vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Privaatrecht zaak- en rolnummer: 3582401 DX EXPL 14-379 vonnis van: 30 juni 2016 (bij vervroeging) f.no.: 438 Vonnis van de kantonrechter: i n z a k e de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, nader te noemen: Dexia, gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel. t e g e n [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , wonende te [plaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,, nader te noemen: [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , gemachtigde: mr. G. van Dijk. Het verdere verloop van de procedure 1. Op 23 februari 2016 heeft op verzoek van Dexia een pleidooi plaatsgevonden. Beide partijen waren daarbij aanwezig. Partijen hebben verschillende aanvullende stukken overgelegd. Bij tussenvonnis van 31 maart 2016 is overwogen dat er aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in verband daarmee voorgestelde vragen. Eerst Dexia en vervolgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] hebben zich naar aanleiding daarvan bij akte uitgelaten. Daarna is vonnis bepaald op heden. Gronden van de beslissingin conventie en in reconventie 2.1. De kantonrechter blijft bij hetgeen hij in zijn tussenvonnissen van 24 december 2015 en 23 februari 2016 heeft overwogen. Voor de leesbaarheid zal een deel van de overwegingen in laatstbedoeld vonnis hier worden herhaald. 2.2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia: Nr Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Leasesom I. [nummer] [datum] Duolease 60 mnd ƒ 15.040,99 II. [nummer] [datum] WinstVerDubbelaar 60 mnd ƒ 11.194,54 III [nummer] [datum] WinstVerDubbelaar 60 mnd ƒ 11.253,50 IV [nummer] [datum] Troefplan 60 mnd ƒ 14.471,15 V [nummer] [datum] WinstVerDriedubbelaar 36 mnd ƒ 20.630,30 VI [nummer] [datum] Duolease 60 mnd ƒ 15.173,74 VII [nummer] [datum] Multiplier Effect 60 mnd ƒ onbekend 2.3. Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten: Nr. Datum eindafrekening Resultaat I. 22-05-2001 + € 6.901,20 II. 19-12-2001 - € 5.624,11 III. 19-12-2000 + € 15.012,74 IV. 19-12-2006 - € 22,97 V. 24-05-2004 + € 20,76 VI. 16-05-2002 + € 2.346,58 VII. 17-09-2002 + € 0,00 Toepassing Hof-model en Hof-formule 2.4. Voor de maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen. 2.5. In dit geval heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] behoort te blijven. 2.6. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat de lease-overeenkomsten IV, V en VII verlieslatende overeenkomsten betreffen. Het batig saldo ad € 22.055,88 dient volgens hem allereerst in mindering te worden gebracht op de inleg. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] brengt dit mee dat met betrekking tot de lease-overeenkomsten IV en V nog een bedrag van € 4.740,90 door Dexia dient te worden voldaan. Dexia betwist dit laatste standpunt van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Volgens Dexia dient het batig saldo alleen te worden verrekend met de schade bestaande uit de restschuld. Overwegingen met betrekking tot de toerekening van voordeel uit voorgaande overeenkomsten met een batig saldo op grond van eerdere jurisprudentie 3.1. Op de door de afnemer van Dexia geleden schade moet in mindering worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Vanaf de totstandkoming van de wijze van schadeberekening in effectenlease-zaken, aangeduid als toepassing van de ‘Hof-formule’ (gebaseerd op de arresten van Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983)) hebben de (kanton)rechters behorende tot het toenmalige team effectenlease (hierna: de rechtbank) in hun beslissingen toepassing gegeven aan deze voordeelstoerekening door het voordeel eerst in mindering te brengen op de schade bestaande uit betaalde termijnen (rente en eventuele aflossingen). 3.2. De rechtbank heeft zich daarbij met name gebaseerd op de volgende overwegingen in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (o.m. LJN BK4978, de daarbij belangrijkste onderdelen zijn hierna gecursiveerd): “4.28 Het bovenstaande brengt mee dat de overeenkomst ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden en de overeenkomst of overeenkomsten die met een batig saldo is of zijn geëindigd, en hiermee zowel de schade als het voordeel van de wederpartij, het gevolg zijn van een zelfde gebeurtenis, namelijk het voortdurende onbeschermd blijven van de wederpartij tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht door de voort durende niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade — ervan uitgaande dat het in artikel 6:162 BW en het in artikel 6:98 BW bedoelde verband aanwezig is — die voor de wederpartij uit een bepaalde overeenkomst tot effectenlease is voortgevloeid, door de wederpartij genoten voordeel uit (andere) overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd in mindering moet worden gebracht, behoudens het hierna onder 4.30 overwogene. Het dan overblijvende bedrag moet worden verminderd zoals onder 4.19 tot en met 4.23 overwogen en vervolgens, na deze vermindering, door Dexia worden vergoed. De zojuist bedoelde verrekening van voordeel dient plaats te vinden vóór de vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia op grond van artikel 6:101 BW. Deze laatste kan immers eerst plaatshebben nadat de te vergoeden schade is vastgesteld en juist hierop ziet het in mindering brengen van voordeel uit (andere) overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd. Er is geen aanleiding op dit punt onderscheid te maken tussen voordeel uit laatstbedoelde overeenkomsten en (het onder 4.26 bedoelde) voordeel dat de weder partij van Dexia heeft genoten — in de vorm van dividenden — uit dezelfde overeenkomst als waaruit de te vergoeden schade is gevolgd.” en “4.30 Overweging verdient nog dat op grond van artikel 6:100 BW genoten voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade uitsluitend in mindering mag worden gebracht voor zover dit redelijk is. Waar het ontbreken van bescherming tegen het lichtvaardig of met ontoereikend inzicht aangaan van overeenkomsten tot effectenlease, de wederpartij van Dexia zowel voordeel — in de vorm van een of meer overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd — als schade heeft opgeleverd, afhankelijk van de toevallige waardeontwikkeling van de geleaste effecten, moet het in de regel voor redelijk worden gehouden dat dit voordeel in zijn geheel op de te vergoeden schade in mindering wordt gebracht. Deze regel lijdt slechts uitzondering, als tussen de feitelijke einddatum van een overeenkomst die met een batig saldo is geëindigd — in het algemeen: de datum waarop de geleaste effecten zijn verkocht — en het tijdstip waarop dezelfde wederpartij hierna een of meer overeenkomsten is aangegaan ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden, ten minste één jaar is verstreken. In zo'n geval immers kan de wederpartij redelijkerwijs worden geacht ten tijde van het aangaan van laatstbedoelde overeenkomst of overeenkomsten en in ieder geval tijdens de looptijd daarvan, het batige saldo van de eerdere overeenkomst geheel te hebben besteed en dus niet meer voor handen te hebben voor de delging van een mogelijk verlies uit de latere overeenkomst of overeenkomsten. Het is dan niet redelijk het genoten voordeel, ook niet gedeeltelijk, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering te brengen.” In cassatie heeft de Hoge Raad naar aanleiding daarvan overwogen in zijn arrest van 29 april 2011 (NJ 2013/40 m.nt. Vranken, ECLI:NL:HR:2011:BP4012), r.o 3.3.2 en 4.6.3: ‘3.3.2 (…) De overeenkomst ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden en de overeenkomst of overeenkomsten die met een batig saldo is of zijn geëindigd, en hiermee zowel de schade als het voordeel van de afnemer, zijn het gevolg van een zelfde gebeurtenis als bedoeld in art. 6:100 BW, namelijk het voortdurend onbeschermd blijven van de afnemer tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht door de voortdurende niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade — ervan uitgaande dat het in art. 6:162 BW en het in art. 6:98 BW bedoelde verband aanwezig is — die voor de afnemer uit een bepaalde overeenkomst tot effectenlease is voortgevloeid, in beginsel het door de afnemer genoten voordeel uit (andere) overeenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd, in mindering moet worden gebracht. Deze regel lijdt op grond van de in art. 6:100 bedoelde redelijkheid evenwel uitzondering indien tussen de feitelijke einddatum van een overeenkomst die met een batig saldo is geëindigd, en het tijdstip waarop dezelfde afnemer hierna een of meer overeenkomsten is aangegaan ter zake waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden, ten minste een jaar is verstreken. (…) In de rov. 4.27–4.29 van het hof — weergegeven hiervoor in 3.3.2 — ligt besloten dat het in een geval als het onderhavige in feite gaat om een zodanig samenhangend geheel van telkens soortgelijke transacties in een bepaalde periode waarbij Dexia telkens is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende bijzondere zorgplichten, dat zulks in haar verhouding tot dezelfde afnemer aangemerkt kan worden als “een zelfde gebeurtenis” in de zin van art. 6:100 die zowel schade (bij verliesgevende transacties) als voordeel (bij winstgevende transacties) teweegbrengt, hetgeen meebrengt dat de genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de begroting van de omvang van de schade. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.’ 3.3. Uit voorgaande overwegingen van het hof en het oordeel van de Hoge Raad daarover heeft de rechtbank geconcludeerd dat uitgangspunt is dat een batig saldo van een voorgaande overeenkomst slechts als voordeel op de schade in mindering wordt gebracht indien de overeenkomst op grond waarvan schadevergoeding wordt gevorderd is aangegaan maximaal een jaar na de einddatum van de voorgaande overeenkomst waaruit het batig saldo is ontstaan. Voorts heeft de rechtbank daaruit geconcludeerd dat de bedoelde verrekening van voordeel op grond van artikel 6:100 BW dient plaats te vinden vóór de vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia op grond van artikel 6:101 BW. 3.4. Bovenbedoelde overwegingen geven geen uitsluitsel over de vraag of het betreffende voordeel in mindering moet worden gebracht op de schade bestaande uit door de afnemer verschuldigde rente en kosten (de termijnen), op de schade bestaande uit een restschuld, of op beide schadecomponenten. Deze vraag is met name relevant in zaken waarin de schade uit termijnen door toepassing van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer blijft. 3.5. Nadat bovenbedoelde arresten waren gewezen heeft de rechtbank deze vraag beantwoord met inachtneming van de volgende aspecten. De vele duizenden zaken overziende is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat in veel gevallen de opbrengst (met daarin het batig saldo) van de ene overeenkomst is aangewend ter financiering van de termijnen van de volgende (verlieslatende) overeenkomst. Ook is geconstateerd dat in veel gevallen opbrengsten zoals dividenden door Dexia (met instemming van de afnemer) werden verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer. Daarnaast is in aanmerking genomen dat de schade uit termijnen op een (veel) eerder moment werd geleden dan de schade wegens een restschuld (of daarvan sprake was kon immers pas na beëindiging van de betreffende overeenkomst blijken. Tenslotte is in aanmerking genomen dat ook het gerechtshof in de hiervoor geciteerde r.o. 4.30 er van uit ging dat een afnemer het batige saldo van de eerdere overeenkomst na een jaar geheel zou hebben besteed. Gegeven het feit dat de looptijd van de meeste lease-overeenkomsten tenminste drie jaar bedroeg betrof dit de periode waarin uitsluitend schade in de vorm van termijnbetalingen werd geleden. Een en ander bracht de rechtbank tot de conclusie dat het in het overgrote deel van de zaken voor de hand lag om het genoten voordeel op grond van artikel 6:100 BW eerst te verrekenen met de schade uit termijnen en, voor zover er daarna nog te verrekenen voordeel resteerde, met de schade uit een restschuld. 3.6. Om een behoorlijke rechtspleging in grote aantallen financiële massaschadezaken mogelijk te maken (daaronder begrepen: met de mogelijkheid tot afdoening binnen een redelijke termijn) achtte de rechtbank het zowel noodzakelijk als gerechtvaardigd om – bijzondere omstandigheden daargelaten – te abstraheren van de feitelijke gebeurtenissen in het concrete geval door in alle gevallen de verrekening van het voordeel met (eerst) de schade uit termijnen tot uitgangspunt te nemen. Stelling Dexia: deze wijze van voordeeltoerekening in zaken waarin geen sprake is van een ‘onaanvaardbare financiële last’ is onjuist. 4.1. Dexia heeft in de onderhavige procedure bij pleidooi gesteld dat de onder 3.5 bedoelde toepassing in strijd is met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 april 2011 (NJ 2013/40 m.nt. Vranken, ECLI:NL:HR:2011:BP4012), met name in r.o. 4.4 van dat arrest. Volgens Dexia volgt uit dat arrest dat het batig saldo uitsluitend in mindering dient te worden gebracht op de restschuld en dient, als dit arrest ter discussie wordt gesteld, ook de termijn van een jaar na afloop van de overeenkomst met batig saldo ter discussie te worden gesteld. Bij verrekening op grond van artikel 6:100 BW gaat het niet om een verrekening als bedoeld in artikel 6:127 BW. Of sprake was van een onaanvaardbare last bij de afnemer dient abstract te worden getoetst en daarbij is geen plaats voor een oordeel over de vraag of het batig saldo uit een voorgaande overeenkomst daarbij de doorslag geeft. Indien gevallen waarin het batig saldo uit een voorgaande overeenkomst is verrekend met de (termijn)lasten anders worden behandeld dan andere gevallen zal dat leiden tot onwerkbare, althans onredelijke uitkomsten, aldus – steeds – Dexia. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt zich op het standpunt dat, in gevallen als de onderhavige waarin geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’, het in mindering brengen van het voordeel op (uitsluitend) de restschuld in de meeste gevallen tot ongerijmde resultaten leidt, althans tot niet redelijke en billijke resultaten. 4.2. In r.o. 4.4 van bovengenoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen: “4.4 Onderdeel V neemt tot uitgangspunt dat in de oordelen van het hof ligt besloten dat de omvang van de vergoedingsplicht van Dexia moet worden vastgesteld door eerst de totale schade (betaalde rente en aflossing en restschuld) vast te stellen, vervolgens het te verrekenen voordeel op die schade in mindering te brengen en ten slotte op het dan resterende bedrag in mindering te brengen het gedeelte van dit resterende bedrag dat op grond van eigen schuld voor rekening van de afnemer komt. Het onderdeel klaagt dat de in bijlage B opgenomen berekening hiermee niet in overeenstemming is, omdat het hof het te verrekenen voordeel uitsluitend in mindering heeft gebracht op de restschuld en op die grond tot de conclusie is gekomen dat per saldo geen schade resteert tot vergoeding waarvan Dexia is gehouden. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat in een geval waarin (zoals hier) de betaalde rente en aflossing op grond van eigen schuld van de afnemer geheel voor rekening van de afnemer blijven, het geen verschil maakt of het te verrekenen voordeel in mindering wordt gebracht voordat of nadat de betaalde rente en aflossing in mindering worden gebracht. In beide gevallen resteert immers alleen de restschuld verminderd met het te verrekenen voordeel als het schadebedrag, waarop vervolgens de door het hof wegens eigen schuld aanvaarde vermindering van de vergoeding met eenderde deel wordt toegepast. Met andere woorden: nu blijkens rov. 4.23 (in verbinding met rov. 4.20) het gehele bedrag van de door [naam 1] betaalde rente en aflossing wegens eigen schuld voor zijn rekening blijft, kan het — eveneens wegens eigen schuld — voor zijn rekening blijvende eenderde gedeelte van de resterende schade (zie eveneens rov. 4.23, nu in verbinding met rov. 4.22) slechts betrekking hebben op het bedrag van de restschuld verminderd met het te verrekenen voordeel. Slechts in (thans niet aan de orde zijnde) gevallen als bedoeld in 's hofs rov. 4.21 — waarin onderzoek zou hebben uitgewezen dat de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer zou hebben gelegd en Dexia daarom gehouden was het aangaan van de overeenkomst aan de afnemer te ontraden —, moet inderdaad ter voorkoming van een onjuist resultaat eerst het te verrekenen voordeel op de totale schade (betaalde rente en aflossing en restschuld) in mindering worden gebracht voordat op het dan resterende bedrag de vermindering wegens eigen schuld (eenderde gedeelte van dat gehele resterende bedrag, zie rov. 4.21 en 4.22) wordt toegepast.” Uitgangspunten bij de beoordeling van schadevorderingen in effectenleasezaken. 4.3. Bij de berekening van de schadevergoeding in effectenleasezaken zijn de volgende elementen van belang: de schade bestaande uit betaalde (althans op grond van de overeenkomst verschuldigde) termijnen (hierna: de termijnen); de schade bestaande uit de restschuld; het te verrekenen voordeel dat kan bestaan uit dividenden en andere opbrengsten van de overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.