beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/611634 / FA RK 16-4765 (HHO/SM) Beschikking van 7 september 2016 betreffende kinderbijdrage in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [plaats] , verzoekende partij, hierna mede te noemen de vrouw, advocaat mr. J.C. Daniels te Amsterdam, tegen [verweerder], wonende te [plaats] , verwerende partij, hierna mede te noemen de man. Als belanghebbende is aangemerkt: - de heer mr. B.H.A. BRAUERS, kantoorhoudende te Haarlem, hierna mede te noemen de curator. 1Het verloop van de procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder voor zover van belang; - het op 6 juli 2016 binnengekomen verzoekschrift van de zijde van de vrouw; - de op 14 juli 2016 binnengekomen brief met bijlagen van de heer mr. B.H.A. Brauers, de curator van de man. 2De feiten Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd in 2008/
- Uit deze relatie is geboren: - [kind],geboren te [plaats] op [datum] . De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over [kind] . [kind] verblijft bij de vrouw. Partijen zijn bij overeenkomst van 22 oktober 2010 overeengekomen dat de man een bijdrage van € 300,-- per maand betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] . 3Het verzoek van de vrouw De vouw verzoekt de rechtbank; voor recht te verklaren dat de man met ingang van 1 november 2010, althans vanaf een andere ingangsdatum welke uw rechtbank juist acht, een bedrag van € 300,-- per maand aan kosten voor de verzorging en opvoeding van [kind] verschuldigd is aan de vrouw; te bepalen dat de man vanaf 1 november 2010, althans vanaf een andere ingangsdatum welke de rechtbank juist acht, een bedrag van € 300,-- per maand ten behoeve van de kosten voor de verzorging en opvoeding van [kind] dient te betalen aan de vrouw, telkens op de eerste dag van elke maand te voldoen. 4De beoordeling Uit zowel het verzoekschrift van de vrouw als de op 14 juli 2016 binnengekomen brief van de curator van de man, maakt de rechtbank op dat de man met ingang van 24 maart 2016 in staat van faillissement is komen te verkeren. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat op het moment dat de vrouw het verzoekschrift indiende de man al in staat van faillissement verkeerde. De vordering die de vrouw op de man stelt te hebben ten aanzien van de kinderbijdrage betreft een rechtsvordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft. Volgens artikel 26 van de Faillissementswet kan een dergelijke rechtsvordering op geen andere wijze tegen de gefailleerde worden ingesteld dan op de in artikel 110 van de Faillissementswet bepaalde wijze, te weten indiening van de vordering bij de curator. Voorts blijkt uit artikel 25 van de Faillissementswet dat rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, tegen de curator dienen te worden ingesteld en niet tegen de gefailleerde. De rechtbank concludeert dan ook dat de vrouw de vordering tot aan datum faillissement dient in te dienen bij de curator ter verificatie. Indien de curator die vordering mocht betwisten dan dient de daarvoor in de Faillissementswet omschreven procedure gevolgd te worden. Daarnaast zou de vrouw zich tot de curator van de man kunnen wenden met de vraag of de curator aan de rechter-commissaris bij de bepaling van het vrij te laten bedrag geheel of gedeeltelijk rekening wil houden met de onderhoudsverplichting dit de man heeft jegens [kind] op grond van de door partijen op 28 oktober 2010 tekende overeenkomst. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich thans niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vrouw en zal de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek. Mitsdien zal worden beslist als volgt. 5De beslissing De rechtbank: - verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 7 september
- Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.