← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2015:8942

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/706212-15 (Promis) (ontneming) Datum uitspraak: 16 december 2015 Tegenspraak VONNIS Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met hetzelfde parketnummer, tegen: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [plaats] en aldaar thans verblijvende. 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie van 10 november 2015 en het onderzoek op de terechtzitting van 2 december

  1. 2De vordering De op 10 november 2015 schriftelijk ingediende ontnemingsvordering is ter terechtzitting van 2 december 2015 door de officier van justitie gewijzigd, in die zin dat bij het in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet is meegenomen het bedrag van € 3.309,00 (treinkaartjes) en dat dit bedrag dus nog bij het wederrechtelijk verkregen voordeel (volgens genoemde berekening € 9.360,47) dient te worden opgeteld, zodat de gewijzigde ontnemingsvordering strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 12.669,
  2. 3Grondslag van de vordering Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2015 veroordeeld ter zake van drugsbezit en/of drugshandel op 19 oktober 2014, 18 april 2015 en 28 mei
  3. Gezien de stukken waarop de vordering berust, begrijpt de rechtbank dat die vordering behalve op de drugshandel waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld, ook betrekking heeft op andere feiten. In de onderliggende strafzaak is – ten aanzien van de veroordeling voor drugsbezit op meerdere momenten – opgemerkt dat sprake was van dealerindicaties. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er dan ook voldoende aanwijzingen dat veroordeelde andere feiten, betreffende handen in verdovende middelen, heeft begaan. De rechtbank heeft in haar overweging betrokken het vonnis in de onderliggende strafzaak en eerdergenoemd proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 10 maart
  4. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.1 Standpunten De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering verwezen naar het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 10 maart 2015 en heeft voorts aangevoerd dat bij berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een kasopstelling geen rekening gehouden hoeft te worden met gemaakte kosten. Het primaire standpunt van de raadsvrouw, namelijk dat de ontnemingsvordering afgewezen dient te worden nu de in de onderliggende strafzaak ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden, behoeft geen bespreking gelet op de veroordeling in die strafzaak voor eenmaal drugshandel en meermalen drugsbezit. De raadsvrouw heeft verder het verweer gevoerd dat de kasopstelling geenszins wordt ondersteund door het onderliggend strafdossier, nu daaruit geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat veroordeelde die kosten daadwerkelijk zou hebben gemaakt. Zij heeft daarom verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen zónder de volgende bedragen: € 55,00 (abonnementen en contributies); € 645,00 (inventaris huis en tuin); € 795,00 (vrije tijd en hobby’s); € 1.130,00 (dagelijkse boodschappen). Daarnaast heeft zij de rechtbank verzocht het bedrag van de treinkaartjes, te weten € 3.309,00, zijnde de kosten die veroordeelde heeft gemaakt, op dat – opnieuw vastgestelde – wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen. Aldus verzoekt de raadsvrouw het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast te stellen: Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel in rapport Geen aanwijzingen voor abonnementen en contributies Geen aanwijzingen voor inventaris huis en tuin Geen aanwijzingen voor vrije tijd en hobby’s Geen aanwijzingen voor dagelijkse boodschappen In mindering te brengen kosten voor treinkaartjes Wederrechtelijk verkregen voordeel volgens de raadsvrouw € 9.360,47 . € 55,00 . € 645,00 . € 795,00 . € 1.130,00 – € 6.735,47 . € 3.309,00 – € 3.426,47 . 4.2 Oordeel van de rechtbank De rechtbank ontleent haar berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen, opgenomen in de voetnoten, zijn vervat. De rechtbank ziet reden om af te wijken van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de genoemde kasopstelling. Die kasopstelling is gebaseerd op gemiddelde uitgaven. Het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting biedt aanknopingspunten om aan te nemen dat veroordeelde alle in de kasopstelling genoemde uitgaven moet hebben gedaan. De rechtbank handhaaft de berekening daarom uitsluitend ten aanzien van de volgende gemiddelde uitgaven: € 267,28 (woning per maand); € 100,00 (energie en heffingen per maand); € 73,00 (kleding en schoenen per maand); € 226,00 (dagelijkse boodschappen per maand). Totaal van gemiddelde uitgaven die veroordeelde moet hebben gedaan: € 666,28 per maand. Gelet op de ontnemingsperiode van 14 mei 2014 tot en met 19 oktober 2014, te weten vijf maanden en vier dagen, komt de rechtbank tot een bedrag aan gemiddeld gedane uitgaven: (5 x € 666,28) + (4 x (€ 666,28 / 30 dagen)) ≈ € 3.331,40 + € 88,84 = € 3.420,
  5. Daarbij dient, naar het oordeel van de rechtbank, te worden opgeteld de totale waarde van de bij veroordeelde aangetroffen gelden (€ 3.925,57) en treinkaartjes (€ 3.309,00). De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast. Berekening totaal gemiddelde uitgaven in ontnemingsperiode Aangetroffen gelden Aangetroffen treinkaartjes Wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.420,24 . € 3.925,57 . € 3.309,00 + € 10.654,81 .. Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op bovengenoemd bedrag. 5De verplichting tot betaling De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 10.654,
  6. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 7Beslissing Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 10.654,
  7. Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 10.654,81 (tienduizend en zeshonderd en vierenvijftig euro en eenentachtig cent) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Diemer, voorzitter, mrs. R. Hirzalla en A.M. Kengen, rechters, in tegenwoordigheid van E.R.E. Evans, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december
  8. De berekening is onderdeel van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 10 maart
  9. Een geschrift, te weten een vonnis van 16 december 2015 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam inzake [veroordeelde] (13/706212-15 (zaak A), 13/706302-15 (zaak B) en 13/702027-15 (zaak C)). Een ambtsedig proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 10 maart 2015, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] .

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.