RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 14/1711, AMS 14/1447 en AMS 14/6952 T tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2015 in de zaak tussen AMS 14/1447 [eisers] , te Amsterdam, eisers (gemachtigde: mr. M.G. Blokziel), en en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, verweerder I (gemachtigden: mrs. G. van der Kuil en R. Nomden) AMS 14/1711 [eisers] , te Amsterdam, eisers (gemachtigde: mr. M.G. Blokziel), en de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder II (gemachtigden: mrs. G. van der Kuil en R. Nomden) AMS 14/6952 [eisers] , allen te Amsterdam, eisers (gemachtigde: mr. M.G. Blokziel), en en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, verweerder I (gemachtigden: mrs. G. van der Kuil en R. Nomden) Als derde-partij heeft aan alle hiervoor genoemde gedingen deelgenomen: de besloten vennootschap [naam 1] B.V., te Amsterdam (gemachtigde: mr. J. de Vet). Procesverloop AMS 14/1447 Bij besluit van 19 juli 2013 (het primaire besluit I) heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (het dagelijks bestuur), voor zover hier van belang, het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de horecavestiging op het perceel [adres 1] te Amsterdam afgewezen. Bij besluit van 4 februari 2014 (het bestreden besluit I) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft hierbij evenwel het primaire besluit in stand gelaten omdat het strijdige gebruik inmiddels is gelegaliseerd met de omgevingsvergunning van 30 januari 2013. AMS 14/1711 Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder II een vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) voor het uitoefenen van een horecabedrijf in de inrichting, gevestigd op het perceel [adres 2] te Amsterdam. Bij besluit van 4 juli 2013 (het primaire besluit III) heeft verweerder – voor zover van belang – een vergunning verleend om een alcoholverstrekkend bedrijf zonder terras te exploiteren op dit perceel. Bij besluiten van 16 september 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit III ontvankelijk verklaard en het primaire besluit III in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. AMS 14/6952 Bij besluit van 30 januari 2014 (het primaire besluit IV) heeft het dagelijks bestuur aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van een horecagelegenheid op het perceel [adres 1] te Amsterdam. Bij besluit van 16 september 2014 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar voor zover ingediend namens [namen 1] niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor zover ingediend namens andere bezwaarden ongegrond verklaard. AMS 14/1447, 14/1711 en 14/6952 Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerders hebben verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Eisers [eisers] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [namen 2] mede-eigenaren van derde partij en door mr. T. van der Weijde, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Overwegingen 1.1 Derde-partij is huurster van het pand op het perceel [adres 1] te Amsterdam en exploiteert ter plaatse een horecagelegenheid, [naam 1] . Eisers zijn – met uitzondering van [naam 2] en Abraracourcix B.V. – allen woonachtig aan de Sloterkade. [naam 2] woont aan het [adres 3] , huis. Abraracourcix B.V. is eigenaresse van de woning aan de [adres 4] . 1.2 Bij besluit van 29 juni 2012 is aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend om af te wijken van de bepalingen van het bestemmingsplan “Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt” (het bestemmingsplan) ten behoeve van het vestigen van een horeca IV gelegenheid op het perceel [adres 1] te Amsterdam. Dit besluit is onherroepelijk. 1.3 Op het perceel [adres 1] rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Gemengd-1 (GD-1)’. 1.4 Op grond van artikel 1 van de planvoorschriften behorend bij het bestemmingsplan wordt onder horeca 3 verstaan: een inrichting die geheel of gedeeltelijk is gericht op het verstrekken van dranken, waaronder alcoholische, al dan niet in combinatie met het verstrekken van maaltijden. Daaronder worden begrepen: bars, cafés en eetcafés. Op grond van artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder horeca 4 verstaan: een inrichting die: - geheel gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaar, die uitsluitend ter plaatse aan tafel genuttigd worden, en in zoverre deze inrichting niet valt onder de categorieën 1 en 3. Daaronder worden begrepen restaurants en lunchrooms. - gericht is op het verstrekken van uitsluitend alcoholvrije dranken, kleine etenswaren en ijswaren. Daaronder worden begrepen koffie-/theehuizen, juicebars en ijssalons. 1.5 Verweerder hanteert beleid voor het al dan niet toestaan van horeca in het stadsdeel, zijnde het “Horecabeleid stadsdeel Zuid 2011” (het horecabeleid). AMS 14/1447 2.1 Op 27 mei 2013 heeft verweerder een schriftelijk verzoek ontvangen om handhavend op te treden tegen het gebruik van de begane grondverdiepingen van het pand op het perceel [adres 1] als (eet)café. Bij het primaire besluit I heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat de bevoegdheid tot handhavend optreden ontbreekt. Er is geen sprake van een overtreding, omdat bij het besluit van 29 juni 2012 een omgevingsvergunning is verleend voor een horecavestiging zoals deze feitelijk wordt geëxploiteerd. Daarnaast is er een exploitatievergunning verleend voor een alcoholverstrekkend bedrijf. Niet gebleken is dat in strijd met deze vergunningen is gehandeld. 2.2 Bij het bestreden besluit I heeft verweerder overwogen dat – anders dan in het primaire besluit wordt overwogen – er sprake is (geweest) van een overtreding, omdat het pand op het perceel [adres 1] in gebruik is als eetcafé. In de eerder verleende omgevingsvergunning is afwijkend gebruik ten behoeve van horeca 4 toegestaan. Een eetcafé valt hier niet onder. Desondanks heeft verweerder aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien, omdat het gebruik gelegaliseerd is en er geen grond meer aanwezig is om tot handhavend optreden over te gaan. Op 30 januari 2014 is bij het primaire besluit IV immers een omgevingsvergunning voor dit strijdige gebruik verleend. Verweerder heeft hierbij het advies van de adviescommissie bezwaarschriften (commissie) van 15 november 2013 overgenomen. 2.3 Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden – voor zover van belang – zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. 2.4 Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. 2.5 Eisers voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte van handhaving ten aanzien van het planologisch strijdig gebruik heeft afgezien, omdat er geen sprake was van concreet zicht op legalisatie. De op 30 januari 2014 verleende omgevingsvergunning was ten tijde van het bestreden besluit I immers niet onherroepelijk en is dit – gelet op de lopende beroepsprocedure – nog steeds niet. 2.6 Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat er – gelet op de bij het primaire besluit IV verleende omgevingsvergunning – geen bevoegdheid bestond om handhavend op te treden, omdat in het geheel geen sprake was van een overtreding. 2.7 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het gebruik van het perceel [adres 1] ten tijde van het bestreden besluit niet langer strijdig was met het bestemmingsplan en dat verweerder op dat moment dan ook niet langer bevoegd was handhavend op te treden. Dat de omgevingsvergunning niet rechtens onaantastbaar was, maakt dit niet anders. Het beroep is ongegrond. AMS 14/1711 3.1 Bij het primaire besluit II heeft verweerder II een vergunning verleend aan de derde-partij voor het uitoefenen van een horecabedrijf in de inrichting op het perceel [adres 2] te Amsterdam. Het primaire besluit II is op dezelfde dag, 11 juni 2013, door toezending aan derde-partij, bekendgemaakt. Het primaire besluit II is niet gepubliceerd. 3.2 Bij het primaire besluit III heeft verweerder II een vergunning verleend om een alcoholverstrekkend bedrijf zonder terras te exploiteren, voor de lokaliteiten in de begane grondverdieping van het perceel [adres 2] te Amsterdam als dagzaak (openingstijden dagelijks van 7.00 tot 1.00 uur, in de weekeinden tot 3.00 uur). Aan de exploitatievergunning is een voorschrift verbonden, namelijk dat de ramen en deuren gesloten dienen te zijn als de geluidsapparatuur in werking is. De aanvraag van de derde-partij om een terrasvergunning voor dit perceel is bij dit besluit geweigerd. 3.3 Bij het bestreden besluit II heeft verweerder II het bezwaar van [eisers] (eiseres) tegen het primaire besluit II niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit buiten de wettelijke termijn is binnengekomen. Verder heeft verweerder II de primaire besluiten gehandhaafd met aanvulling van de motivering. Verweerder II heeft hierbij het advies van de commissie van 19 november 2013 overgenomen, met dien verstande dat het advies is achterhaald door de op 30 januari 2014 verleende omgevingsvergunning voor gebruik van het perceel [adres 1] ten behoeve van een horeca 3 bedrijf. Aanvullend wordt in de bestreden besluiten II overwogen dat uitbreiding van horeca op de locatie van het perceel bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt zonder dat het woon- en leefklimaat onder druk wordt gezet. Volgens het horecabeleid leent het karakter van de straat zich voor een (beperkte) uitbreiding van horeca. Naast een supermarkt bevinden zich ter plaatse enkele detailhandelsvestigingen. Dit zorgt voor een bepaalde levendigheid. Het woon- en leefklimaat staat echter niet aan spanningen bloot waardoor de exploitatie van dit horecabedrijf ter plaatse niet mogelijk zou zijn. Ontvankelijkheid bezwaar eiseres tegen primaire besluit II 3.4 De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of verweerder II het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 3.5 Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel, bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. 3.6 Eisers betogen in beroep dat verweerder II het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bezwaarschrift is volgens eisers binnen de termijn ingediend, omdat de datum van de exploitatievergunning (het primaire besluit III) als uitgangspunt moet worden genomen. De primaire besluiten II en III kunnen namelijk niet van elkaar worden losgekoppeld. Derde-partij kan het eetcafé niet legaal exploiteren zonder deze twee vergunningen, ook al zijn de toetsingskaders onderling verschillend. Daarbij komt dat van de drank- en horecawetvergunning niet op de wettelijk voorgeschreven wijze mededeling is gedaan, hetgeen wel het geval is geweest bij de exploitatievergunning. 3.7 Vaststaat dat het primaire besluit II op 11 juni 2013 naar de derde-partij is toegestuurd. Het besluit is gelet op het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb dan ook op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Verweerder II heeft terecht geoordeeld dat de primaire besluiten afzonderlijke besluiten betreffen en dat niet het ene besluit onderdeel uitmaakt van het andere besluit en dus sprake is van verlengde besluitvorming. Dat de ene vergunning zinledig is zonder de andere voor de exploitatie van het horecabedrijf is hiervoor onvoldoende. Het betreffen daarbij afzonderlijke wettelijke kaders. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun betoog dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het primaire besluit II pas de dag na bekendmaking van het primaire besluit III is aangevangen. Uitgaande van de bekendmaking van het primaire besluit II op 11 juni 2013, liep de bezwaartermijn tot en met 23 juli 2013. Vaststaat dat eisers een op 9 augustus 2013 gedateerd bezwaarschrift hebben ingediend tegen beide primaire besluiten, welke op 15 augustus 2013, dus ruimschoots na het verstrijken van de bezwaartermijn, bij verweerder II is binnengekomen. Vervolgens hebben eisers per brief van 29 augustus 2013 toegelicht waarom het bezwaarschrift tegen het primaire besluit II te laat is ingekomen. Hieruit is gebleken dat [eisers] (eiser) eerder, namelijk op 19 juli 2013, een bezwaarschrift tegen het primaire besluit II heeft ingediend. Dit bezwaarschrift is niet door eiseres medeondertekend. Evenmin is gebleken dat eiser dit mede namens haar heeft ingediend. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat eiseres pas op 9 augustus 2013, dus niet tijdig, bezwaar heeft gemaakt. 3.8 De vraag of verweerder II aanleiding had moeten zien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Verweerder II was niet gehouden om de kennisgeving van de DHW-vergunning te publiceren. Daarbij heeft verweerder II bij het bestreden besluit II terecht in aanmerking genomen dat eiseres redelijkerwijs van het bestaan van het primaire besluit II op de hoogte kon zijn geweest, aangezien eiseres en eiser op hetzelfde adres wonen en eiser er kennelijk wel in is geslaagd om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat eiseres in ieder geval op 19 juli 2013 op de hoogte was van het primaire besluit II. Drank- en horecawetvergunning 3.9 Eiser voert inhoudelijk geen gronden aan die specifiek zien op de drank- en horecawetgeving, anders dan dat deze vergunning geen betekenis heeft als de exploitatievergunning en de omgevingsvergunning geen stand houden. Het beroep voor zover gericht tegen de drank- en horecavergunning is al om die reden ongegrond. Exploitatievergunning 3.10 Tegen de verleende exploitatievergunning hebben eisers aangevoerd dat – nu de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend – de exploitatievergunning evenmin stand kan houden. De huidige exploitatie, zijnde horeca categorie 3, is immers in strijd met het bestemmingsplan. Eisers verwijzen naar de gronden die zij hebben aangevoerd tegen de verleende omgevingsvergunning. Ook hier geldt dat verweerder II onvoldoende rekening heeft gehouden met de mate waarin het woon- en leefklimaat van eisers wordt aangetast. Verweerder II heeft volgens eisers niet kunnen volstaan met verwijzing naar het – in algemene bewoordingen geformuleerde – Horecabeleid stadsdeel Zuid 2011 (horecabeleid), zonder specifiek in te gaan op de effecten van de vestiging van horeca op de specifieke locatie en de mate waarin het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast, terwijl dit door de aanwezige detailhandel al behoorlijk onder druk staat, in het bijzonder in verband met de verkeersaantrekkende werking hiervan en de parkeerdruk. Onderzoek naar de verkeersaantrekkende werking van het horecabedrijf heeft niet plaatsgevonden. Het verkeersadvies inzake parkeren van [naam 3] , adviseur Verkeer en Parkeren, dat verweerder aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd bevestigt dat de parkeerdruk al zeer hoog is. Verweerder II heeft daarnaast onvoldoende onderzoek gedaan naar de mate waarin het woon- en leefklimaat van eisers wordt aangetast en het bestreden besluit II op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Verweerder II heeft onvoldoende rekening gehouden met de impact die een café ten opzichte van een restaurant heeft qua hoeveelheid bezoekers in de late avonduren; bij een restaurant zal dit doorgaans teruglopen na 22.00 uur, hetgeen bij een café niet het geval is. Daarnaast is er sprake van geluidsoverlast. In het licht van het voorgaande had verweerder akoestisch onderzoek moeten laten verrichten om de impact van de geluidhinder voor het woon- en leefklimaat van eisers te onderzoeken, hetgeen niet is gebeurd. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij te kampen heeft met geurhinder ten gevolge van de bereiding van voedsel en dat hij last heeft van de sigarettenrook van de gebruikers van het inpandige terras. 3.11 Verweerder II stelt zich in beroep primair op het standpunt dat de beroepsgronden van eisers zich expliciet richten tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning (primaire besluit IV) en de ruimtelijke onderbouwing die daaraan ten grondslag ligt. Voor wat betreft de exploitatievergunning doet zich in het kader van de in artikel 3.3. van de APV opgenomen weigeringsgrond slechts de vraag voor of er sprake is van strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en gelet op de verleende omgevingsvergunning is daar geen sprake meer van. In het beroepschrift wordt nergens gesproken over een mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat als bedoeld in artikel 3.11 van de APV. Artikel 3.11 van de APV ziet op de bescherming van de openbare orde en strekt niet tot het waarborgen vanuit planologisch oogpunt van het woon-en leefklimaat. Het relativiteitsvereiste maakt dat eisers zich – gelet op wat zij hebben aangevoerd – in dit verband niet op de bescherming van hun woon- en leefklimaat kunnen beroepen. De tegen de omgevingsvergunning aangevoerde gronden dienen dus in het kader van de exploitatievergunning buiten beschouwing te blijven. 3.12 In artikel 3.11 van de APV zijn de bijzondere weigeringsgronden opgenomen voor het verlenen van exploitatievergunning. Ingevolge het tweede lid kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Uit het derde lid volgt dat bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond de burgemeester rekening houdt met: het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van het horecabedrijf; de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; e wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. 3.13 Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 3.14 De rechtbank volgt verweerder II niet in zijn standpunt dat het betoog van eisers dusdanig strikt dient te worden opgevat, dat dit uitsluitend tegen de omgevingsvergunning en het bestreden besluit III is gericht en niet tegen het bestreden besluit II. Evenmin verzet het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb zich tegen vernietiging van het bestreden besluit II. Niet valt in te zien dat de norm in artikel 3:11 van de APV niet strekt ter bescherming van de belangen van omwonenden als eisers. Voor het standpunt van verweerder dat aan het begrip woon- en leefklimaat zoals vermeld in de APV een andere uitleg dient te worden gegeven, omdat de APV de openbare orde beoogt te beschermen, ziet de rechtbank geen grond, te meer nu de begrippen openbare orde en woon- en leefklimaat naast elkaar in de APV zijn opgenomen. De rechtbank stelt evenwel vast dat – daargelaten de deugdelijkheid van de motivering – in het bestreden besluit kenbaar aan artikel 3.11 van de APV is getoetst en het standpunt is ingenomen dat van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake is. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. 3.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het woon- en leefklimaat en hetgeen ter zitting is verklaard, gaat de rechtbank ervan uit dat de standpunten die tijdens het onderzoek ter zitting tussen partijen zijn uitgewisseld over overlast, mede zien op het bestreden besluit II en niet uitsluitend op het bestreden besluit III. 3.16 Verweerder II heeft zich in het verweerschrift subsidiair op het standpunt gesteld dat het woon- en leefklimaat van eisers in de zin van de APV door de exploitatievergunning niet in onevenredige mate wordt aangetast. Op het perceel Sloterkade 96 en verschillende percelen in de nabije omgeving van [naam 1] rust de bestemming “Gemengd-I”. Op basis van deze bestemming is in de eerste bouwlaag van het perceel en ook in de overige nabijgelegen panden met dezelfde bestemming een veelheid aan niet-woonfuncties, zoals detailhandel, bedrijven, kantoren en dienstverlening toegestaan De invloed van de horecavestiging op het woon- en leefklimaat is zeer gering. Ook een horeca 3-vestiging moet voldoen aan de normen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) en die normen zijn zodanig opgesteld dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in beginsel voldoende is gegarandeerd. 3.17 Voor wat betreft de vraag of voor de exploitatie van een horecabedrijf op het perceel in het licht van de APV redelijkerwijs vergunning kon worden verleend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder II het horecabeleid mede aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Voor de vraag of verweerder II overeenkomstig dit beleid heeft gehandeld, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij bij de beoordeling van het bestreden besluit III in overweging 4 heeft overwogen. Gelet op het betoog van eisers en hetgeen onder 3.14 is overwogen, zal de rechtbank ingaan op de afzonderlijke aspecten die aan het woon-en leefklimaat van eisers zouden kunnen raken. 3.18 Verweerder II verwijst in het verweerschrift voor wat betreft geur- en geluidshinder allereerst naar het Activiteitenbesluit, omdat [naam 1] een horeca-inrichting is die aan deze normen is gebonden. Indien deze normen worden geschonden, bestaat er voor verweerder II de mogelijkheid om handhavend op te treden. Ter zitting heeft verweerder II verwezen naar geluidsonderzoeken die in 2013 hebben plaatsgevonden en een akoestisch onderzoek in opdracht van derde-partij, hetgeen tot maatregelen heeft geleid, namelijk het aanbrengen van vierdubbel glas aan de achterzijde/het reviseren van de koepels. Daarnaast heeft derde-partij een geluidsbegrenzer aangebracht, hetgeen (eventuele) hinder voorkomt. Aan de exploitatievergunning is verder het eerder in overweging 3.2 genoemde voorschrift verbonden. Er is dus geen sprake van een zodanige geluidhinder dat het woon- en leefklimaat van eisers onevenredig wordt aangetast. Er is geen onderzoek gedaan naar geluidsoverlast als gevolg van het gebruik van het inpandige terras. Het stemgeluid aan de voorzijde van het pand is lastig te meten omdat omgevingslawaai uitgefilterd moet worden. Verweerder II acht een akoestisch onderzoek verder niet zinvol, omdat een gemiddeld aantal decibellen over de periode tussen 23.00 uur en 7.00 uur wordt gemeten, terwijl [naam 1] zijn deuren om 1.00 uur sluit. Naar verwachting zal het gemiddelde dan ook uitkomen onder de 40 dB. Uitschieters worden hiermee niet ondervangen. Naar hinder door stemgeluid van komende en gaande bezoekers is geen onderzoek gedaan, omdat dit is uitgezonderd van het Activiteitenbesluit. Verweerder II wijst er op dat het gebruik van het perceel door [naam 1] als restaurant, categorie 4 in het bestemmingsplan en categorie IV van het Horecabeleid al is toegestaan. De wijziging acht verweerder II voor wat betreft de invloed op het woon –en leefklimaat zeer gering. 3.19 De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eisers ter zitting naar voren hebben gebracht voor wat betreft de geurhinder vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te blijven, omdat het niet eerder is aangevoerd. Met betrekking tot het standpunt van verweerder II dat geen sprake is van dusdanige geluidhinder dat deze leidt tot onevenredige aantasting van de woon- en leefomgeving van eisers overweegt de rechtbank dat dit standpunt op een ontoereikende motivering berust en dat het onderzoek wat hieraan ten grondslag ligt onzorgvuldig en onvolledig is. Met betrekking tot de metingen naar het geluid vanuit de inrichting die in 2013 zouden hebben plaatsgevonden overweegt de rechtbank dat zij de resultaten hiervan niet heeft aangetroffen tussen de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het had in het licht van het betoog van eisers op de weg van verweerder II gelegen om de resultaten van de meting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.