RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751481-16 RK-nummer: 16/4777 Datum uitspraak: 15 september 2016 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2016 door het Openbaar Ministerie te Aken (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] ; hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is op verzoek van de opgeëiste persoon met gesloten deuren behandeld op de zitting van 1 september 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis van het Gerechtshof Keulen d.d. 4 mei 2016, dossiernummer 2 Ws 217/16. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5Onschuldverweer De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting een onschuldverweer gevoerd. Hij heeft ter ondersteuning daarvan diverse stukken overgelegd, waaronder bankafschriften, salarisstroken en foto’s. Bij de overgelegde stukken bevinden zich ook getuigenverklaringen. Daarbij zijn in het bijzonder van belang de getuigenverklaring van [getuige 1] , die – samengevat – verklaart de nacht voorafgaand aan en de ochtend van de pleegdatum van het aan de opgeëiste persoon verweten feit met haar te hebben doorgebracht in Amsterdam, alsmede de getuigenverklaring van [getuige 2] , die de verklaring van genoemde [getuige 1] bevestigt. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de onschuldbewering niet kan leiden tot weigering van de overlevering. Zij overweegt daartoe dat met getuigenverklaringen omtrent een alibi in beginsel onschuld niet kan worden aangetoond, omdat de beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan mede dient te geschieden in het licht van het overige bewijsmateriaal, waarvan de rechtbank geen compleet overzicht heeft en ook niet behoeft te hebben. Er is geen reden daar in dit geval anders over te denken. Er is aldus sprake van een bewijsverweer dat in de Duitse strafprocedure dient te worden gevoerd. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De leitende Oberstaatsanwalt in Aachen heeft bij brief van 25 juli 2016 de volgende garantie gegeven: “(…) Overlevering van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] (…) Er wordt verzekerd dat de vervolgde persoon in het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad d.d. 27 november 2008 aangaande de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken, waarbij een vrijheidsbeneming straf of maatregel uitgesproken wordt, voor het doel van hun tenuitvoerlegging in de Europese Unie (…) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf terug overgeleverd wordt aan Nederland (…).” Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Het onder 4 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Aan deze voorwaarde is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 7Beroep op artikel 11 OLW De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting gesteld dat overlevering zou leiden tot een flagrante schending van haar fundamentele rechten, zoals gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak al geruime tijd in voorarrest heeft gezeten en vervolgens door het Landesgericht Aken wegens het ontbreken van ernstige bezwaren in vrijheid is gesteld. Deze beslissing is later vernietigd door het Oberlandesgericht Keulen en daarbij is een nieuw Haftbefehl uitgevaardigd met als grond vluchtgevaar. Door overlevering dreigt nieuwe voorlopige hechtenis en wordt artikel 5 EVRM geschonden, aldus de raadsman die erop gewezen heeft dat het Europees hof voor de rechten van de mens hoge eisen stelt aan voortduren van voorlopige hechtenis, en het opnieuw in hechtenis nemen na eerdere vrijlating. In de visie van de raadsman is aan deze voorwaarden niet voldaan. De raadsman heeft voorts het door het Oberlandesgericht aangenomen vluchtgevaar bestreden. De officier van justitie heeft gesteld dat het nieuwe Haftbefehl is uitgevaardigd na heroverweging in hoger beroep tegen de beslissing van het Landesgericht Aken, ingesteld door het Duitse Openbaar Ministerie. Zij heeft gewezen op rechtsmiddelen tegen het bevel tot voorlopige hechtenis en ziet geen aanleiding te vrezen voor flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel berust op het beginsel van wederzijdse erkenning en het wederzijds vertrouwen dat de nationale rechtsordes van de lidstaten in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming van de grondrechten te bieden. Uit de stukken blijkt dat het Oberlandesgericht Keulen de eerdere beslissing van het Landesgericht Aken heeft herroepen en een nieuw Haftbefehl heeft uitgevaardigd met als grond vluchtgevaar. De rechtbank heeft in het kader van overlevering geen ruimte die beslissing te toetsen. Zij moet erop vertrouwen dat die beslissing zorgvuldig is afgewogen, dat bij die afweging de in artikel 5 EVRM gewaarborgde rechten betrokken zijn en dat voorts een effectief rechtsmiddel tegen voortduring van de voorlopige hechtenis openstaat. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd doet niet in zodanige mate afbreuk aan dit vertrouwen dat daar niet langer van uit kan worden gegaan. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Openbaar Ministerie te Aken (Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor haar overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. A.J. Dondorp, voorzitter, mrs. M. Woerdman en H.E. Spruit, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2016. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.