RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht - team kanton zaaknummer: 4591806 EA VERZ 15-1190, EA 15 - 1191 en EA 15 - 1380 beschikking van: 14 januari 2016 Beschikking van de kantonrechter inzake [verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoeker nader te noemen: [verzoeker] gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen tegen de besloten vennootschap PostNL Pakketten Benelux B.V. gevestigd te Hoofddorp verweerster nader te noemen: PostNL gemachtigde: mr. J.M. van Slooten en mr A.M. Merks VERLOOP VAN DE PROCEDURE [verzoeker] heeft op 9 november 2015 een verzoekschrift ingediend dat strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst aanwezig is, alsmede tot vernietiging van het gegeven ontslag en wedertewerkstelling cq loondoorbetaling. De procedure is bij deze rechtbank aanhangig onder zaaksnummer EA 15 - 1190. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek tevens de kantonrechter ex artikel 223 Rv verzocht voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaksnummer EA 15- 1191. PostNL heeft op 10 december 2015 een verweerschrift ingediend. De verzoeken zijn gezamenlijk behandeld ter terechtzitting van 18 december 2015. Alstoen was eveneens aan de orde de mondelinge behandeling in de gelijksoortige verzoeken van de heer [woonplaats] (verder [woonplaats] ) tegen PostNL (zaaksnummers EA 15- 1188 en EA 15-1189). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen nog stukken ingezonden. [woonplaats] en [verzoeker] zijn in persoon verschenen met de gemachtigde en belangstellenden. PostNL is verschenen bij de heer [naam 2] , met de gemachtigden. Alle partijen hebben een toelichting verstrekt, deels aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen. Tot slot is in alle verzoeken de mondelinge behandeling gesloten en beschikking bepaald, waarvan de datum tot 23 december 2015 is aangehouden teneinde partijen de mogelijkheden voor een schikking te onderzoeken. Op 23 december 2015 heeft de kantonrechter niet van partijen vernomen. Op 24 december 2014 - ingekomen per fax - heeft de kantonrechter van PostNL een verzoek ex artikel 843a Rv ontvangen (zaaksnummer EA 15 - 1380). Nadien heeft [verzoeker] aan de kantonrechter bericht dat partijen geen regeling hebben getroffen. In de diverse verzoeken is vervolgens beschikking bepaald op heden. BEOORDELING VAN HET VERZOEK Feiten en omstandigheden 1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast: 1.1. Koninklijke PostNL B.V. is op grond van artikel 84 Postwet 2009 met ingang van 1 april 2009 aangewezen als verlener van universele postdienst in Nederland. Zij is op grond van de Postwet onder meer verplicht pakketvervoer te verzorgen. PostNL is de vennootschap die daarvoor zorg draagt. PostNL maakt voor deze pakketverzorging gedeeltelijk gebruik van de diensten van zelfstandige pakketbezorgers (hierna ook wel subcontractors of subco’s genoemd). In totaal gaat het in Nederland om ongeveer 1100 subcontractors. PostNL heeft daartoe met deze subcontractors overeenkomsten gesloten. De subcontractors zijn hetzij zelfstandige zonder personeel (ZZP-er), hetzij zelfstandige met werkend personeel (ZMP-er), hetzij zelfstandige met zelfstandige(
(2x)over de bezorgdiensten van [verzoeker] klachten ingediend bij PostNL. PostNL heeft [verzoeker] daarover aangeschreven, met de waarschuwing dat bij herhaling de overeenkomst wordt beëindigd. 1.15. Op 21 september 2015 heeft PostNL de overeenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen 21 december 2015. PostNL heeft daarbij verwezen naar gedragingen van [verzoeker] , als gevolg waarvan PostNL het vertrouwen in een verdere samenwerking had verloren. Gedurende de opzegtermijn hoefde [verzoeker] niet te werken en kreeg hij een vergoeding gebaseerd op het gemiddelde dat hij in juni 2015 aan omzet had behaald. 1.16. [verzoeker] heeft na de opzegging geen werkzaamheden meer verricht. Na 21 december 2015 heeft [verzoeker] geen betaling meer ontvangen. 1.17. De gemachtigde van [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat de opzegging daarvan, wegens het ontbreken van instemming of toestemming van [verzoeker] , moet worden vernietigd. 1.18. In 2014 heeft [verzoeker] een omzet gegenereerd van € 110.000,- . Verzoeken en verweren Verzoek van [verzoeker] in de hoofdzaak (EA 15 - 1190) 2. [verzoeker] vordert primair a. een verklaring voor recht dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, b. vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst c.q. het gegeven ontslag, c. bevel aan PostNL hem toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een ander te bepalen bedrag, d. veroordeling van PostNL tot doorbetaling van zijn salaris, gelijk aan het CAO salaris van een pakketbezorger in vaste dienst van PostNL (minimaal schaal 3, vermeerderd met aantal ervaringsjaren) althans de wekelijkse vergoeding, die [verzoeker] ontving in de periode 1 januari 2015 - 1 juli 2015, e,f,g. alles met de wettelijke verhoging, de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente. 3. Subsidiair stelt [verzoeker] dezelfde vorderingen in met uitzondering van de verklaring voor recht, voor het geval op andere wijze komt vast te staan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Incidenteel verzoek van [verzoeker] ex artikel 223 Rv 4. Tot slot vordert [verzoeker] bij wijze van incidentele voorlopige voorziening wedertewerkstelling en loondoorbetaling met rente en kosten, voor de duur van de procedure. 5. [verzoeker] stelt daarbij dat de overeenkomst, gelet op de feiten en omstandigheden, dient te worden beschouwd als arbeidsovereenkomst omdat deze alle kenmerken bevat van artikel 7:610 BW. Het gaat om door [verzoeker] persoonlijk te leveren prestaties (vaste werktijden), onder gezag van PostNL en tegen een maandelijkse (of wekelijkse) beloning. 6. In dat verband stelt [verzoeker] het navolgende: - PostNL bepaalt hoe de bus, waarmee de pakketten worden vervoerd, er uit moet zien en daar mag geen andere naamsvermelding op staan dan een kleine sticker op de deur van de bus;- PostNL bepaalt de route en hoe laat die moet worden gereden;- PostNL bepaalt de kleding;- PostNL bepaalt de schoenen;- PostNL bepaalt op welke wijze de ter beschikking gestelde scanner aan de broekriem wordt gedragen;- PostNL bepaalt de wijze van werken;- PostNL propageert een vast kredietarrangement voor de investeringen (aan de bus);- PostNL laat de huis- en gedragsregels van toepassing zijn, net als bij medewerkers in dienst van PostNL;- in die gedragsregels wordt enkele gesproken van werknemers;- PostNL bepaalt bij vervanging of de vervanger wel voldoet aan de PostNL-eisen en normen;- PostNL bepaalt eenzijdig de prijs per route en op welke dagen de subcontractor moet werken;- de subcontractor moet een verklaring omtrent het gedrag aan PostNL overleggen;- PostNL controleert de subcontractor tijdens de werkzaamheden onder meer door straatcontroles; - PostNL staat niet toe dat met de bus andere pakketten worden bezorgd; - de subcontractor stuurt zelf geen factuur, maar PostNL bepaalt de factuur van de subcontractor. 7. Uit de wijze waarop partijen feitelijk aan hun samenwerking uitvoering en inhoud hebben gegeven, blijkt dat hen een arbeidsovereenkomst voor ogen stond. Deze arbeidsovereenkomst is door PostNL opgezegd, zonder instemming van de werknemer. 8. Voorts stelt [verzoeker] dat er geen bewijs is voor de door PostNL gehanteerde reden en die reden rechtvaardigt in elk geval geen beëindiging van de overeenkomst. Gezien de opzegtermijn van drie maanden kan van een ontslag op staande voet geen sprake zijn. Mocht dat toch worden aangenomen, dan geldt dat er geen dringende reden aanwezig was en dat op grond daarvan het ontslag vernietigd moet worden. Verweer van PostNL in de hoofdzaak 9. PostNL verweert zich en meent dat het verzoek afgewezen dient te worden. Samen-vattend stelt PostNL dat partijen bij de aanvang van de overeenkomst van 6 november 2006 en later weer op 8 januari 2013 uitdrukkelijk hebben overwogen dat partijen geen arbeidsovereenkomst hebben willen sluiten. 10. De uitvoering van de overeenkomst wijkt ook niet af van hetgeen partijen destijds voor ogen stond. [verzoeker] was niet gehouden de arbeid persoonlijk te verrichten. Er was evenmin sprake van loon of een gezagsverhouding, zoals die horen bij een arbeidsovereenkomst. 11. PostNL en [verzoeker] zijn om reden van de veiligheid van goederen en personen, en om een bepaald niveau aan service te kunnen bieden, bepaalde werkwijzen overeengekomen. Deze servicekaders moeten bewerkstelligen dat (
- i)voor klanten herkenbaar is dat de subcontractors hun diensten verrichten in opdracht van PostNL en (
- ii)dat zij ook de bij PostNL passende uitstraling hebben. 12. PostNL weerspreekt de door [verzoeker] aangedragen stellingen gemotiveerd en plaats deze in een context. Zij voert voorts aan dat [verzoeker] zich bij het rijden van zijn ritten voor tenminste 72 heeft laten bijstaan door achtvervangers. Aan die vervangers stelt PostNL geen andere voorwaarden dan dat zij een rijbewijs bezitten en een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aan PostNL verstrekken. 13. De opzegging en de beëindiging van de vervoersovereenkomst waren overeenkomstig de bepalingen in de overeenkomst. Bovendien heeft PostNL een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen, terwijl het contract een opzegtermijn van een maand bevat. Dat was dus al meer dan redelijk. Incidenteel verzoek PostNL ex artikel 843a Rv 14. PostNL verzoekt harerzijds in deze procedure, ook bij wijze van incident op de voet van artikel 843a Rv, het verkrijgen van afschrift van bepaalde bescheiden aangaande de rechtsbetrekking tussen partijen, terwijl zij tevens aanhouding van de procedure verzoekt. 14. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2015 (in een drietal zaken tussen vervoerders en PostNL) verzoekt PostNL - op straffe van een dwangsom - afgifte van de winst- en verliesrekeningen van [verzoeker] , of een jaarrekening of jaarstukken, waaruit de financiële en juridische verplichtingen van [verzoeker] over - kort gezegd - zijn ondernemerschap voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de overeenkomst en de wijze waarop [verzoeker] met vervanging is opgegaan. 14. PostNL doet de verzoeken voorts voorwaardelijk, namelijk voor het geval de vorderingen van [verzoeker] niet aanstonds zullen worden afgewezen. Beoordeling Het incidentele verzoek van PostNL ex artikel 843a Rv (EA 15 - 1380) 17. Allereerst wordt overwogen dat de zijdens PostNL op 24 december 2015 ingediende vordering tot inzage in bescheiden op grond van artikel 843a Rv (de exhibitieplicht) ook in een verzoekschriftprocedure ingediend kan worden. Dat in dit artikel enkel “vorde-ring” is opgenomen staat daaraan niet in de weg (HR 18 februari 2000, LJN AA4877). 17. Het verzoek van PostNL zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Hoewel het verzoek in iedere stand van het geding kan worden gedaan, vervalt de mogelijkheid op het moment dat de zaak in staat van wijzen verkeert (vgl Kamerstukken II 2011/12,3 p 15). PostNL heeft het verzoek ingediend na het sluiten van de mondelinge behandeling, op het moment dat nog slechts de (precieze) datum van beschikking diende te worden bepaald, welke datum afhankelijk was van de vraag of partijen alsnog - gedeeltelijk - een schikking zouden bereiken. De zaak was derhalve reeds in staat van wijzen. Het verzoek van [verzoeker] in de hoofdzaak (EA 15 - 1190) 19. De kern van de procedure betreft de vraag of de tussen partijen gesloten overeen-komst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst of niet. De kantonrechter stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in onderling verband worden bezien; vgl HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495 (https://www.navigator.nl/document/id15761997111416453admusp?idp=LegalIntelligence&anchor=id-a03fa2fe3c3db64c30947b473527965c) (Groen/Schoevers) en meer recent HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex). De kantonrechter hanteert derhalve een holistische benadering, evenals haar collega van de Rechtbank Noord-Holland in haar uitspraken van 18 december 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015: 11226, 11230 en 11236). In dit verband overweegt de kantonrechter als volgt. 19. Zowel de eerste, als de tweede overeenkomst, als de AV en de Bijlage zijn er op gericht géén arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen. Bedacht dient daarbij te worden dat PostNL en [verzoeker] in maatschappelijk en economisch opzicht niet helemaal gelijkwaardige partijen zijn en dat over de inhoud van de overeenkomsten en de AV - die voor alle subcontractors bijna volledig gelijkluidend zijn - niet of nauwelijks door [verzoeker] kon worden onderhandeld. 19. PostNL heeft ten aanzien van vrijwel alles wat met de uitvoering van het werk samen-hangt, zoals de bedrijfskleding, het schoeisel en de wijze waarop de scanner voor pakjes bevestigd dient te worden aan de broekriem, zeer gedetailleerde instructies gegeven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kleur en de maatvoering van de bus van [verzoeker] . Er zijn Werkinstructies en Huisregels van toepassing verklaard die ook gelden voor de werknemers van PostNL. 19. PostNL heeft in dit verband gesteld dat sprake is van Servicekaders die beogen te waarborgen dat voor klanten herkenbaar is dat [verzoeker] werkt in opdracht van PostNL en dat die Servicekaders voortvloeien uit de Postwet en het consumenten-recht. Maar ook indien dit juist is, doet dit niet af aan het gegeven dat het aan de subcontractors opleggen van dergelijke gedetailleerde instructies afbreuk doet aan hun ondernemingsvrijheid. 19. [verzoeker] heeft anderzijds investeringsrisico’s genomen (het aanschaffen van een bus) en hij heeft van de belastingdienst een VAR-verklaring gekregen (waarmee PostNL een ruling van de belastingdienst heeft verkregen dat de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd). [verzoeker] droeg gelet op de wijze van honorering (betaling per succesvolle stop) voorts ook een zeker ondernemingsrisico. Daartegenover staat echter dat de vergaande - en overigens begrijpelijke - instructies van PostNL er op gericht waren dat [verzoeker] louter voor PostNL pakketten bezorgde, wat ook feitelijk het geval is geweest. PostNL controleerde voorts streng op de nale-ving van de instructies, onder meer door het houden van zogeheten “Straatcontroles”. 19. Op het “Straatcontrole formulier” zijn vragen vermeld betreffende de aanwezigheid van alcohol en/of drugs in de bus. Maar het formulier vermeldt ook de volgende vragen:“Is de chauffeur de persoon die volgens het dcp/depot de rit moet rijden?Draagt de chauffeur representatieve PostNL kleding?Is het herkenbaar dat dit voertuig in opdracht van PostNL rijdt?Behoren alle zendingen in de auto tot deze rit? (steekproef van ca 10 stuks)” 19. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de straatcontroles niet louter dienen ter waarborging van de juiste behandeling van de pakketten en de veiligheid van betrokkenen, maar ook strekken tot controle op naleving van de voorschriften door de subcontractors en dat andere te bezorgen pakketten in de bus feitelijk niet werden geduld. Deze controles kon PostNL op ieder - onverwacht - moment in de bus van [verzoeker] uitvoeren. Op zijn bus mocht [verzoeker] geen duidelijk zichtbare reclame voor zichzelf of een ander voeren. Naar buiten heeft [verzoeker] zich met andere woorden in niets onderscheiden van de werknemers van PostNL in vaste dienst, die overigens precies dezelfde werkzaamheden verrichten. 19. PostNL bepaalt voorts feitelijk de tijdstippen waarop de werkzaamheden moeten worden verricht; immers zij hanteert bij de bezorging van pakketten het systeem van de Tijdvakindicatie (TVI). Dit houdt in dat klanten een indicatie krijgen van een tijdvak van 2 of 3 uren waar binnen hun pakket bezorgd wordt. PostNL bepaalt daarbij op basis van de postcodes die tot de route van [verzoeker] behoren, vooraf eenzijdig de route, waarbij – ook vooraf – aan klanten de bijbehorende TVI’s worden gegeven. De subcontractors worden voorts aangesproken op een te lage “tijdvakindicatie score”. Feitelijk betekent dit systeem dat de subcontractors niet of nauwelijks de vrijheid hebben om zelf te bepalen hoe en wanneer ze hun route rijden en om tussentijds te stoppen/-onderbreken voor bijvoorbeeld een langere lunchpauze, een kappersbezoek of andere privézaken. PostNL heeft er weliswaar op gewezen dat het de subcontractors vrij staat 24 of 48 uur van tevoren wijzigingen door te geven, maar in de praktijk gebeurt dit niet of nauwelijks. 19. Tot slot geldt dat [verzoeker] zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden alleen mocht laten vervangen door de vervangers die vooraf zijn goedgekeurd door PostNL (na een ontvangen VOG, het rijbewijs en een met goed gevolg afgelegde test) en die als zodanig zijn geregistreerd. Indien [verzoeker] zich liet vervangen moest dit vooraf worden medegedeeld aan medewerkers bij het depot. Anders kreeg de vervanger de pakketten niet mee; een overigens zeer begrijpelijke handelwijze van PostNL, maar dat maakt het feit dat dit afbreuk doet aan de ondernemingsvrijheid niet anders. 19. Bij dit alles weegt aan de andere kant nog - zwaar - mee dat [verzoeker] reeds zeer lang, namelijk sinds 1989, een onderneming in koeriersdiensten drijft, dat [verzoeker] zich structureel door meerdere andere vervoerders laat bijstaan en meer routes heeft, dan hij zelfstandig ooit zou kunnen rijden. [verzoeker] heeft zich dan ook voor het overgrote deel van de routes laten vervangen; een minderheid van de routes heeft hij zelf gereden. Hij is derhalve structureel betaald voor diensten die hij niet zelf reed. Aange-nomen mag worden dat, nu [verzoeker] bij het aangaan van de overeenkomst reeds zelfstandig ondernemer was en gelet op zijn opstelling nadien, ook hem daadwerkelijk voor ogen heeft gestaan dat hij als zelfstandige zou werken voor PostNL én dat hij de gevolgen hiervan kon overzien. 19. Het feit dat PostNL gedetailleerde instructies gaf ten aanzien van de uitvoering van het werk en op de naleving daarvan toezag, hetgeen op zichzelf kenmerken heeft van een gezagsverhouding, weegt in het onderhavige geval niet op tegen de hierboven onder rov 28 genoemde omstandigheden. 19. Hetgeen hierboven is overwogen komt erop neer dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen en afwegend, bij [verzoeker] een beeld naar voren komt van een subcontractor die bewust heeft gekozen voor het zelfstandig ondernemerschap, geacht mag worden de consequenties daarvan te kunnen overzien en zich daar ook naar heeft gedragen heeft. Dat [verzoeker] alleen voor PostNL reed of mocht rijden, waardoor een economische afhankelijkheid ontstond, doet daar in het onderhavige geval niet aan af. Bovendien vertoont [verzoeker] gelet op de structurele en hoge vervangingsgraad, meer gelijkenis met een ZMP-er (zelfstandige met personeel) dan met een ZZP-er. 19. Nu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zullen de daarop gebaseerde vorderingen van [verzoeker] worden afgewezen. [verzoeker] heeft niet, ook niet subsidiair, het standpunt ingenomen dat de opzegging van de vervoersovereenkomst onterecht is geschied. Het verzoek van [verzoeker] ex artikel 223 Rv (EA 15 - 1189) 32. [verzoeker] heeft bij zijn inleidend verzoekschrift op de voet van artikel 223 Rv verzocht voor de duur van de procedure een voorlopige voorziening, die direct samenhangt met de hoofdprocedure, te treffen. Die bestaat eruit dat het verzoek in de hoofdprocedure voor de duur van de procedure zal worden toegewezen en die voornamelijk - kort gezegd - betreft loondoorbetaling en wedertewerkstelling. 32. Ook dit verzoek zal worden afgewezen, althans de voorzieningen zullen worden geweigerd, nu in alle verzoeken tegelijk een (eind-) beschikking wordt gegeven en dus het belang van [verzoeker] bij zijn provisionele vordering is komen te vervallen. Proceskosten 34. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, zowel in de hoofdzaak als in de beide incidenten. BESLISSING De kantonrechter: Op het verzoek van PostNL ex artikel 843a Rv (EA 15 - 1380) verklaart PostNL niet-ontvankelijk in haar verzoek; Op het verzoek van [verzoeker] ex artikel 223 Rv (EA 15 - 1191) weigert de gevraagde voorzieningen; Op het verzoek van [verzoeker] in de hoofdzaak (EA 15 - 1190) wijst het verzoek af; In alle verzoeken: compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2016 in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter