vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/579799 / KG ZA 15-64 MvW/MB Vonnis in kort geding van 25 februari 2015 in de zaak van de stichting STICHTING OOGAPPEL, gevestigd te Amsterdam, eiseres bij dagvaarding van 28 januari 2015, advocaat mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE AMSTERDAM, zetelend te Amsterdam, gedaagde, advocaten mr. A. Berends en mr. E. van der Hoeven te Amsterdam. Partijen zullen hierna de Stichting Oogappel (of kortweg de Stichting) en de Gemeente worden genoemd. 1De procedure Ter terechtzitting van 11 februari 2015 heeft de Stichting gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Gemeente heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren aanwezig: aan de zijde van de Stichting: [naam 1] (hierna: [naam 1]) en mr. Jaasma; aan de zijde van de Gemeente: [jurist], juriste, [beleidsadviseur], beleidsadviseur en mrs. Berends en Van der Hoeven. Bij brief van 17 februari 2015 heeft de raadsman van de Stichting aan de voorzieningenrechter een transcript gestuurd van (een deel van) het debat van de Raadscommissievergadering van 18 september 2014. De (raadslieden) van de Gemeente hebben daarop gereageerd bij brief van diezelfde dag, onder meezending van een USB-stick met opnamen van de gehele vergadering. De voorzieningen-rechter heeft kennis genomen van (de inhoud van) beide brieven. 2De feiten 2.1. De Stichting Oogappel is een vrijwilligersorganisatie die in 2010 is opgericht en bestaat uit vrouwen van een etnische minderheidsgroep van verschillende generaties. Op haar website is onder meer het volgende vermeld: “De organisatie houdt zich bezig met het organiseren en uitvoeren van laagdrempelige activiteiten voor vrouwen en meiden. Hiermee geeft de stichting deze vrouwen de kans om beter te integreren en te participeren in de Nederlandse samenleving.” De vrouwen en meisjes kunnen bij de Stichting terecht voor onder meer sportles, Nederlandse conversatieles, Spaanse les, Arabische les, Tajweed les, naailes en kookles. 2.2. De Stichting huurde een kantoorruimte in het Huis van de Wijk in Amsterdam Nieuw West, van de Stichting Samenwonen en Samenleven. Als tegenprestatie verrichtten enige aan de Stichting verbonden vrouwen schoonmaakwerkzaamheden in deze ruimte. 2.3. Bestuursleden van de Stichting en andere vrijwilligers hebben in 2012-2013 een opleiding voor vrijwilligers in Stadsdeel Nieuw West gevolgd en daarvoor een certificaat gekregen. 2.4. [naam 1] heeft namens de Stichting bij de Gemeente projectvoorstellen ingediend en meegedongen naar subsidies daarvoor. 2.5. In een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aan de Burgemeester van Amsterdam van 18 februari 2013 is onder meer het volgende vermeld: “Mevrouw [naam 2], beter bekend als [naam 2], geeft geregeld lessen aan groepen moslima’s. Deze lessen bevatten een gedachtegoed dat in strijd is met de democratische rechtsorde en dat leerlingen aanzet tot radicalisering en anti-integratief gedrag. (…) Duidelijk is geworden dat [naam 2] streeft naar de letterlijke toepassing van de Koran, de overlevering van de profeet en zijn metgezellen om de geloofsleer zo authentiek mogelijk uit te voeren. Ruimte voor bredere dan wel een andere interpretatie is er volgens haar niet. Ook wordt duidelijk dat [naam 2] zich vaak beroept op radicale schriftgeleerden en salafistische literatuur uit Saudi-Arabië. Tijdens de groepslessen blijft zij zich richten tot de gehele groep waardoor de uitspraken vooral generalistisch van aard zijn. (…) Buiten de lessen om geeft zij echter wel persoonlijke adviezen die in haar ogen een religieus-bindend karakter hebben. Deze adviezen hebben duidelijk een radicaal en anti-integratief karakter. Ter verduidelijking enkele voorbeelden: Een leerling geeft aan dat haar echtgenoot fel tegen de lessen is die zij van [naam 2] krijgt, met name nadat deze echtgenoot kennis had gekregen van de inhoud: “(…) Hij beschuldigt mij steeds van fanatisme en extremisme net zoals mijn broer”. [naam 2] reageert hierop door te zeggen dat haar lessen prioriteit moeten krijgen boven alles, zij beschouwt het volgen van haar lessen “als een persoonlijke religieuze plicht (…)” en zij adviseert de leerling om niet alles te vertellen over de inhoud en het materiaal van deze lessen. Daarbij benadrukt [naam 2] herhaaldelijk het verheimelijken van de lessen die zij geeft, zeggende dat de tijd nog niet rijp is om ermee naar buiten toe te treden en verwijst naar de uitspraak van verschillende schriftgeleerden dat het legitiem is in dit geval om echtscheiding aan te vragen: “De man moet zich niet bemoeien met wat de vrouw volgt, niemand is bevoegd om het vergaren van religieuze kennis te verhinderen, als het nodig is blijf de lessen in het geheim volgen, de kinderen moeten een strakke islamitische opvoeding volgens de sharia-leer krijgen, zelfs naar muziek mogen zij niet luisteren want dat is niet toegestaan. Jouw lesstof moet je goed verbergen, hij kan dat bij de Kuffar (ongelovigen) bekend maken hetgeen nadelig voor jou zal zijn en tot ernstige problemen kan leiden!” aldus [naam 2]. Ook is gebleken dat één van de deelnemende vrouwen op advies van [naam 2] gescheiden is van haar man omdat hij niet vijfmaal per dag bidt. (…) Tot slot vindt [naam 2] dat iedereen die zich niet houdt aan de gebedsvoorschriften de doodsstraf verdient. [naam 2] geeft les vanuit verschillende locaties, te weten: - het ‘Huis van de Wijk’(…)” 2.6. Naar aanleiding van het onder 2.5 genoemde ambtsbericht (hierna ook: het ambtsbericht) heeft op 3 september 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen burgemeester Van der Laan en [naam 1]. 2.7. Bij brief van 7 september 2013 heeft [naam 1] het volgende aan de burgemeester meegedeeld: “Naar aanleiding van ons gesprek (…) hebben wij een intern onderzoek verricht. De uitkomst van het onderzoek zullen we verder in deze brief toelichten. Ten eerste willen we duidelijk maken dat wij dit zeer hoog opnemen binnen de organisatie. (…) Wat betreft het intern onderzoek hebben wij gesprekken gevoerd met de vrouwen en hen vragen gesteld over mevrouw [naam 2], de positie die zij inneemt binnen de groep en of mevrouw [naam 2] religieuze gesprekken heeft gevoerd en ze radicale opvattingen heeft aangepraat zoals het aansporen tot scheiden als de man niet 5 keer per dag bidt of bewust niet willen participeren binnen de Nederlandse samenleving. (…) Geen van de vrouwen heeft bevestigd dat mevrouw [naam 2] radicale opvattingen erop na houdt binnen de groep. Zij ontkenden alle voorbeelden die we hen hebben voorgelegd. Vervolgens hebben wij een gesprek gehad met [naam 2]. (…) Tevens ontkent mevrouw [naam 2] alle (…) uitspraken. Over de vraag of zij heeft gefungeerd als lerares naar de vrouwen toe op welk gebied dan ook, heeft mevrouw [naam 2] gezegd dat zij slechts onderling binnen de groep elkaar het Arabische/Nederlandse alfabet leren, dit was echter bij het bestuur bekend. (…) Na ons gesprek met mevrouw [naam 2] zijn wij tot de conclusie gekomen dat wij geen andere keus hebben dan haar verhaal voor waarheid aan te nemen. Wij hebben haar duidelijk gemaakt dat zij nog steeds welkom is bij de Stichting Oogappel. (…) Ook is het voor ons onmogelijk om van iedereen te weten wat er speelt. Het komt vaak voor dat wij geassocieerd worden met andere stichtingen/vrouwen die activiteiten aanbieden. Wij nemen hier uitdrukkelijk afstand van. Wij zijn niet verantwoordelijk voor wat er gebeurd binnen Huis van de Wijk en onder de vrouwen buiten onze activiteiten om. (…) Doordat wij op vrijwillige basis werken en de vraag naar plek voor verschillende activiteiten toeneemt, sluiten wij niet uit dat deze uitspraken zijn gedaan over onze stichting om ons in een kwaad daglicht te stellen. Dit betreuren wij ten zeerste. Helaas kunnen wij dit interne onderzoek niet voortzetten, omdat wij geen informatie hebben over de personen die hiermee zitten. Graag zouden wij in contact komen met deze personen om onze onderzoek voort te zetten en af te ronden.” 2.8. Bij brief van 12 december 2013 heeft de Gemeente (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) aan de Stichting meegedeeld dat in afwachting van een vervolggesprek van [naam 1] met de burgemeester op 16 januari 2014, tot die datum projecten van de Stichting niet zullen meedingen c.q. zullen worden voorgedragen voor subsidies. 2.9. Op 16 januari 2014 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen (onder anderen) [naam 1] en de burgemeester. In een concept verslag daarvan van de gemeente (abusievelijk gedateerd 16 januari 2013) is onder meer het volgende vermeld. “De burgemeester geeft aan dat hij ook met de AIVD heeft gesproken. Hij geeft aan dat hij slecht nieuws heeft voor de stichting Oogappel: de gemeente Amsterdam zal voorlopig geen geld aan de stichting Oogappel geven. (…) In een later gesprek met de AIVD heeft de AIVD de burgemeester verzekerd dat wat in het ambtsbericht staat waar is. De burgemeester geeft aan dat, als hij een dergelijk bericht van de AIVD ontvangt, hij hier als burgemeester op moet vertrouwen en dat hij dat dus ook doet. De burgemeester geeft aan dat in de brief die [naam 2] hem op zijn verzoek had gestuurd, alle informatie, inclusief de genoemde citaten, totaal wordt ontkend. In de brief staat geen enkel begrip voor de zorg die de burgemeester heeft. De burgemeester geeft ook aan dat hij vindt dat ook de brief van de stichting Oogappel niet tegemoet komt aan zijn zorg. Weliswaar heeft de stichting gezegd te zijn geschrokken van deze uitspraken, maar op geen enkele wijze wordt de burgemeester gerustgesteld in zijn zorg. (…) Als de stichting Oogappel toch weer wil meedingen met aanvraagrondes voor gemeentelijk geld, zal zij eerst duidelijk moeten aantonen dat zij de zorg van de gemeente serieus neemt. (…) [naam 1] geeft aan dat ze geen radicale uitspraken heeft gehoord van / over [naam 2]. Als dat wel zo was geweest, had Oogappel stappen ondernomen, dan was [naam 2] niet welkom geweest. (…) [naam 1] geeft aan dat ze zelf in een scheiding is verwikkeld en dat ze een slechte relatie heeft met haar ex-man. Die zou haar hebben gezegd dat hij haar zou aangeven voor radicalisme. De naam [naam 2] is thuis ook wel eens gevallen, mogelijk dat de ex-man van [naam 1] de melding over haar heeft gedaan. Ook zijn er binnen het stadsdeel andere groepen die het niet eens zijn met de stichting Oogappel en hen in een kwaad daglicht willen stellen (…). (…) De burgemeester geeft nogmaals aan dat wanneer de stichting Oogappel weer wil meedingen met rondes voor bijdragen vanuit de gemeente, zij goed moet nadenken over de vraag hoe zij de gemeente kan garanderen dat het geld niet verkeerd wordt besteed en er geen ruimte wordt geboden aan anti-integratieve geluiden c.q. aan mensen die aanzetten tot radicalisering, zoals [naam 2] dat doet. (…) De burgemeester biedt aan dat de gemeente hier eventueel over kan meedenken, maar dat de verantwoordelijkheid bij de stichting ligt. Het moet gaan om garanties, een intentie tot verbetering is onvoldoende. (…) De burgemeester geeft aan dat wanneer de stichting hier verder over wil doorpraten, zij contact kunnen opnemen met (…).” 2.10. Bij brief van 10 april 2014 heeft de directeur van de Stichting Samen Ondernemen [naam 3] (hierna: [naam 3]) aan [naam 1] meegedeeld dat de aanvragen van de Stichting in het kader van de “Regeling bewonersinitiatieven” op verzoek van Stadsdeel Nieuw West tot nader order worden aangehouden. Het betreft de volgende aanvragen: - Project Naailes ad 350 euro - Project Meidenclub ad 695 euro - Vrouwen in Beweging ad 950 euro - Mantelzorg Medina ad 543,77 euro 2.11. Bij brief van 12 juni 2014 heeft [naam 3] de huurovereenkomst en het schoonmaakcontract van de Stichting Samen Ondernemen met de Stichting opgezegd ‘op verzoek van de lokale overheid’. 2.12. Bij brief van 16 juni 2014 heeft [naam 1] aan de burgemeester onder meer geschreven: “In de voorgaande brief heeft u Stichting de Oogappel verzocht om mevrouw [naam 2] vanwege betrokkenheid van het verspreiden van radicaal gedachtegoed, verdere toegang tot de Stichting te weigeren. Stichting de Oogappel kon mevrouw [naam 2] niet weigeren aangezien daartoe geen feiten of omstandigheden waren die het rechtvaardigen haar de toegang te ontzeggen. Het betreurt mevrouw [naam 2] dat de Stichting de dupe van de situatie is geworden. Als gevolg is mevrouw erg ziek en overspannen geraakt. Mevrouw heeft mede daardoor aangegeven niet meer deel te nemen aan de activiteiten van de Stichting Oogappel. Naar aanleiding van het bovenstaande zouden wij graag een gesprek met u willen voeren met betrekking tot het voortbestaan van de stichting.” 2.13. Bij brief van 5 juli 2014 heeft [naam 1] aan de burgemeester geschreven: “De Stichting wil hierbij allereerst benadrukken dat wij deze kwestie wel degelijk zeer serieus opvatten. Desalniettemin kunnen wij de aantijgingen jegens mevrouw [naam 2] niet bevestigen, wij hebben immers zelf nooit geconstateerd dat zij radicaliserend gedachtegoed verspreidde tijdens de activiteiten waaraan zij deelnam of anderzijds aanzette tot anti-integratief gedrag. De Stichting benadrukt dat dergelijk gedrag waar mevrouw [naam 2] zich (naar verluidt) aan schuldig heeft gemaakt absoluut niet wordt geaccepteerd of getolereerd door de Stichting. De Stichting zal nooit een persoon faciliteren bij het verspreiden van radicaliserend gedachtegoed of het aanzetten tot anti-integratief gedrag. Dit zou haaks staan op onze eigen doelstellingen. (…) Wellicht ten overvloede merken wij op dat indien wij wel hadden geconstateerd dat mevrouw [naam 2] zulk kwalijk gedrag vertoonde, dat wij uiteraard meteen maatregelen zouden hebben getroffen. Stichting Oogappel neemt uitdrukkelijk afstand van dergelijk gedrag. Stichting Oogappel beoogd middels haar activiteiten immers juist dat vrouwen van etnische minderheidsgroepen beter in de Nederlandse samenleving kunnen participeren. Wij hopen dan ook van harte dat de Stichting nog lang in de gelegenheid zal blijven om deze doelstelling na te streven.” 2.14. In het verslag van de vergadering van 18 september 2014 van de Raadscommissie Algemene zaken is, naar aanleiding van het agendapunt Openbare Orde en Veiligheid en schriftelijke vragen inzake integraal radicaliseringsbeleid, onder meer het volgende vermeld: “Heeft het college de kweekvijvers van radicaal gedachtegoed van de politieke islam en de risicogemeenschappen in kaart? Ja. Sinds 2004 wordt beleid gevoerd op het voorkomen en tegengaan van radicalisering en polarisatie. (…) Tijdens de ambtswoningbijeenkomst gaat de burgemeester daar verder op in. (…) Kan het college garanderen dat er geen jihadistische of soortgelijke boodschappen worden verkondigd in door de gemeente gesubsidieerde buurthuizen of andere ontmoetingsplekken? Dat kan ze niet garanderen want je kunt niet altijd overal bij zijn, maar in het ambtswoninggesprek zal de burgemeester de raad nadere informatie geven. (…) (…) Het is prima dat de burgemeester direct handelt bij buurthuizen, maar de gemeente moet wel alert zijn op het organiseren van huiskamerbijeenkomsten. (…) Huiskamerbijeenkomsten zijn inderdaad ongewenst, maar bijeenkomsten in een gesubsidieerd buurtcentrum lijkt nog veel ernstiger. De Amsterdammer zou het zo kunnen interpreteren alsof de gemeente radicalisatie subsidieert.” 2.15. Volgens het (op 17 februari 2015 nagezonden) transcript van de commissievergadering van 18 september 2014, is daar de volgende vraag gesteld; “Kan het college garanderen dat er geen jihadistische of soortgelijke boodschappen worden verkondigd in de door de gemeente gesubsidieerde buurthuizen of andere ontmoetingsplekken?” Daarop is (door de burgemeester) geantwoord: “(…) Nou, er komt hier niet een geheel onverwacht antwoord, nee dat kunnen wij niet garanderen, want wij kunnen niet overal altijd bij zijn. Wat ik u wel kan vertellen, is dat wij in een heftig gedoe verwikkeld zijn geraakt omdat bij een bepaalde instelling, maar daar ga ik u alles over vertellen in het ambtswoninggesprek, dat een mevrouw, die daar cursussen gaf, ik een ambtsbericht heb gehad van de AIVD, waarop ik vervolgens zowat met de hele stad ruzie heb gekregen toen ik zei, dan gaan we de subsidie intrekken. (…) Maar ik vind dat ik het als burgemeester niet kan verantwoorden om in mijn ene hand een ambtsbericht te hebben van de AIVD en de anti-integratieve opstelling van iemand en dat het aan de andere kant een gesubsidieerde club is, al is het een pinda.” 2.16. In een artikel van 22 september 2014 in het dagblad Het Parool (verschenen op de website Parool.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.