ECLI:NL:RBAMS:2016:3071
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 4865975 CV EXPL 16-7307 vonnis van: 25 april 2016 fno.: 609 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap International Card Services B.V. gevestigd te Amsterdam eiseres nader te noemen: ICS gemachtigde: mr. R.A. van Weelderen t e g e n [gedaagde] voorheen wonende te [woonplaats] , thans wonende te [woonplaats] ( [land] ) gedaagde nader te noemen: [gedaagde] niet verschenen VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij exploot van dagvaarding van 6 januari 2016 heeft ICS gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 10.891,94, vermeerderd met rente, één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
ICS heeft een certificaat van betekening als bedoeld in artikel 10 van de Verordening (EG)nr. 1393/2007 (Betekeningsverordening) overgelegd waarin staat dat het exploot op 1 februari 2016 is betekend door achterlating van het stuk in de brievenbus van de woning van gedaagde.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. [gedaagde] woont in [land] . Mitsdien is de EEX-Verordening (EEX-Vo 2012, nr. 1215/2012, ook wel genoemd: herschikte EEX-Verordening) van toepassing.
Artikel 4 lid 1 van de EEX-Verordening bepaalt dat onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.
Vervolgens in is artikel 5 lid 1 van de EEX-Verordening bepaald dat degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, slechts voor het gerecht van een andere lidstaat kunnen worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.
3.1.
Artikel 7 lid 1 van de EEX-Verordening bepaalt dat alternatief bevoegd is de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ten aanzien van de plaats van uitvoering heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap ((HvJ EG 6/10/1976, NJ 1977,16 en HvJ EG 28/9/1999, NJ 2001,595) bepaald dat de aangezochte rechter aan de hand van het toepasselijke recht moet vaststellen wat de plaats van de uitvoering van de verbintenis is. Dit betekent dat eerst aan de hand van het Nederlandse conflictenrecht moet worden vastgesteld welk recht op de overeenkomst van toepassing is, daarna waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd en op grond daarvan welke rechter bevoegd is.
3.2.
De overeenkomst dateert van 20 september 2001. Op grond van artikel 28 Rome I, Verordening 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, waarin is bepaald dat deze verordening van toepassing is op overeenkomsten die na 17 december 2009 zijn gesloten, moet in deze zaak het verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, 19 juni 1980, Trb1980/156(EVO) worden toegepast. Op grond van artikel 4 lid 1 EVO wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Ingevolge artikel 4 lid 2 EVO wordt de overeenkomst vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats heeft. Eiseres heeft aan haar vordering een overeenkomst van geldlening ten grondslag gelegd. De kenmerkende prestatie bij geldlening komt neer op het uitlenen van geld. Op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst had eiseres haar woonplaats in Nederland. De overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht.
3.3.
ICS stelt verder dat de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd, moet worden vastgesteld. Dit dient te geschieden aan de hand van het Nederlandse recht dat de overeenkomst beheerst. In gevolge artikel 6:115 BW in verbinding met artikel 6:116 BW moet betaling van een geldsom geschieden aan de woonplaats van de schuldeiser, in casu Diemen, de vestigingsplaats van eiseres. ICS stelt tot slot dat nu de plaats van uitvoering is gelegen in Nederland, de Nederlandse rechter bevoegd is.
Gelet op al het vorenstaande slaagt het beroep van ICS op artikel 7 lid 1 van de EEX-Verordening niet.
BESLISSING De kantonrechter:
Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.