vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/567611 / HA ZA 14-642 Vonnis van 30 maart 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem, tegen de stichting STICHTING DE ALLIANTIE, gevestigd te Huizen, gedaagde, advocaat mr. M.J. Sarfaty te Amsterdam. Partijen worden hierna [eiseres] en de Alliantie genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 6 mei 2015, met de daarin genoemde stukken, een brief van 8 oktober 2015 zijdens de Alliantie, met twee producties, het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 oktober 2015, de conclusie na getuigenverhoor, de antwoordconclusie na getuigenverhoor. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij voormeld tussenvonnis is de Alliantie toegelaten te bewijzen dat zij het stuk grond van [eiseres] sinds 1990 bezit. In de achtertuin van [eiseres] staat een schutting. Achter deze schutting bevindt zich het bewuste stuk grond. Op dit stuk grond staat een schuur. Indien de Alliantie in de bewijslevering slaagt, dan is de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit voltooid en is de Alliantie eigenaar van het stuk grond geworden (art. 3:105 BW jo. art. 3:306 BW). De vorderingen van [eiseres] zullen dan worden afgewezen. 2.2. De Alliantie heeft in de enquête [getuige 1] en [getuige 2] laten horen. [eiseres] heeft afgezien van contra-enquête. 2.3. [getuige 1] heeft – voor zover relevant – verklaard: (…) Toen ik aan de [straat 1] kwam wonen stond er al een gebouwtje achter de [straat 2] . (…) Ongeveer 20 jaar geleden heb ik nog even in de [straat 3] gewoond. Vanuit deze woning keek ik vanaf de andere kant uit op de tuinen. (…) In de loop der tijd zijn er allerlei aanpassingen en vervangingen geweest aan het onderhavige gebouwtje. Toen ik aan de [straat 3] woonde zijn op een gegeven moment de erfafscheidingen in de tuinen vervangen door schuttingen. Deze zijn door de firma Hilhorst geplaatst. Ik weet niet meer wie de opdrachtgever daarvoor is geweest. Ik heb dat ook nooit geweten. (…) U toont mij productie 4 bij dagvaarding. (…) Op de plek van deze schutting heeft zo lang als ik aan de [straat 1] woon altijd een erfafscheiding gestaan. Eerst bestond deze erfafscheiding uit dun gevlochten materiaal. (…) 2.4. [getuige 2] heeft – voor zover relevant – verklaard: (…) Toen ik in 1990 aan de [straat 1] kwam wonen, stond de schutting achter de [straat 2] er al. Er stond ook al een oud gebouwtje op de plek van de huidige schuur, (…) In de loop der tijd is het gebouwtje steeds verder opgeknapt. (…) Ongeveer 18 jaar geleden hebben we nog een halfjaar aan de [straat 3] gewoond, omdat onze woning aan de [straat 1] toen werd gerenoveerd. (…) Het oude schuurtje en de schutting stonden er toen allemaal al. 2.5. In een eerdere schriftelijke verklaring, waarvan zowel door [getuige 1] als [getuige 2] de juistheid in de enquête is bevestigd, heeft [getuige 1] verklaard: (…) U vraagt mij of het schuurtje dan wel het gebouwtje in de tuin van de [straat 4] (waar ik op uit kijk) en waarvan nu wordt gezegd dat dit voor een gedeelte staat op de grond die behoort bij de tuin van [straat 2] , er ook stond toen wij hier kwamen wonen. Ik beantwoord deze vraag bevestigend. (…) Dit werd toen gebruikt door de toenmalige uitbater van het café, dat gevestigd was aan de [straat 4] . Dat schuurtje is later, volgens mij door de jongens van [naam] , vervangen. (…) Ik denk dat toen ook de schuttingen zijn geplaatst. De schuttingen zijn in de loop der tijd weleens vervangen, maar zijn altijd op dezelfde plaats blijven staan. (…) Dit schuurtje staat dus al sinds dat ik hier woon (december 1990) op de huidige plek. 2.6. De rechtbank stelt, met verwijzing naar het in het tussenvonnis onder overweging 4.2 geschetste wettelijk kader, voorop dat voor beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, bepalend is of hij zich daarover de feitelijke macht heeft verschaft (art. 3:113 BW). Uit het tweede lid van art. 3:113 BW volgt dat ingeval een goed in bezit van een ander is, hetgeen bij onroerende zaken steeds het geval is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende zijn. Er dient derhalve sprake te zijn van zodanige machtsuitoefening – waaruit de pretentie van eigendom blijkt - dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter eindigt. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, ingevolge art. 3:108 BW bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten. 2.7. De in art. 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn bedraagt twintig jaar. De termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt, aldus art. 3:314 lid 2 BW. [eiseres] heeft niet gesteld dat de verjaring eerder is gestuit dan bij dagvaarding van 19 juni 2014, zodat van belang is of (de rechtsvoorganger van) de Alliantie vóór 19 juni 1994 bezitter van de strook grond is geworden. 2.8. Uit de voormelde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat de schuur op de grond van [eiseres] in ieder geval vanaf december 1990 werd gebruikt door de (huurder van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.