RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/669163-14 (Promis) Datum uitspraak: 20 april 2016 Op tegenspraak Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvende op het adres [adres 1] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 april 2016. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Diependaal en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd - ten laste gelegd dat hij, ten aanzien van feit 1: in de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 1 augustus 2014 op verschillende plaatsen in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, verschillende personen heeft bewogen tot de afgifte van hun bankpas en/of hun pincode en/of in genoemde periode pinpassen van deze personen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de passen door oplichting, althans door misdrijf verkregen waren; ten aanzien van feit 2: in de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 1 augustus 2014 op verschillende plaatsen in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening geldbedragen toebehorende aan verschillende personen heeft weggenomen met behulp van hun pinpasjes en pincodes; ten aanzien van feit 3: in de periode vanaf 30 juli 2014 tot en met 31 juli 2014 te [plaats] met het oogmerk om zich te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 1] heeft bewogen tot de afgifte van haar bankpas en/of haar pincode. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs oplichting, heling en diefstal (feiten 1 en 2) 4.1. Inleiding Naar aanleiding van de aangifte ter zake van oplichting d.d. 4 juli 2014 van de destijds 92-jarige [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) is door de politie een opsporingsonderzoek ( [onderzoek A] ) gestart. [persoon 2] werd op 4 juli 2014 gebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van een energiebedrijf; deze vertelde [persoon 2] dat hij de afgelopen tijd teveel had betaald en geld terug kreeg. Nog diezelfde dag kwam de vermeende medewerker van het energiebedrijf bij [persoon 2] thuis en vertelde dat hij de meterstanden kwam opnemen. Na een korte inspectie van de meter, werd [persoon 2] voorgespiegeld dat hij geld terug kreeg waartoe [persoon 2] zijn pinpas moest afgeven die de medewerker van het energiebedrijf in een apparaat deed; vervolgens liet hij [persoon 2] zijn pincode intoetsen. Na het vertrek van de medewerker bemerkte [persoon 2] dat hij niet zijn eigen pinpas had terug gekregen, maar een pinpas op naam van [persoon 3] . [persoon 2] heeft direct zijn bank gebeld en er bleek al geld van zijn rekening te zijn opgenomen. Het onderzoeksteam van de politie heeft weten te achterhalen dat de man die zich had voorgedaan als medewerker van een energiemaatschappij had gebeld met een mobiele telefoon met IMEI eindigend op * [nummer] . Op dit nummer is er een technische actie gestart en vervolgens zijn er observaties verricht. Op 31 juli 2014 werd de 81-jarige mevrouw [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ) met genoemd nummer gebeld door [naam] van de NUON. [persoon 4] was ernstig ziek en net thuisgekomen na een verblijf in het ziekenhuis. [naam] zei tegen [persoon 4] dat zij, in verband met de eindafrekening, de meterstanden nog niet had doorgegeven. Ook informeerde hij of [persoon 4] nog steeds een girorekening had. Het onderzoeksteam wist, naar aanleiding van de observaties (zie hierna rubriek 5.1), op dat moment al dat de beller verdachte was. Tijdens de observatie van 1 augustus 2014 werd gezien dat verdachte de woning van [persoon 4] op het adres [adres 2] te [plaats] binnen was gegaan. Verdachte keek in de woning in de meterkast en zei tegen [persoon 4] dat zij geld terug kreeg. Verdachte vroeg aan [persoon 4] haar pinpas die hij vervolgens in een apparaat dat hij bij zich had, deed en liet [persoon 4] haar pincode intoetsen. Verdachte verliet de woning en kort daarna bleek dat verdachte aan [persoon 4] niet haar eigen bankpas maar een pinpas op naam van [persoon 6] had teruggegeven. Nog geen uur later werd verdachte door het observatieteam gezien bij een pinautomaat op de Pieter Calandlaan in Amsterdam. Verdachte had daar met de bankpas van [persoon 4] € 1.000,- gepind. Hierop is verdachte aangehouden met in zijn bezit de bankpas van [persoon 4] en een geldbedrag van € 1.000,-. De auto van verdachte is doorzocht en in het middenconsole onder de beschermhoes van de handrem werd onder meer een identifier en een pinpas op naam van [persoon 7] aangetroffen. [persoon 7] is medio mei 2014 opgelicht waarbij de oplichter eenzelfde oplichtingstactiek hanteerde als bij de oplichting van [persoon 4] . Het onderzoeksteam is verder gaan rechercheren en is gestuit op meer oplichtingszaken waarbij de modus operandi overeenkomsten vertoonde met die waarbij verdachte op heterdaad is aangehouden. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de elf oplichtingszaken die volgens het Openbaar Ministerie aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte heeft bekend dat hij mevrouw [persoon 4] heeft opgelicht en met de bij haar ontvreemde pinpas € 1.000,- van haar bankrekening heeft gepind. Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de andere tien ten laste gelegde oplichtingszaken (en daarmee samenhangend: de ten laste gelegde diefstallen) ontkend. 4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht. De ten laste gelegde oplichtingszaken vertonen dusdanig veel overeenkomsten dat er sprake moet zijn geweest van één en dezelfde dader. Uit het onderzoek is namelijk naar voren gekomen dat: - de slachtoffers in hun woning zijn opgelicht; - slachtoffers mensen zijn van hoogbejaarde leeftijd; - de dader de slachtoffers van tevoren opbelt en zegt dat hij een medewerker van een energiebedrijf is en de meterstanden wil opmeten; - de dader tijdens het telefoongesprek probeert te achterhalen bij welke bank het potentiële slachtoffer bankiert en of er bezoek is; - de dader vraagt wanneer hij langs kan komen, maar op een ander moment onaangekondigd langskomt; - de dader toegang verkrijgt tot de woning door middel van een babbeltruc en in de meterkast kijkt; - de dader het potentiële slachtoffer vertelt dat hij/zij geld van de energiemaatschappij terug krijgt en het slachtoffer zijn/haar bankpas in een apparaatje laat stoppen en de pincode laat intoetsen, zodat het teveel betaalde bedrag kan worden teruggestort op de rekening van het slachtoffer; - de dader het slachtoffer een bankpas van iemand anders – die ook is opgelicht – terug geeft; - de dader met de weggenomen bankpas bij pinautomaten in Amsterdam geld opneemt. Dat de dader verdachte is, blijkt uit het volgende. In de oplichtingszaken 1, 2, 3, 4, 5 en 6 werd steeds gebruik gemaakt van dezelfde telefoon, die in de auto van verdachte is aangetroffen en waarmee verdachte [persoon 4] , die door middel van dezelfde werkwijze is opgelicht en bestolen, heeft opgebeld. De dader belde met deze telefoon vanuit een locatie in de omgeving van de ouderlijke woning van verdachte. In de zaken 7, 9 en 10 werd ook telkens vanuit deze locatie naar de slachtoffers gebeld. Verder is bij verdachte de bankpas van de [persoon 7] aangetroffen die door middel van eenzelfde werkwijze is opgelicht. Tevens past het door de slachtoffers opgegeven signalement – verzorgde, netjes geklede en goed Nederlands sprekende man van rond de 25-30 jaar – goed bij verdachte. Daar komt bij dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de oplichting en diefstal van [persoon 4] , welk feit verdachte heeft bekend, bij uitstek gebruikt kunnen worden voor de andere ten laste gelegde zaken, nu er sprake is van een specifiek patroon in het gedrag van verdachte. Het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario is ongeloofwaardig, gelet op het feit dat het merendeel van zijn verklaringen omtrent mogelijke mededaders en zijn voormalige werkgevers verzonnen blijkt te zijn. 4.3. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, zich op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de feiten 1 en 2 voor wat betreft zaak 1 kunnen worden bewezen. Verdachte heeft op een bepaald moment in de coffeeshop [persoon 8] en [persoon 9] ontmoet en was nieuwsgierig hoe zij aan hun geld kwamen. [persoon 8] heeft verdachte uitgelegd op welke manier hij bankpassen en pincodes van mensen ontfutselde en zodoende geld van hun rekeningen opnam. Ongeveer een week voordat hij werd aangehouden, heeft verdachte van [persoon 8] een lijstje met adressen en telefoonnummers, een telefoon, twee bankpassen en een identifier gekregen. Verdachte heeft vervolgens in opdracht van [persoon 8] mevrouw [persoon 4] opgelicht en bestolen. Verdachte zou 2/3 van het gepinde geld aan [persoon 8] afgeven en mocht 1/3 zelf houden. Met de andere ten laste gelegde zaken heeft verdachte niets te maken gehad en daarvan dient verdachte bij gebrek aan bewijs dan ook te worden vrijgesproken. De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of de bewijsmiddelen in zaak 1 gebruikt kunnen worden als steunbewijs in de andere zaken. Hiervan kan geen sprake zijn, nu er tussen de zaken onvoldoende overeenkomsten zijn en voor zover die er wel zijn, zijn deze te weinig specifiek. Een alternatief scenario is niet uitgesloten, aldus de raadsvrouw. 4.4. Het oordeel van de rechtbank 4.4.1. Oplichting, diefstal en heling pinpas [persoon 4] (zaak 1) De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte in zaak 1 en in zoverre de feiten 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2, heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Nu verdachte – kort gezegd – de oplichting en diefstal in zaak 1 heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien hiervan geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de in bijlage II genoemde opgave van de gebruikte bewijsmiddelen. 4.4.2. Opzetheling pinpassen [persoon 6] en [persoon 7] Nu verdachte ter gelegenheid van de oplichting van [persoon 4] haar een pinpas op naam van [persoon 6] heeft gegeven - en daarmee tevens voorhanden heeft gehad -, heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan opzetheling van deze pinpas. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tevens heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van de pinpas van [persoon 7] . De pinpas is in de auto van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft ter gelegenheid van zijn verhoor bij de politie op 7 augustus 2014 verklaard dat hij twee bankpassen (de rechtbank begrijpt: waaronder die van [persoon 7] ) van [persoon 8] had gekregen en dacht dat die passen gestolen waren. 4.4.3. Partiële vrijspraak oplichting en diefstal zaken 3 tot en met 10 en heling zaken 1, 3, 4 en 6 tot en met 10 Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2, als de zaken 3 tot en met 10 is ten laste gelegd, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Anders dan hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd is op grond van het dossier en het verder ter terechtzitting verhandelde niet buiten gerede twijfel vast te stellen dat verdachte de dader is van de ten laste gelegde zaken. Het enkele bestaan van een gelijksoortige modus operandi zoals die in een aantal van de onderhavige zaken gebleken is, kan niet redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte de desbetreffende feiten heeft gepleegd. Voor het bewijs zal immers nodig zijn dat die modus operandi tevens met voldoende zekerheid met verdachte kan worden verbonden, hetzij rechtstreeks hetzij via deugdelijke schakels. De door de officier van justitie getrokken conclusies uit de zendmastgegevens, de pinlocaties en het met verdachte overeenkomende signalement acht de rechtbank evenwel onvoldoende om zodanig verband tot de voornoemde feiten aan te tonen. Daar komt bij dat hoewel ook de rechtbank de in onderhavige zaken gehanteerde babbeltruc niet eerder is tegengekomen en deze in zoverre ‘nieuw’ lijkt, deze niet zo uitzonderlijk is dat het niet anders kan dat verdachte ook de overige ten laste gelegde oplichtingen en diefstallen moet hebben begaan. De rechtbank heeft hierbij ook meegewogen dat de babbeltruc een zekere mate van organisatie vereist, zodat het bijna niet anders kan dan dat er sprake moet zijn geweest van meerdere daders. Dat ook anderen betrokken moeten zijn geweest bij deze vorm van oplichting vindt bovendien steun in het gegeven dat er dactyloscopische sporen van onbekende anderen zijn aangetroffen op zowel de bankpas van [persoon 7] als het briefje met handgeschreven namen en telefoonnummers van potentiële slachtoffers. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank evenmin bewezen dat het verdachte is geweest die de pinpassen van [persoon 6] , [persoon 3] , [persoon 10] , [persoon 11] , [persoon 13] , [persoon 14] , [persoon 15] en [persoon 16] heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad, zodat verdachte eveneens van de heling van deze passen wordt vrijgesproken. 5Waardering van het bewijs poging tot oplichting (feit 3) 5.1. Inleiding Op 30 juli 2014 werd de 92-jarige mevrouw [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) gebeld door een man die zich voorstelde als [naam] van NUON. [naam] hield [persoon 1] voor dat hij de meterstanden nodig had om een eindafrekening te maken, zodat duidelijk zou worden wat [persoon 1] aan geld terug zou krijgen. Volgens hem was zij het afgelopen jaar erg zuinig geweest. Daartoe wilde [naam] de volgende dag of de dag erna bij [persoon 1] langskomen. Naar aanleiding van voornoemd telefoongesprek is door het onderzoeksteam van de politie besloten de woning van [persoon 1] op het adres [adres 3] te [plaats] in observatie te nemen. Op 31 juli 2014 omstreeks 12:58 uur werd door het observatieteam gezien dat een man bij [persoon 1] aanbelde, [persoon 1] de deur opende en er een gesprek ontstond. De man werd herkend als verdachte. 5.2. Het standpunt van de verdediging Verdachte voert aan dat hoewel hij [persoon 1] inderdaad heeft gebeld en de volgende dag bij haar langs is geweest met de intentie om haar pinpas en pincode te ontfutselen, maar hij het, toen puntje bij paaltje kwam, niet over zijn hart kon verkrijgen haar op te lichten. Dit levert, aldus de raadsvrouw, vrijwillige terugtred op, zodat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. 5.3. Het oordeel van de rechtbank Voor zover de raadsvrouw bij de behandeling ter zitting vrijspraak heeft bepleit voor het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde, nu diens betrokkenheid daarbij niet is gebleken, wordt dit weersproken door de bewijsmiddelen, zoals die in bijlage II zijn opgenomen. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 3 komt er sprake is geweest van vrijwillige terugtred door verdachte, waardoor de poging niet strafbaar is en er ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. De rechtbank bespreekt dit verweer hierna onder rubriek 7. 6Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 1: in de periode vanaf 31 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 te [plaats] en Amsterdam met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.