← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2016:1034

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 3873520 CV EXPL 15-4239 vonnis van: 26 januari 2016 fno.: 23654 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Q-Park Beheer B.V. gevestigd te Maastricht eiseres nader te noemen: Q-Park gemachtigde: J.M.H.C. Haenen t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [gedaagde] procederend in persoon VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 6 oktober 2015 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen akte genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING De verdere beoordeling Bij genoemd tussenvonnis van 6 oktober 2015 heeft de kantonrechter de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van Q-Park, waarna [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Hetgeen bij voornoemd tussen vonnis is overwogen, wordt hier als ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen ten aanzien van de vraag of de overeenkomst zoals door hen gesloten valt onder de werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) en toe te lichten waartoe hun standpunten volgens hen leiden. Q-Park heeft kort gezegd als standpunt naar voren gebracht dat de bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn. Zij stelt daartoe dat “treintje rijden” niet alleen tot inkomstenderving leidt, maar ook gevaarzetting oplevert voor andere verkeersdeelnemers en het stuurt de parkeersystemen in de war. Q-Park heeft betoogd dat zij in verband met voornoemde omstandigheden groot belang heeft bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude. Ter bestrijding van dit probleem heeft Q-Park in artikel 6.3 van de algemene voorwaarden een boetebepaling opgenomen om het ongeoorloofd gebruik van de parkeergarage tegen te gaan. In de algemene voorwaarden is de boete gemaximeerd en in deze zaak is de vordering onverplicht beperkt. Het beding beoogt primair het dat “treintje rijden” te voorkomen. Voor een voldoende preventieve werking is het dan vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is. Er is geen ander middel om dat “treintje rijden” tegen te gaan dat even effectief is als een boetebeding. Andere middelen, zoals hinderlijke drempels, hebben de “treintje rijders” niet gestopt, terwijl deze wel hinder voor andere klanten veroorzaken. De inkomsten van het boetebeding worden gebruikt om maatregelen te nemen ter voorkoming en vervolging van treintje rijden. De boete is redelijk ten opzichte van de in het verleden gedane en in de toekomst nog noodzakelijke investeringen. Q-Park heeft niet gehandeld in strijd met de goede trouw. De parkeerder wordt immers op meerdere momenten gewaarschuwd voor de gevolgen van dat “treintje rijden”. De parkeerder heeft het zelf in de hand of hij de boete verschuldigd is omdat hij vrijwillig de keuze maakt om treintje te rijden, aldus Q-Park.

  1. [gedaagde] heeft kort gezegd als standpunt naar voren gebracht dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan treintje rijden en dat hij vaak door openstaande slagbomen is uitgereden.
  2. De kantonrechter is van oordeel dat het boetebeding, gelet op hetgeen door Q-Park is gesteld over het belang daarvan, waartegen door [gedaagde] niets is aangevoerd, en het feit dat het algemeen bekend is dat uitrijden uit een parkeergarage die in bedrijf is zonder te betalen verboden is, niet onredelijk bezwarend is. De door Q-Park gevorderde boete van € 1.560,00 is daarom toewijsbaar. Bij voornoemd tussenvonnis is reeds geoordeeld dat de vordering van Q-Park tot betaling van het dagtarief aan parkeergeld van € 108,00 eveneens toewijsbaar is.
  3. Gelet op het betalingsverzuim van [gedaagde] is de wettelijke rente toewijsbaar.
  4. Gelet op het in de dagvaarding overgelegde overzicht als bedoeld in artikel 6:96 BW wordt een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen als na te melden.
  5. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Q-Park van: - € 1.668,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2015 tot aan de voldoening; - € 250,20 aan buitengerechtelijke incassokosten; veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Q-Park, tot op deze uitspraak worden de kosten bepaald op de navolgende bedragen: -griffierecht: € 466,- -kosten dagvaarding: € 87,42 -salaris gemachtigde: € 450,- ------------ Totaal: € 1.003,42 veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; Aldus gewezen door mr. F.J. van de Poel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.