← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2016:5712

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751500-16 RK nummer: 16/4686 Datum uitspraak: 8 september 2016 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 mei 2016 (ontvangen op 5 juli 2016) door de Penal enforcement Judge bij de Penal Enforcement Unit of the Budapest Metropolitan Reginal court of Justice te Boedapest (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1971, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] thans gedetineerd in het [detentie adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 augustus

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis nr. 24.B.VIII.22887/2013/26 van 29 oktober 2013 van het Central District Court van Pest en bekrachtigd door het vonnis in beroep van het Budapest Metropolitan Regional Court of Justice van 14 oktober
  2. (referentie: 4.Szv.5317/2014/14). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar, 2 maanden en 19 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. De rechtbank stelt vast dat het EAB niet strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest tijdens het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De stelling dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de hoger beroepsprocedure waarin het vonnis bekrachtigd, kan, wat daarvan ook zij, niet tot een andere conclusie leiden. 4Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7460) heeft overwogen. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Diefstal, meermalen gepleegd. 5Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. 6Artikel 6 van de OLW De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsman dat strekt tot weigering van de overlevering omdat de opgeëiste persoon in aanmerking zou komen voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW, moet worden verworpen. De opgeëiste persoon is EU burger en niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon voldoet aan het criterium van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland, welk criterium de rechtbank volgens vaste rechtspraak hanteert voor EU-onderdanen die niet over een formele verblijfsvergunning beschikken. Uit de verklaring van de opgeëiste persoon volgt dat hij thans drie jaar in Nederland verblijft. Gezien het voorgaande komt de opgeëiste persoon niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW. De weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, van de OLW is daarom niet van toepassing. 7Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 7.1 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank de overlevering moet weigeren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hetgeen de Hongaarse autoriteiten hebben meegedeeld over de in Hongarije te verwachten detentieomstandigheden onvoldoende waarborgen bevat tegen een onmenselijke of vernederende behandeling. De opgeëiste persoon vreest dat hij in Hongarije in de gevangenis niet die medische zorg krijgt, die voor hem noodzakelijk is. De opgeëiste persoon heeft in het verleden - tijdens eerdere detentie voor deze zaak - reeds ondervonden dat de noodzakelijke medische zorg (telkens) uitbleef. Daarnaast geldt dat in de gevangenissen in Hongarije juist de Romabevolking waartoe de opgeëiste persoon behoort gediscrimineerd wordt en het slachtoffer is van mishandeling door medegedetineerden. Tijdens de genoemde detentie is de opgeëiste persoon door medegedetineerden meermalen in zijn borst en zij gestoken. Hij heeft er geen enkel vertrouwen in dat de bevoegde autoriteiten kunnen waarborgen dat hij niet opnieuw het slachtoffer van ernstig geweld zal worden. Ten aanzien van de medische omstandigheden heeft de raadsman verwezen naar het CPT rapport van 30 april
  3. 7.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) niet in de weg staat aan de overlevering. Zij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat in geval van diens overlevering aan Hongarije een concreet gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. 7.3 Oordeel van de rechtbank Uit het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru volgt dat indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, beoordeeld moet worden of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Daarbij moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punten 88-89). De brief van het Hongaarse Ministry of Justice, Department of International Criminal Law, van 20 juli 2016 houdt onder meer het volgende in: Re: surrender proceedings against [opgeëiste persoon] (born in Budapest on 8 June 1971, Hungarian national) (…) The Ministry of Justice of Hungary – acting as Central Authority – presents its compliments to the Arrondissementsparket Amsterdam and referring to the European arrest warrant
  4. Szv.5317/2014 issued by the Court of Justice of Budapest has the honour [to] inform it that the National Headquarters of the Hungarian Prison Service provided the assurance that after his surrender, [opgeëiste persoon] wil be held either at the Penitentiary Institute of Szombathely or Tiszalök, where the detention conditions are CPT compliant. This assurance is recorded in [opgeëiste persoon] personal file, consequently, all penitentiary institutes will be aware of the assurance. [opgeëiste persoon] will have the right to file a complaint in connection with detention conditions. As of 1 st January 2015, Hungary has signed, ratified and implemented the Optional Protocol to the UN Convention against Torture (OPCAT) and his set up the General Ombudsman as it’s National Preventative Mechanism. Accordingly the General Ombudsman will monitor compliance with this assurance. The Ministry of Justice of Hungary avails itself of this opportunity to express the assurances of its highest consideration. Uit de brief volgt dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in hetzij de gevangenis in Szombathely hetzij de gevangenis in Tiszalök. Recentelijk heeft de rechtbank in een vergelijkbare zaak op basis van – mutatis mutandis – dezelfde informatie van de Hongaarse autoriteiten geconcludeerd dat er geen bewijzen zijn voor een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Szombathely en Tiszalök, zodat de rechtbank niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of de opgeëiste persoon in die gevangenissen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling loopt. De rechtbank ziet geen reden om in de onderhavige zaak andere conclusies te trekken. Uit het door de verdediging aangehaalde CPT rapport volgt weliswaar dat in sommige andere detentieinstellingen de medische zorg te wensen over laat en dat in sommige andere gevangenissen hetzelfde geldt voor de preventie van geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling maar niet dat een en ander een algemeen of structureel gebrek in de Hongaarse detentieinstellingen zou zijn. Ook overigens beschikt de rechtbank niet over bewijzen als bedoeld in het arrest Aranyosi en Calderaru, dat op de door de verdediging genoemde punten, waaronder ook de gestelde discriminatie van Roma, in de gevangenissen van Szombathely en Tiszalok in het algemeen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling zou dreigen. De rechtbank dient er op grond van het vertrouwensbeginsel van uit te gaan dat de opgeëiste persoon adequate medische zorg en bescherming zal krijgen. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat in de aangehaalde brief is vermeld dat de detentieomstandigheden in de gevangenissen van Szombathely en Tiszalök “CPT-compliant” zijn. De rechtbank wijst er tenslotte op dat de officier van justitie ter zitting heeft opgemerkt dat gezondheidsaspecten en mogelijke condities rond de feitelijke overlevering aan de orde kunnen komen in het kader van de beoordeling van mogelijke toepasselijkheid van artikel 35, derde lid, van de OLW. De rechtbank tekent daarbij aan die beoordeling is voorbehouden aan de officier van justitie en als zodanig geen deel uitmaakt van de beoordeling door de rechtbank. Conclusie Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat niet in de weg aan (de beslissing over) de overlevering. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsbepalingen Artikelen 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Penal enforcement Judge bij het Penal Enforcement Unit of the Budapest Metropolitan Reginal court of Justice te Boedapest (Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.J. Dondorp en J.J.C.M. Wirken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 september
  5. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rb. Amsterdam 4 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4966.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.