting van Nawon Holding B.V. Nawon was een bedrijf dat zich richtte op beleggingen in vastgoed waarvan [naam 1] de directeur was. Uit dat boekenonderzoek kwam naar voren dat Nawon en [naam 1] gelden hadden overgemaakt voor de aanschaf en inrichting van een op naam van verdachte aangeschaft appartement in [plaats] . Verdachte was op dat moment bestuursvoorzitter van de Woningstichting Rochdale. Nawon had een deel van het woningbezit van Rochdale gekocht. Op 27 november 2008 is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Op 13 maart 2009 is namens Rochdale aangifte gedaan tegen verdachte onder meer wegens verduistering in dienstbetrekking. In de aangifte van Rochdale wordt melding gemaakt van het gebruikmaken van telefoons van Rochdale door familieleden van verdachte en het doen van privéuitgaven door verdachte met creditcards van Rochdale. De aangifte van Rochdale is voornamelijk gebaseerd op het forensisch accountantsonderzoek dat Rochdale door Deloitte heeft laten uitvoeren. Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat naast betalingen die door Nawon/ [naam 1] zijn verricht voor een appartement van verdachte, [naam 1] een Spaanse villa aan verdachte ter beschikking heeft gesteld en andere betalingen ten behoeve van verdachte heeft verricht. In de periode dat [naam 1] deze betalingen heeft verricht, hebben diverse vastgoedtransacties plaatsgevonden tussen Rochdale en Nawon. Dit heeft geleid tot de verdenking dat verdachte zich heeft laten omkopen door [naam 1] . Uit het onderzoek is verder naar voren gekomen dat [naam 2] die tot 1 juni 2009 bestuurder en enig aandeelhouder van de [naam 7] was, een bedrijf dat sloopwerkzaamheden verricht, drie keer geld heeft overgemaakt naar Spanje ten behoeve van verdachte. Tevens zou verdachte twee auto’s ter beschikking hebben gekregen van [naam 7] / [naam 2] . In de periode van het ter beschikking stellen van de auto’s en de overgemaakte bedragen zijn er diverse sloopopdrachten aan [naam B.V.] , een van de werkmaatschappijen van de [naam 7] gegund door Rochdale. Een en ander heeft geleid tot de verdenking dat verdachte steekpenningen heeft aangenomen van [naam 7] / [naam 2] . Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie een kopie van een factuur van [bedrijfsnaam] , de toenmalige echtgenote van verdachte, gericht aan A.M. Development International B.V, ontvangen. Deze vennootschap investeert in, ontwikkelt en beheert grootschalig gemengd gebruik van winkelcentra en binnenstedelijke projecten. In de desbetreffende factuur staat dat [bedrijfsnaam] . advieswerkzaamheden heeft verricht voor A.M. Development International B.V. Aangezien het vermoeden was dat [naam 3] geen werkzaamheden heeft verricht, is de verdenking gerezen dat zij en verdachte deze factuur valselijk hebben opgemaakt. De betaling van deze factuur heeft plaatsgevonden op de dag vóórdat een omvangrijke transactie met Rochdale werd gesloten. A.M. Development International B.V. verkoopt dan het Bruggebouw aan het Bos en Lommerplein in Amsterdam aan Rochdale voor ongeveer 38 miljoen euro en wordt gezien als een steekpenning voor verdachte. Het onderzoek heeft verder geleid tot de verdenking dat verdachte onjuiste belastingaangiften heeft gedaan en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Ten slotte wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij meineed heeft gepleegd tijdens zijn verhoor bij de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties. 3Tenlastelegging 3.1. Aan verdachte is na wijzigingen van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 december 2014, 22 oktober 2015 en 3 november 2015 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan: Verduistering in dienstbetrekking en/of diefstal en/of oplichting (artikel 321 en 322, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht). Niet-ambtelijk (passieve) omkoping, subsidiair en meer subsidiair ambtelijke (passieve) omkoping door [naam 2] en/of [naam 1] en/of A.M. Development International B.V. (artikel 328ter, 177 en 177a van het Wetboek van Strafrecht). (Gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter van het Wetboek van Strafrecht). Opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangifte over de jaren 2003, 2005 en 2007 (Artikel 69 van de Algemene wet op de Rijksbelastingen); Valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van een vals geschrift (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht). Meineed ten overstaan van de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht). 3.2. De tekst van de integrale (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 4.1. De geldigheid van de dagvaarding 4.1.1. De raadsvrouw heeft ter zitting van 22 oktober 2015 als preliminair verweer aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (gewoontewitwassen) nietig is omdat volgens haar sprake is van een obscuur libel. Zij heeft samengevat het volgende betoogd. Het is de verdediging tegen de achtergrond van het dossier volstrekt onduidelijk wat verdachte nu precies wordt verweten. Het gaat hier om een kakafonie van beschuldigingen, te weten vijf juridische gedragingen (verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en gebruik maken), gecombineerd met negen verschillende voorwerpen/geldbedragen. Het Openbaar Ministerie dient in zo’n geval in de tenlastelegging te duiden waaruit de strafbare handeling – de verbergings- of de verhullingshandeling met betrekking tot de criminele herkomst van het voorwerp – dan zou hebben bestaan omdat eerst met die handeling sprake is van witwassen. 4.1.2. De rechtbank heeft het verweer verworpen en als volgt overwogen. Beoordeeld moet worden of de beschuldiging van witwassen in samenhang met het dossier voldoende duidelijk is in die zin dat verdachte geacht moet worden te begrijpen waartegen hij zich moet verdedigen en het de rechtbank ook duidelijk is wat verdachte wordt verweten. Vooropgesteld moet worden dat het verbergen of verhullen geen bestanddeel is van het ten laste gelegde witwassen, te weten artikel 420bis, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat duidelijk is waartegen verdachte zich moet verdedigen. De visie van de verdediging dat het Openbaar Ministerie gehouden is de verbergings- of verhullingshandeling in de tenlastelegging te vermelden, deelt de rechtbank niet. De vraag of sprake is geweest van een verbergings- en/of verhullingshandeling komt pas na een eventuele bewezenverklaring aan de orde als de vraag moet worden beantwoord of het bewezenverklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd. De rechtbank merkt ten overvloede op dat aan de termen ‘verbergen en/of verhullen’, die ontleend zijn aan artikel 420bis aanhef en sub a van het Wetboek van Strafrecht, voldoende feitelijke betekenis toe komt (HR 9 september 2008, NJ 2008/496). De rechtbank verwerpt het verweer. 4.1.3. De rechtbank heeft ter zitting van 22 oktober 2015 naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer en overeenkomstig de vordering van het Openbaar Ministerie het onder 4 ten laste gelegde voor zover het betreft de zinsnede “en/of voordeel uit sparen en beleggen” partieel nietig verklaard. Ten aanzien van het overige onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de inhoud van het desbetreffende zaaksdossier, het voor verdachte en rechtbank voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten. Zij heeft het verweer van de verdediging dat dit niet het geval is daarom verworpen. 4.2. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 4.2.1. De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde (meineed) betoogd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Zij heeft hiertoe een drietal gronden aangevoerd. 1. Door verdachte onder de na te noemen omstandigheden te vragen naar mogelijk gepleegde strafbare feiten is hij door de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (PEC), zijnde een centraal orgaan van de Staat, aangezet tot het plegen van meineed. De Staat heeft daarmee bewust inbreuk gemaakt op een lopende strafzaak. Immers: De keuzemogelijkheid om of naar waarheid verklaren of te weigeren te verklaren, is verdachte niet voorgelegd. Daarbij komt dat niet alleen de eerste optie maar ook de tweede optie het risico op een strafrechtelijke vervolging mee brengt. Indien de enquêtecommissie volhardt in de vraag en de getuige volhardt in zijn weigering te verklaren, kan gijzeling volgen en loopt de getuige het substantiële risico op strafvervolging wegens schending van de getuigplicht. Bovendien is het de vraag of een weigering een vraag te beantwoorden met verwijzing naar een belastend antwoord daarop, feitelijk niet evenzeer een bevestigend antwoord op de vraag is. De ‘bescherming’ die artikel 30 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 (WPE) biedt, is een schijnzekerheid. Dat die verklaring van het bewijs wordt uitgesloten, sluit niet uit dat een publieke bekentenis anderszins een rol kan spelen in een strafzaak bijvoorbeeld in de rechterlijke overtuiging. De keuzemogelijkheid van verdachte was de facto geheel afwezig, waardoor hij in een dwangpositie is geplaatst. Verdachte heeft aldus in een overmachtssituatie verkeerd. Parallel aan het parlementaire-enquêteonderzoek liep een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte, dat daaraan in tijd zelfs vooraf ging, en waarin hij reeds als verdachte was aangemerkt. Tussen de PEC en het OM vond overleg plaats over de verschillende onderzoeken. De gestelde vraag was niet van belang voor het parlementaire-enquêteonderzoek, maar wel relevant voor het strafrechtelijk onderzoek. De gestelde vraag betrof de essentie van het strafrechtelijk verwijt. Leden van een parlementaire-enquêtecommissie dienen in de termen van het EHRM bij uitstek te worden aangemerkt als “state agents”. Zij behoren zich ervan te onthouden burgers te brengen tot het plegen van (vermeend) strafbare feiten die zonder die betrokkenheid niet zouden zijn gepleegd. Indien de nationale wetgeving toelaat dat het resultaat daarvan gebruikt kan worden als bewijs van dat strafbare feit, dan voldoet dat nationale recht niet aan het vereiste van een eerlijk proces. De beslissing van het OM verdachte vervolgens naast niet-ambtelijke (passieve) omkoping voor meineed te vervolgen is in strijd met alle beginselen geldend in een democratische rechtsstaat. Primair is hierop (een variant van) het Tallon-criterium van toepassing, dat ook voor leden van een parlementaire-enquêtecommissie geldt. Wegens schending van dit criterium dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair geldt dat het OM het bovenbedoelde optreden van de PEC geïnitieerd dan wel (minst genomen) gefaciliteerd heeft (Vgl. HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7636) nu blijkt dat deze commissie in het kader van haar onderzoek werkafspraken heeft gemaakt met het OM met het oog op lopende strafrechtelijke onderzoeken. Het is onmogelijk dat de PEC geen kennis genomen heeft van het procesdossier van verdachte en niet wist dat hij de feiten ontkende. De opmerking van de commissie dat zij zich ervan heeft vergewist dat haar onderzoek geen inbreuk maakt op lopende strafzaken, impliceert dat de vragen aan verdachte tijdens het openbaar verhoor met het OM moeten zijn afgestemd. 2. De tweede grond voor het niet-ontvankelijkheidsverweer betreft een schending van het nemo-teneturbeginsel, dat inhoudt dat niemand gedwongen mag worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De (ontkennende) verklaring van verdachte, die onder ede stond tijdens het PEC-verhoor, is onder dwang afgelegd. Zie in dit verband met name de arresten van het EHRM inzake Saunders, Marttinen en Quinn. Indien aan een verdachte, beëdigde getuige niet wordt voorgehouden dat hij het recht heeft om te zwijgen, dan kan de afgelegde verklaring niet als bewijs worden gebruikt in het geval van bestaande samenloop tussen verschillende procedures, waarvan er één strafrechtelijk van aard is. In deze situatie wordt immers doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort gedaan. Met inachtneming van het Zwolsman-criterium moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2003 (NJ 2003, 711) en het daarop gevolgde arrest van het EHRM van 23 maart 2006 (Van Vondel t. Nederland, 38258 EHRC 2006/80) waar het OM op heeft gewezen, zijn in de onderhavige situatie niet van toepassing. In die zaak bestond immers, anders dan hier het geval is, nog geen criminal charge op het moment dat de getuige onder ede werd gehoord. 3. De derde grond betreft het ontbreken van een redelijk belang van het OM bij de onderhavige vervolging. De PEC heeft geen aangifte gedaan van meineed en de voorzitter van de PEC heeft bij de presentatie van het eindrapport opgemerkt dat er voor de commissie daartoe geen aanleiding was. Hieruit volgt dat de waarheidsvinding naar het oordeel van de PEC niet in het geding was. 4.2.2. De rechtbank overweegt als volgt. 4.2.2.1. Op 6 juni 2014 is verdachte in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter van Rochdale als getuige onder ede gehoord door de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (PEC) tijdens een openbaar verhoor (het PEC-verhoor). In het stenografisch verslag van dit verhoor staat vermeld: “Mevrouw Hachchi: Hebt u ooit geld of gunsten aangenomen voor eigen voordeel?” De heer [verdachte] : Nooit. De heer Oskam: Mijn laatste vraag. Mevrouw Hachchi vroeg of u ooit geld, gunsten of steekpenningen hebt aangenomen. U antwoordde daarop met een volmondig “nee, nooit”. Nou lopen er twee gescheiden trajecten: een strafzaak bij het Openbaar Ministerie – daar hebben wij geen inzage in – en deze parlementaire enquête. Dit is weer een heel andere rechtsgang, zal ik maar zeggen. De verdenking dat u gunsten en steekpenningen hebt aangenomen, is er wel. De heer [verdachte] : Ze zijn me nog nooit aangeboden en ik heb ze nog nooit gevraagd. De heer Oskam: Dus: het wordt vrijspraak. De heer [verdachte] : Voor mij wel.” 4.2.2.2. De doelstelling van de PEC was om “inzicht te verschaffen in de opzet en werking van het stelsel van woningcorporaties om te komen tot waarheidsvinding en beoordeling van het stelsel en zo bij te dragen aan ontwikkeling van toekomstig beleid.” Het verhoor van verdachte vond plaats in het kader van een deelonderzoek naar aanleiding van “incidenten bij woningcorporaties waar laakbaar gedrag door het interne en externe toezicht onvoldoende en te laat is onderkend”. De centrale vraag bij dit deelonderzoek luidde: “of de onderzochte casussen uitsluitend incidenten zijn of dat het ook symptomen zijn van structurele tekortkomingen in het stelsel van woningcorporaties”. 4.2.2.3. In het Hoofdrapport van de PEC staat vermeld: “De commissie legde, met het oog op lopende strafrechtelijke onderzoeken, contact met de Minister van Veiligheid en Justitie en maakte werkafspraken met betrekking tot informatieverstrekking door hem en het onder hem ressorterende Openbaar Ministerie (OM). De werkafspraken berusten op wederzijds begrip voor ieders verantwoordelijkheden. De commissie hanteerde in de op de werkafspraken gebaseerde contacten met het OM het uitgangspunt dat zij haar eigen onderzoek uitvoert en daarvoor onbelemmerd kennis kan nemen van alle voor haar onderzoek benodigde informatie. De commissie kon zo zelf een afgewogen keuze maken om tijdens de openbare verhoren desgewenst alle onderwerpen aan de orde te stellen die zij noodzakelijk achtte voor het onderzoek. De commissie heeft zich ervan vergewist dat haar onderzoek geen inbreuk maakt op lopende strafzaken.” 4.2.2.4. Ingevolge artikel 30 WPE mag wat ten overstaan van een parlementaire-enquêtecommissie wordt verklaard, niet als bewijs in een strafzaak worden gebruikt. Ingevolge artikel 32 WPE is dat slechts anders indien sprake is van (onder meer) een meinedige verklaring. 4.2.2.5. Uit de Memorie van Toelichting op de WPE blijkt dat bewust gekozen is om geen verschoningsrecht op te nemen voor personen die verplicht worden tot medewerking aan de verhoren omdat de artikelen 29 en 30 die personen voldoende bescherming bieden. Het opnemen van een dergelijk recht zou het belang van informatievergaring door de enquêtecommissie in feite ondergeschikt maken aan het strafproces. 4.2.2.6. De rechtbank zal de eerste twee gronden in onderlinge samenhang bezien beoordelen. Beide gronden zijn in essentie gefundeerd op het standpunt dat het PEC-verhoor in relatie tot de beoogde vervolging door het OM inzake meineed in het onderhavige geval strijdig is met artikel 6 EVRM. In het bijzonder doelt de raadsvrouw op de vraag van PEC-lid Hachchi en de opmerking van PEC-lid Oskam die in de tenlastelegging staan waarop betrokkene heeft geantwoord. De desbetreffende vraag en de opmerking worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de vraagstelling”. 4.2.2.7. De rechtbank stelt voorop dat de parlementaire-enquêteprocedure, geregeld in de WPE, een procedure is die in beginsel los staat van en een ander doel dient dan de strafrechtelijke procedure. Hieruit volgt dat de rechtbank terughoudendheid dient de betrachten indien haar een oordeel wordt gevraagd ten aanzien van de gang van zaken tijdens die procedure in een concreet geval. De vraag is of het PEC-verhoor moet worden aangemerkt als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. 4.2.2.8. Hiervoor is uiteengezet in welk kader het PEC-verhoor van verdachte plaatsvond. De specifieke onderzoeksvraag luidde of dit uitsluitend incidenten waren of ook symptomen van structurele tekortkomingen in het stelsel. In dat kader is verdachte als beëdigd getuige gehoord door de PEC. De in het geding zijnde vraagstelling in het PEC-verhoor was gericht op omkoping als mogelijk laakbaar gedrag van de bestuursvoorzitter van Rochdale. Deze vraagstelling was dus relevant voor het PEC-onderzoek, gelet op de strekking en doelstelling daarvan. Dit parlementaire onderzoek was, gegeven de parlementaire taken, gericht op waarheidsvinding en het vaststellen van feiten door middel van, onder meer, het horen van verdachte. De vraagstelling betrof niet het vaststellen van schuld aan strafbare feiten en was ook geen verkapte vorm van strafrechtelijk onderzoek. Er was geen sprake van een verhoor met het (enkele) doel de reeds gaande strafrechtelijke opsporing verder te helpen. 4.2.2.9. Dat sprake was van feitelijke overlap met een reeds bestaande strafrechtelijke verdenking van omkoping kan evenmin leiden tot een schending van artikel 6 EVRM. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar gesteld feit stond niet in de weg aan het uitoefenen van bevoegdheden door de PEC. Op grond van artikel 30 WPE was verdachte ervan verzekerd dat een verklaring naar waarheid niet als bewijs in de strafzaak zou hebben kunnen gelden, ook niet nu de vraagstelling, als aangegeven door de raadsvrouw, feitelijk de kern van de strafrechtelijke verdenking raakte. De raadsvrouw heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het getuigenverhoor als zodanig verdachtes strafrechtelijke positie heeft geraakt en overigens was het strafrechtelijk opsporingsonderzoek jegens verdachte reeds afgerond ten tijde van het PEC-verhoor. 4.2.2.10. Van relevante dwang was, gelet op deze bescherming, geen sprake. Dat, als aangevoerd door de raadsvrouw, de PEC bij aanvang van het verhoor verdachte niet gewezen heeft op de mogelijkheid niet te antwoorden ten aanzien van de genoemde specifieke vraag, maakt dit niet anders. Doorslaggevend is immers dat een naar waarheid afgelegde verklaring niet als bewijs gebruikt mag worden in een strafrechtelijke procedure. Hier is sprake van een wettelijke bewijsuitsluitingsgrond. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever oog heeft gehad voor de dilemma’s die verbonden zijn aan de plicht van een beëdigde getuige. Dit alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de aan betrokkene als verdachte toekomende waarborgen door de bewijsuitsluiting ex artikel 30 WPE op afdoende wijze in overeenstemming met artikel 6 EVRM in acht zijn genomen. 4.2.2.11. De rechtbank stelt volledigheidshalve vast dat de vervolging niet gericht is op een verklaring naar waarheid, maar op de door verdachte afgelegde verklaring die verondersteld meinedig is. Ingevolge artikel 32 WPE ziet de bewijsuitsluiting van artikel 30 WPE niet op meinedige verklaringen. Het nemo-teneturbeginsel heeft geen betrekking op het afleggen van onware verklaringen. Het beschermt tegen het gedwongen zijn om opening van zaken te geven en niet op het tegendeel daarvan. Ook om die reden kan geen sprake zijn van een inbreuk op artikel 6 EVRM. 4.2.2.12. Dit oordeel is in lijn met de genoemde arresten van de Hoge Raad en het EHRM in de zaak Van Vondel. Dat anders dan in die zaak, hier wel sprake is van een reeds bestaande strafrechtelijke verdenking, is daarbij niet van belang. 4.2.2.13. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is geweest van een inbreuk op artikel 6 EVRM door het PEC-verhoor als zodanig en evenmin in relatie tot de strafrechtelijke vervolging van verdachte ter zake van de door hem tijdens het PEC-verhoor afgelegde verklaring. 4.2.2.14. Hieruit volgt dat op die basis niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de overige verweren. Ook overigens is niet gebleken van een zodanige betrokkenheid van het OM bij het PEC-verhoor, dat hieruit op zichzelf reeds voortvloeit dat artikel 6 EVRM is geschonden. Uit de enkele omstandigheid dat de PEC in het kader van het parlementaire-enquêteonderzoek werkafspraken heeft gemaakt met het OM, kan niet worden afgeleid dat het OM op onrechtmatige wijze aan de PEC informatie uit het strafrechtelijk onderzoek heeft verstrekt, de desbetreffende vragen met de PEC heeft afgestemd dan wel anderszins een zodanige beïnvloedende rol heeft gespeeld in dit verhoor, dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. 4.2.2.15. De conclusie is dat het niet-ontvankelijkheidsverweer in zoverre wordt verworpen. 4.2.2.16. Ten aanzien van het verweer dat het OM geen redelijk belang heeft bij de vervolging voor meineed en om die reden niet-ontvankelijk is, geldt het volgende: In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is het zogenoemde opportuniteitsbeginsel neergelegd. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Alleen in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat de PEC, hoewel daartoe bevoegd, geen aangifte heeft gedaan van meineed geen zodanige omstandigheid dat geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met het instellen van de vervolging voor meineed enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Ook dit onderdeel van het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt daarom verworpen. 4.2.2.17. De conclusie is dat het niet-ontvankelijkheidverweer in al zijn onderdelen wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging. 5Waardering van het bewijs 5.1.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle 6 ten laste gelegde feiten en gevorderd verdachte op onderdelen vrij te spreken dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging. 5.1.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen integrale vrijspraak bepleit. 5.1.3. Feiten en omstandigheden Hierna zal de rechtbank per ten laste gelegd feit de feiten en omstandigheden bespreken in verband met de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten zijn genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. 5.2. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde 5.2.1. De beschuldiging Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij in de periode 2007 - 2008 in privé gemaakte mobieletelefoonkosten ten laste van Rochdale heeft laten komen en dat hij privéuitgaven heeft betaald met creditcards van Rochdale en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, diefstal en/of oplichting. De officier van justitie heeft deze beschuldiging nader geconcretiseerd in die zin dat een bewezenverklaring dient te volgen ter zake van verduistering in dienstbetrekking betreffende de belkosten en voor oplichting wat betreft de creditcarduitgaven. 5.2.2. Feiten en omstandigheden 5.2.2.1. Belkosten Aan verdachte zijn in de loop van zijn dienstverband, maar in ieder geval vanaf 2001, door (de rechtsvoorgangers van) Rochdale verscheidene mobiele telefoons ter beschikking gesteld met nummers eindigend op #4653; #0501; #8100; #1691 en #8921. De telefoons stonden op naam van verdachte en de nota’s werden door Rochdale voldaan. De telefoons met de nummers eindigend op #4653 en #8921 waren in gebruik bij verdachte. De nummers #0501 en #1691 waren in gebruik bij de zoon en dochter van verdachte. Verdachte heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het gebruik van deze laatstgenoemde telefoonnummers en de betaling van de daaraan verbonden kosten door Rochdale samenhing met de kritieke gezondheidstoestand van zijn in oktober 2001 overleden echtgenote en dat dit in samenspraak met en met goedvinden van Rochdale had plaatsgevonden. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij, achteraf bezien, dit gebruik door zijn kinderen eerder had moeten beëindigen, zeker een jaar na het overlijden van zijn echtgenote en dit heeft verzuimd omdat hij het vergeten was. Het telefoonnummer eindigend op #8100 is in gebruik geweest bij verdachtes toenmalige echtgenote [naam 3] . Verdachte heeft dit erkend maar heeft verklaard dat het gebruik van dit telefoonnummer samenhing met haar werkzaamheden voor Suriscoop en als zodanig daarmee zakelijk gebruik betrof. Op grond van het bij Rochdale geldende en bij verdachte bekende beleid, was niet toegestaan deze uit te lenen of aan anderen ter beschikking te stellen. 5.2.2.2. Creditcards Aan verdachte zijn in de loop van zijn dienstverband door (de rechtsvoorgangers van) Rochdale verschillende creditcards ter beschikking gesteld, waarbij relevant zijn voor de beschuldiging de kaarten met de nummers eindigend op #5731 en #2083. Deze creditcards werden aan verdachte persoonlijk ter beschikking gesteld. Verdachte gebruikte deze creditcards zowel zakelijk als voor privéuitgaven. Hij gaf vervolgens bij de interne controleur [naam 4] van Rochdale aan of het een zakelijke post, een privépost dan wel een bespreekpost was. De als privéuitgave aangemerkte bedragen werden dan op verdachtes salaris in mindering gebracht. Met deze creditcards werd een breed scala aan uitgaven voldaan. Enerzijds betroffen dit uitgaven voor brandstof en anderzijds diverse consumptieve uitgaven, etentjes, hotelovernachtingen en relatiegeschenken. Verdachte verstrekte bij de opgave van de uitgaven niet of nauwelijks de op die transacties betrekking hebbende bonnen en zou daar veelal later op terugkomen. Bij gelegenheid van de (externe) accountantscontrole zijn over deze gang van zaken geen opmerkingen gemaakt. In onder meer de periode van de non-actiefstelling van verdachte is onderzoek gedaan naar deze uitgaven en is aanvullend onderzoek gedaan vanwege Rochdale door de forensische accountants van Deloitte. In dat kader is verdachte in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat verband vastgestelde voorlopige bevindingen. Bij monde van zijn toenmalige raadslieden is van die gelegenheid gebruikt gemaakt. Die bevindingen zijn grotendeels overgenomen door het FIOD in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. 5.2.3. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de belkosten wordt als volgt overwogen. Als Rochdale al bekend was met het feit dat verdachte vijf telefoonnummers op zijn naam had, is niet aannemelijk geworden dat Rochdale al dan niet stilzwijgend had goedgekeurd dat de telefoons door zijn vrouw en kinderen gebruikt werden. De rechtbank ziet het gebruik van de telefoon #8100 door [naam 3] als privégebruik van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom de verduistering in dienstbetrekking door verdachte van belminuten en/of sms-berichten en/of abonnementskosten worden bewezen. Ten aanzien van de creditcarduitgaven blijkt dat aan de hand van de door verdachtes secretaresses bijgehouden agenda, de rittenstaten van zijn chauffeur en de overzichten van de via zijn creditcards voldane betalingen een overzicht c.q. onderscheid is gemaakt tussen de zakelijke en privé(creditcard)uitgaven van verdachte. De stelling van de verdediging dat daarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat naast de zakelijke digitale agenda een privéagenda werd bijgehouden met vooral de zakelijke weekenduitgaven wordt door de rechtbank verworpen. Gezien de vaststelling dat nagenoeg alle afspraken van verdachte via zijn secretaresses liepen en dat daar ook vakanties, vrije en bijzondere dagen werden genoteerd, kan ervan worden uitgegaan dat vrijwel alle zakelijk (enigszins) relevante afspraken geregistreerd waren. Daarbij komt dat daar waar verdachte gebruik kon maken van zijn dienstauto met chauffeur alle brandstofkosten via de tankpas van diens chauffeur liepen. Van die ritten zijn, zoals hiervoor overwogen, door de chauffeur rittenstaten bijgehouden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat verdachte incidenteel gebruik moest maken van eigen vervoer, had het voor de hand gelegen dat dan niet de gehele tankbeurt door verdachte als zakelijk zou worden aangemerkt maar slechts een deel van die kosten en dat daarbij een kilometerboekhouding zou zijn bijgehouden, wat niet het geval is geweest. Overigens kan worden gewezen op de onder D-0802 en D-08009A opgemaakte creditcardoverzichten waarin slechts incidenteel uitgaven als privé worden aangemerkt. Indien die beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de kennelijk door verdachte zelf aangelegde maatstaf kunnen daarbij grote vraagtekens worden geplaatst. Sprekend voorbeeld is de uitgave ten behoeve van het huwelijksjubileum in Antwerpen. Verdachte heeft een bedrag van € 1.567,00 aangemerkt als ‘zk’. De rechtbank gaat ervan uit dat deze aantekening van verdachte is geplaatst omdat sprake was van een in zijn ogen zakelijke uitgave. Alle in het dossier aanwezige documenten en de verklaringen van de getuigen wijzen evenwel op het tegendeel. Het voorgaande uitgangspunt – de zakelijke agenda is een voldoende betrouwbare basis voor de zakelijk c.q. privébeoordeling – betreft ook de kosten die door verdachte tegelijkertijd in Spanje en Nederland zijn gemaakt en door hem als zakelijk zijn aangemerkt. Aangenomen mag worden dat een wezenlijk deel van die uitgaven ziet op door verdachte of diens toenmalige echtgenote verrichte privéuitgaven. Voor zover verdachte heeft willen betogen dat hij zakelijke activiteiten in Spanje heeft verricht, is daarvan niet gebleken. Verdachte heeft vanuit zijn positie als leidinggevende de interne controleur [naam 4] en daarmee Rochdale stelselmatig een rad voor ogen gedraaid door voor te wenden dat sprake was van zakelijke in plaats van privéuitgaven. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van oplichting, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Dat noch bij de interne noch bij de externe controle voldoende kritische vragen zijn gesteld disculpeert verdachte niet. Door stelselmatig te liegen over de ware aard van de kosten, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. De rechtbank acht dan ook de oplichting door verdachte als beschreven in de tenlastelegging bewezen. 5.3. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde 5.3.1. De beschuldiging Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij giften heeft aangenomen van [naam 1] , directeur van Nawon en van [naam 2] , directeur van Recycling Maatschappij [naam 7] Amsterdam B.V. en van A.M. Development International B.V. en dat hij die giften in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever, Woningstichting Rochdale. 5.3.2.1. Feiten en omstandigheden verdachte Verdachte is op 1 april 1984 gaan werken bij de Beheersstichting Patrimonium. Op 1 januari 1994 is hij algemeen directeur geworden bij Woningstichting Patrimonium. Deze stichting is gefuseerd met Woningstichting Rochdale. Op 1 januari 2004 is verdachte voorzitter van de Raad van Bestuur van Rochdale geworden. Op 30 januari 2009 is hij door Rochdale ontslagen. Verdachte was als bestuursvoorzitter bij Rochdale de eindverantwoordelijke ten aanzien van de beslissingen betreffende de aankoop, verkoop, herontwikkeling en verhuur van onroerend goed. Hij had een belangrijke stem in de aankopen. Bij Rochdale bestond een bestuursreglement waarin onder andere het mandaat van de bestuurder was opgenomen. Verdachte had een mandaat van 50 miljoen euro. Hij had voor beslissingen tot dat bedrag vooraf geen toestemming nodig van de Raad van Commissarissen. Hij is op 6 juni 2003 getrouwd met [naam 3] en heeft twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] . 5.3.2.2. Feiten en omstandigheden aannemen giften van [naam 1] ( [naam 1] ) was directeur van Nawon Holding B.V. Deze rechtspersoon is opgericht op 30 december 1977. Onder deze holding hing Nationale Woning Bezit Groep (NWBG). Deze vennootschap is opgericht op 15 februari 2000. De handelsnaam is Nawon. In de NWBG vonden de activiteiten plaats, maar verdachte gebruikte altijd de naam Nawon. richtte zich met Nawon op het beleggen in vastgoed en was haar enig directeur en leidinggevende. In 1995 of 1996 heeft verdachte [naam 5] , projectverwerver bij Smits Bouw Bedrijf, benaderd met de vraag of hij een vertrouwde relatie kende voor het kopen van complete pakketten huurwoningen, omdat verdachte geen losse huurwoningen, maar een compleet flatgebouw met huurwoningen wilde verkopen. De aankoop voor een compleet flatgebouw liep hierdoor op tot investeringen tussen de 20 en 25 miljoen gulden. [naam 5] heeft vervolgens verdachte en [naam 1] bij elkaar gebracht voor die ver- en aankoop van dergelijke pakketten huurwoningen. In 1997 heeft Nawon haar eerste transactie in dat kader met Rochdale gesloten. Het betrof de aankoop van het pakket [naam project] . Nadien heeft Rochdale verschillende onroerendgoedpakketten verkocht aan Nawon. In totaal was hier een bedrag van € 117.826.210 mee gemoeid. De laatste twee pakketten huurwoningen (Geldershoofd en Hogevecht) zijn op respectievelijk 30 november 2006 en 28 december 2007 verkocht waarbij het ging om onderscheidenlijk bedragen van € 22.590.000 en € 22.905.737. [naam 1] heeft verklaard dat verdachte een Volkswagen Beetle voor zijn zoon wilde aanschaffen en dat verdachte hem om een bijdrage voor deze auto heeft gevraagd en dat hij ( [naam 1] ) daarin heeft toegestemd en vervolgens de auto volledig heeft betaald. Op 8 juni 1999 heeft [naam 1] een Volkswagen Beetle, gekentekend [kentekennummer] , gekocht en op zijn naam gezet. Hij heeft deze auto vervolgens ter beschikking gesteld aan de zoon van verdachte, [kind 1] . Op 11 november 2000 is deze auto ingeruild. Bij de woning van verdachte op het adres [adres] te [plaats] is in 2000 een zwembad en overkapping gebouwd door aannemersbedrijf G.K. Visbeen & Co. Op 17 juli 2000 heeft Vevo Beheer BV (de rechtsvoorganger van Nawon) ten behoeve van de bouw van het zwembad bij het [adres] te [plaats] f 135.000,00 overgemaakt aan aannemersbedrijf G.K. Visbeen & Co met als omschrijving “Arma Visbeen”. [naam 1] heeft hierover verklaard dat op verzoek van verdachte een bijdrage heeft geleverd voor de bouw van het zwembad bij diens woning aan het [adres] te [plaats] . Op 26 september 2001 heeft verdachte twee appartementsrechten, met de nummers 13 en 14, gekocht in het te stichten appartementsgebouw genaamd Abacus te [plaats] . De beide appartementen hebben nadien als adres gekregen: [adres] respectievelijk [adres] te [plaats] . De beide appartementen zijn vóór aanvang van de bouw samengevoegd tot één dubbelappartement. Op 31 juli 2002 heeft Nationaal Woning Bezit Groep BV een betaling van € 172.796,00 verricht aan Hak en Rein Vos notarissen met als omschrijving 290 401 en 290 501 Abacus. Op 4 maart 2003 heeft Nationaal Woning Bezit Groep BV € 182.011,25 betaald aan Leyten Bouwplanontwikkeling t.b.v. termijn 4 en 5 app. Abacus, bouwnr. 13/14. Op 2 april 2003 heeft Nawon Holding BV een betaling van € 100.000,00 gedaan aan Van Heumen Incasso en advies BV t.b.v. appartement Abacus, bouwnr. 13/14. Op 23 mei 2003 heeft Nawon Holding BV een betaling verricht van € 64.099,75 aan Van Heumen Incasso en Advies BV t.b.v. meerwerk appartement Abacus, bouwnr. 13/14. Op 28 mei 2003 heeft Nationaal Woning Bezit Groep BV € 50.000,00 overgemaakt aan Lineale Interieurontwerp & Realisatie met als omschrijving deelbet. Fact. 20313 order 0020010523 interieur Aba Aus en € 46.173,00 aan Edmon Keukens BV met als omschrijving fact. 407084 Keuken Aba Aus. Op 28 mei 2004 heeft Nawon Holding B.V. ten behoeve van het (inmiddels) dubbelappartement [adres] en [adres] te [plaats] (het zogeheten appartementsgebouw Abacus, bouwnummers 13 en 14) een betaling van € 25.000,00 gedaan aan Lineale Interieurontwerp en Realisatie met als omschrijving aanbetaling meubels. Op 10 juni 2004 heeft [naam 1] € 140.030,52 aan de Stichting Derdengelden overgemaakt met als omschrijving ‘spoedopdracht Lineale’. Op 11 juni 2004 heeft deze stichting € 130.030,52 en op 2 juli 2004 € 5.103,38 overgemaakt aan Lineale Interieurontwerp & Realisatie met als omschrijving ‘ontvangen van dhr. [naam 1] ’. [naam 1] heeft hierover verklaard dat op een gegeven moment verdachte hem benaderde en vertelde dat er loonbeslag onder Rochdale lag door Lineale en dat hij in de knoei zat omdat hij de laatste termijn aan Lineale niet kon betalen. Hierop heeft verdachte besloten, aldus zijn verklaring, verdachte te helpen en vervolgens het verschuldigde bedrag per omgaande betaald. Op 28 december 2007 is door Nationaal Woning Bezit Groep BV € 300.000,00 overgemaakt aan Boekel de Nerée Notarissen ter afbetaling van de lening van [naam 6] aan verdachte. [naam 1] heeft hierover verklaard dat hij dat bedrag op verzoek van verdachte heeft betaald en dat het weer ‘hetzelfde huilverhaal’ van verdachte was. Hij stond voor het blok en moest met spoed € 300.000,00 terugbetalen aan [naam 6] . Verdachte kon dat bedrag op dat moment niet zelf betalen en daarom heeft [naam 1] betaald. Verdachte vroeg aan [naam 1] om het bedrag te betalen aan de notaris en die zou het verder afwikkelen. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij de betaling heeft gedaan omdat hij zich niet kon veroorloven het desbetreffende bedrag niet te betalen. Hij zat in zijn woorden in verband met een aantal projecten “vast aan Rochdale”, kosten liepen uit de hand en de rekening-courantverhouding met Rochdale liep scheef. Rochdale was op dat moment feitelijk in de positie om zijn faillissement aan te vragen. Om tijd te kopen om alles af te wikkelen tussen Nawon en Rochdale heeft [naam 1] erin toegestemd om het bedrag van € 300.000,00 te betalen, aldus zijn verklaring. Verdachte heeft in de periode van 1 april 2001 tot 30 september 2009 gebruik gemaakt van een woning. van [naam 1] en/of Cap Negret Real Estate SL in Spanje en de daar aanwezige inrichting en inventaris, gelegen op het adres [adres] . [naam 1] heeft over het huis in Spanje onder meer verklaard dat verdachte een huis in Spanje had en een mooier en groter huis wilde. Hij kwam op een gegeven moment bij [naam 1] met het verhaal dat hij grond op het oog had in Spanje en dat hij al beschikte over tekeningen en dergelijke. Vervolgens heeft [naam 1] de betaling van de bouw van de woning volledig voor zijn rekening genomen. De enige afspraak die is gemaakt, is dat [naam 1] eigenaar zou worden van de woning. [naam 1] is uiteindelijk via Cap Negret SL, waar hij feitelijk de leiding had, eigenaar van het huis in Spanje geworden. Op de vraag aan [naam 1] wat hij kon vertellen over het gebruik van de woning in Spanje heeft hij onder meer geantwoord dat verdachte in het huis mocht verblijven en dat verdachte het moest onderhouden en beheren. [naam 1] huurde het huis privé van Cap Negret SL en hij betaalde jaarlijks de huur aan Cap Negret SL. Zolang [naam 1] de woning als privépersoon huurde, mocht verdachte er gebruik van maken. Er was geen contract afgesloten voor het gebruik. Medio 2009 is het huurcontract afgelopen met Cap Negret SL en daarmee is het gebruik van verdachte beëindigd. Verdachte betaalde geen huur aan [naam 1] of aan Cap Negret SL. Hij kon over de woning beschikken alsof deze van hemzelf was. Voor de buitenwereld leek het alsof de woning diens eigendom was en zo gedroegen verdachte en zijn vrouw zich ook. Ten slotte heeft [naam 1] verklaard dat hij niet wilde dat algemeen bekend werd dat verdachte in zijn woning in Spanje verbleef. 5.3.2.3. Feiten en omstandigheden aannemen giften van [naam 2] ( [naam 2] ) was ten tijde van het ten laste gelegde directeur en enig (middellijk) aandeelhouder van onder andere Recycling Maatschappij [naam 7] Amsterdam B.V. ( [naam 7] ) en [naam B.V.] ( [naam B.V.] ). De bedrijfsomschrijving van [naam B.V.] houdt in het aannemen en onderaannemen van werken in het bijzonder met betrekking tot sloopwerken, het drijven van handel in zand, grond, grind en uit de sloop vrijkomende materialen, alsmede de handel in alle andere koopmansgoederen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden, al het voorgaande in de ruimste zin. De bedrijfsomschrijving van [naam 7] luidt: het breken, verpulveren, vermalen en verwerken van steen, puin, grind, beton, delfstoffen, mineralen, sloopproducten, hout en chemische stoffen, het smelten en verwerken van metalen. Op 23 april 2002 heeft [naam 2] namens [naam B.V.] een brief geschreven aan verdachte in diens hoedanigheid als directeur van Woningstichting Nieuw Amsterdam (één van de rechtsvoorgangers van Rochdale) waarin gewag wordt gemaakt van een aangeboden raamovereenkomst waarin staat dat zijn organisatie de Woningstichting Nieuw Amsterdam 8% bespaart en dat de slooptijd kan worden bespoedigd. Op 10 september 2002 heeft Woningstichting Patrimonium namens de Woningstichting Nieuw Amsterdam een opdracht aan [naam B.V.] verleend voor de sloop van het project Grunder. Op 7 oktober 2003 heeft Woningstichting Patrimonium namens de Woningstichting Nieuw Amsterdam aan [naam B.V.] de opdracht tot sloop van de flats Kempering in de Bijlmer gegeven. Op 14 januari 2004 heeft [naam B.V.] van Rochdale namens de Woningstichting Nieuw Amsterdam de opdracht gekregen tot het verwijderen van asbestzeiltjes en asbest voor het project Kempering. Op 23 april 2004 heeft Rochdale met [naam B.V.] een raamovereenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de sloop van 2.631 woningen. Deze overeenkomst is mede ondertekend door verdachte. In de periode 2003 tot en met 2009 heeft [naam B.V.] in totaal € 15.843.346,63 gefactureerd aan Rochdale. In de periode 2004 tot en met 2009 was haar totale omzet ruim € 45,5 miljoen. Het aandeel van Rochdale voor [naam B.V.] in deze omzet was daarmee ruim 30%. Op 15 januari 2003 heeft [naam 2] een Mercedes Benz SL500, gekentekend [kentekennummer] gekocht en op naam gesteld van [naam 7] . Kort daarna staat deze auto bij verdachte voor de deur en heeft verdachte vervolgens van deze personenauto gebruik gemaakt. De Mercedes Benz SL500, gekentekend [kentekennummer] heeft tot en met 17 december 2005 op naam gestaan van [naam 7] . In december 2005 zijn verdachte en [naam 3] naar de showroom van Automobielbedrijf [naam 8] & Dochters B.V ( [naam 8] ) gegaan. Zij hebben daar een Mercedes Benz SL 55 AMG gekocht. Deze auto stond nog op een Zwitsers kenteken en moest nog ingevoerd worden hetgeen uiteindelijk door [naam 8] is gedaan. Op 10 januari 2006 wordt deze Mercedes Benz SL 55 AMG, gekentekend [kentekennummer] , voor € 124.750,00 aan [naam 3] gefactureerd. Op 6 februari 2006 heeft [naam 8] € 65.000,00 euro uit Spanje op naam van [verdachte] ontvangen. Vervolgens heeft verdachte € 1.250,00 euro overgemaakt. [naam 8] heeft de eerder genoemde Mercedes Benz SL 500 ingenomen met een inruilwaarde van € 58.500,00. Het desbetreffende inruilbedrag was bestemd voor [naam 7] , maar deze inruilwaarde is afgeboekt van de vordering ad € 124.750,00 op [naam 3] voor de levering van de Mercedes Benz SL55 AMG, kenteken [kentekennummer] . Op 23 juni 2006 heeft de dochter van verdachte, [kind 2] , bij [naam 8] een Mercedes 350 SLK gekentekend [kentekennummer] meegekregen. Het betrof een auto die zij eerder had gezien en die nadien telefonisch door verdachte is gekocht. Zij heeft de auto meegekregen omdat [naam 2] telefonisch aan de verkoper van [naam 8] had meegedeeld dat de auto aan verdachte kon worden meegegeven en dat hij, [naam 2] , garant stond voor de betaling van deze auto. [naam 8] heeft vervolgens vanaf 26 juni 2006 tot en met 13 november 2006 bij [naam 7] € 2.380,00 per maand in rekening gebracht voor de huur van deze auto en [naam 7] heeft die huur telkens betaald. Op 25 april 2007 heeft [naam 2] zijn Mercedes Benz CLK 200 zonder kenteken ingeruild bij [naam 8] voor een bedrag van € 44.000,00. Dit bedrag is in overleg met [naam 2] door [naam 8] in mindering gebracht op de aanschafprijs van de Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] die verdachte heeft gekocht voor in totaal € 92.644,68. Op 6 juni 2007 heeft [naam 7] € 92.644,68 betaald aan [naam 8] . Op het rekeningafschrift is vermeld: “10.000 overboeken naar dhr [naam 2] uit [plaats] debnr 190867”. Hiermee wordt aangegeven dat er € 10.000 euro is afgeboekt of afgeboekt moet worden op de vordering op debiteur [naam 2] . [naam 8] heeft daaronder geschreven: “10.000,00 moet zijn 300495 [naam 9] ”. Hij bedoelde daarmee dat dit bedrag aanvankelijk op debiteur [naam 2] is afgeboekt en vervolgens is gecorrigeerd naar debiteur [verdachte] en dat zo de vordering op verdachte in verband met de aanschaf van de Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] met € 10.000,00 is verlaagd. [naam 2] heeft op 23 september 1996 de locatie [locatie] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] onder sectie F nummer 2284 en sectie F nummer 2359 (de [plaats] ) voor een bedrag van NLG 4.250.000,00 (€ 1.928.500,00) gekocht. Op 11 juni 2005 is een koopovereenkomst gesloten tussen [naam 2] en Rochdale die namens Rochdale werd ondertekend door verdachte. Rochdale kocht de onverdeelde helft van de locatie [plaats] voor € 3,95 miljoen. Op 11 juli 2005 werd de akte van levering ondertekend door [naam 2] en door verdachte namens Rochdale. [naam 2] bleef vooralsnog eigenaar van de andere onverdeelde helft. Op 28 juli 2005 heeft [naam 2] € 300.000,00 overgemaakt naar de Spaanse rekening van [naam 3] . Op 1 augustus is € 299.994 op haar rekening bijgeschreven. Het geld was bestemd voor verdachte. Op 23 mei 2007 heeft de ondertekening van de akte van levering van de tweede onverdeelde helft van de locatie De [plaats] plaatsgevonden. De akte is ondertekend door verdachte en de P.S. Ter Borgh namens De Landtong B.V. De koopprijs bedroeg € 4 miljoen. Op 11 juni 2007 heeft [naam 2] € 200.000,00 overgemaakt naar de Spaanse rekening van [verdachte] met als omschrijving ‘lening’. Op 14 juni 2007 is € 199.915 op die rekening van verdachte bijgeschreven. De Landtong B.V. heeft ter financiering van de aankoop van de tweede helft van De [plaats] een hypotheek van € 4 miljoen verkregen waarbij Rochdale samen met De Landtong B.V. voor een gelijk deel onderzetter is ten behoeve van De Landtong BV. Op 26 juni 2007 passeerde in verband hiermee de hypotheekakte tussen De Landtong B.V. en haar hypotheekverstrekker. Op 17 juli 2007 heeft [naam 2] € 25.000,00 naar de Spaanse rekening van [verdachte] overgemaakt met als omschrijving ‘lening.’ Een dag later is € 24.999,71 op de rekening van [verdachte] bijgeschreven. 5.3.2.4. Feiten en omstandigheden aannemen giften van A.M. Development B.V. Op 4 december 2003 heeft A.M. Development International BV € 188.355,00 overgemaakt aan [naam 3] en/of [verdachte] met als omschrijving [bedrijfsnaam] QQ 0011. Op 5 december 2003 heeft verdachte namens Rochdale de overeenkomst tussen Rochdale en A.M. Development International B.V. betreffende de koop van “Bruggebouw – Zuid” getekend. 5.3.3. Het oordeel van de rechtbank 5.3.3.1. Artikel 328ter lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Het eerste lid van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt: Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie. 5.3.3.2. Anders dan als ambtenaar werkzaam zijnde in dienstbetrekking. De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde periode kan worden gekwalificeerd als iemand die “anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking”. Verdachte stond in een civielrechtelijke dienstbetrekking tot Rochdale en daarvoor tot haar rechtsvoorganger(s). Hoewel uit wet- en regelgeving volgt dat corporaties invulling geven aan een overheidstaak, namelijk de volkshuisvesting, kan niet worden gezegd dat verdachte daarom destijds onder (direct) toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd om een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten, waardoor hij als ambtenaar zou kunnen worden gekwalificeerd (Vgl. Hoge Raad 7 april 2009, NJ 2009, 187). De overheid had (ten tijde van de verweten gedraging) geen inspraak in de benoeming en het ontslag van bestuurders en commissarissen van woningcorporaties. De corporaties zijn met de verzelfstandigingsoperatie midden jaren negentig financieel zelfstandig en verantwoordelijk geworden. Hierdoor kwam de overheid op grotere afstand te staan en is het toezicht verschoven van de Rijksoverheid naar de interne toezichthouder (Handelingen II 20l4/15, 33 606, nr. 8, p. 156). 5.3.3.3. Het aannemen van een gift. De verdediging heeft aangevoerd dat in de overtuiging van verdachte zowel met betrekking tot de betalingen door [naam 1] als met betrekking tot de betalingen door [naam 2] sprake was van leningen en niet van giften. De rechtbank gaat hieraan voorbij aangezien zij van oordeel is dat ten aanzien van de betalingen door zowel [naam 1] als door [naam 2] niet aannemelijk is geworden dat sprake was van leningen. Ten aanzien van de betalingen door [naam 1] overweegt de rechtbank daartoe als volgt. Wat betreft de betalingen ten behoeve van [adres] verschillen de direct betrokkenen ( [naam 1] en verdachte) over de aard van de geldverstrekking. Verdachte heeft verklaard dat het wat hem betreft ging om een investering, dat er niets op papier is gezet en dat weliswaar zijn handtekening op een schriftelijke leningsovereenkomst staat, maar dat geen sprake was van een lening. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk dat de betalingen door [naam 1] kunnen worden aangemerkt als investering door [naam 1] , omdat het dubbelappartement alleen op naam van verdachte stond en [naam 1] heeft betwist dat het om investeringen ging. De rechtbank acht ook niet aannemelijk geworden dat het om leningen ging waar verdachte om had gevraagd zoals door [naam 1] is verklaard. [naam 1] had bij het geven van het geld geen zekerheid met betrekking tot het terugbetalen ervan. Hij heeft achteraf, na de betalingen, weliswaar formele leningsovereenkomsten opgesteld, maar deze zijn zo summier ten aanzien van de bedingen die normaal gesproken deel uitmaken van dergelijke overeenkomsten, dat niet aannemelijk is dat het daadwerkelijk ging om leningen. In de leningsovereenkomsten is bijvoorbeeld beschreven dat de leningen tegen de gebruikelijke condities worden verstrekt, echter nergens is vastgelegd wat deze gebruikelijke condities inhouden. Zo is niets vermeld ten aanzien van de looptijd, het rentepercentage, de hoogte van de aflossingstermijnen en/of welke zekerheid er wordt gesteld. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het gebruik van de woning in Spanje aangevoerd dat verdachte in de woning heeft geïnvesteerd zodat niet kan worden bewezen dat hij de woning om niet heeft kunnen gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat wat betreft betalingen van verdachte voor de woning in Spanje slechts is komen vast te staan dat hij € 15.000,00 heeft betaald voor het terras bij het zwembad. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat hij ook andere betalingen of investeringen heeft gedaan. Hieruit volgt dat, gelet op de (kennelijke gebruiks)waarde van de villa, geen sprake was van een vergoeding voor het gebruik van de woning, maar uitsluitend van onderhoudskosten. Ten aanzien van de betalingen door [naam 2] overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel zowel [naam 2] als verdachte heeft verklaard dat de betalingen leningen betreffen, houdt de gelijkenis van de verklaringen daarmee ook op. Verdachte heeft verklaard dat een en ander schriftelijk is vastgelegd en dat die lening na zijn pensionering in één keer zou worden afgelost inclusief 1,5 tot 2% rente. [naam 2] heeft daarentegen kort samengevat verklaard dat er een mondelinge afspraak was, dat geen rente zou hoeven te worden betaald en er geen zekerheden en garanties waren. Mede gezien het feit dat de direct betrokkenen verschillend verklaren over de aard en de condities van de verstrekte geldbedragen is niet aannemelijk is geworden dat deze betalingen leningen waren. Evenmin is aannemelijk geworden dat (is afgesproken dat) verdachte na zijn vertrek bij Rochdale verdachte ineens zou terugbetalen. De gedachte dat verdachte een ‘gouden handdruk’ zou krijgen, leefde alleen bij [naam 2] , terwijl het risico dat er mogelijk geen volledige terugbetaling zou kunnen plaatsvinden alleszins reëel moet worden geacht. De slotsom is dat ten aanzien van de betalingen telkens sprake was van een gift als bedoeld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde betalingen en het verschafte gebruik van auto’s en de woning moeten worden aangemerkt als giften. De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van het permanente gebruik van de woning in Spanje en de auto’s telkens sprake is van een dienst en niet van een gift en dat het aannemen van een dienst ten tijde van het ten laste gelegde niet strafbaar was. Het doen van een gift (in het kader van omkoping) heeft een andere betekenis dan die van enkel uit vrijgevigheid schenken. Het omvat elk overdragen aan een ander van iets dat voor die ander waarde heeft (HR 25 april 1916, NJ 1916, p. 551). Het begrip is daarmee niet beperkt tot materieel voordeel of stoffelijke zaken. De Commissie niet-ambtelijke corruptie (Commissie Mulder), die de strafbaarstelling van anderen dan Nederlandse ambtenaren heeft onderzocht en wier wetsvoorstel is overgenomen, schrijft in haar verslag: “De omkoping kan in één en dezelfde relatie zeer aanzienlijke vormen aannemen en zich over jaren uitstrekken. (…). Dure reizen en prestaties als het in bruikleen geven van een auto, het schenken van een hijskraan voor een plezierjacht en het verbouwen van een woning zijn andere vormen waarin steekpenningen zijn voorgekomen.” (Handelingen II 1966/67, 8437 nr. 4, pagina 10, rechterkolom - Bijlage bij de Memorie van Toelichting). Hieruit volgt dat de wetgever destijds bij het strafbaar stellen van niet-ambtelijke omkoping bij het bestanddeel het doen van een gift ook, en anders dan betoogd, het leveren van een immaterieel voordeel en verlenen van gunsten/diensten voor ogen heeft gestaan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 mei 1994 (NJ 1994, 673) duidelijk gemaakt dat het ontvangen van seksuele gunsten ook kan worden aangemerkt als het aannemen van een gift als bedoeld in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (aannemen van steekpenningen). Met ingang van 1 april 2010 is het aannemen of vragen respectievelijk het verlenen van een dienst aan de wettekst toegevoegd. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat uit de Memorie van Toelichting niet kan worden afgeleid dat de wetgever het verlenen van een dienst alsnog of aanvullend en anders dan voorheen strafbaar heeft willen strafbaar stellen. De wettekst is aangepast om misverstanden te voorkomen aangezien niet absoluut en altijd duidelijk vaststond dat het aanbieden dan wel het aannemen van een dienst, zoals het voor een vriendenprijs ter beschikking stellen van een vakantiebungalow en het gebruik van een appartement zonder daarvoor huur te betalen, ook onder het begrip het doen of aannemen van een gift vallen vielen en strafbare omkoping kunnen konden opleveren. Bezien in het licht van het voorgaande was die toevoeging dus niet noodzakelijk en niet iets nieuws. 5.3.3.4. Naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten. De woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” houden in dat niet is vereist dat van een bepaalde prestatie van degene die wordt omgekocht sprake moet zijn (HR 27 november 1990, NJ 1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990, DD 90.197). Nawon deed zeker in haar beginperiode uitsluitend zaken met Rochdale. [naam 1] wist zich hierdoor afhankelijk van Rochdale omdat hij maar één leverancier had en een reëel gevaar zag dat zijn bedrijf onderuit zou gaan als de relatie tussen Nawon en Rochdale verbroken zou worden. [naam 1] heeft over de meergenoemde woning verklaard dat [verdachte] gebruik mocht maken van deze woning in Spanje omdat zij zakenvrienden waren en hij in die tijd zijn eerste project van Rochdale had gekocht, het project [naam project] , en dat hij wilde dat het zakendoen tussen Nawon en Rochdale (Patrimonium) gecontinueerd werd, zonder dat hij geld betaalde. Bovendien was verdachte degene die door [naam 1] werd benaderd na het stagneren van de doorbetaling van de huurinkomsten door Rochdale aan Nawon. Gelet op het mandaat van verdachte, zijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden had verdachte invloed op de verkoop van onroerend goed van Rochdale. Uit onderzoek in de financiële administratie van Deto Beheer B.V. ( [naam 7] ) is gebleken dat de totale omzet van [naam B.V.] over de jaren 2004 tot en met 2009 ruim € 45,5 miljoen bedroeg. Zij heeft in deze periode voor € 14.085.034,00 werkzaamheden gefactureerd aan Rochdale en behaalde daarmee in die periode derhalve ruim 30% van haar omzet. De (omzet)afhankelijkheid was in de jaren 2005 tot en met 2007 het hoogst; in 2005 ging het om 38%, in 2006 om 37% en in 2007 om 40,5%. [naam B.V.] was in de woorden van de financieel directeur van Delta Forte B.V, het ontwikkelingsbureau van Rochdale, de ‘huissloper’ voor Rochdale in de Bijlmer. Uit het voorgaande blijkt dat sprake was van een zakelijk relatie tussen de (werkmaatschappijen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.