vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/597243 / HA ZA 15-1031 Vonnis van 21 september 2016 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. R.D. Chavannes te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , [land] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. N.D.R. Nefkens te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
(1)signed copy of every editioned work (excluding unique works or reproductions) at production costs and to notify [eiser] of every reproduction made. 5Intellectual Property 5.1 [gedaagde] and [eiser] acknowledge that the intellectual property rights, including but not limited to copyrights and neighbouring rights into the Joint Works, remain vested in [gedaagde] and [eiser] jointly and equally. 5.2 [gedaagde] and [eiser] agree that they shall not transfer or assign the jointly owned intellectual property rights into the Joint Works to any third party. 5.3 [eiser] is entitled to apply for access to the archive on a 72 hour notice, for the purpose of exhibitions i.e. This access will not be denied by [gedaagde] on unreasonable grounds. 6Fees and payment 6.1 In consideration of the rights granted hereunder with respect to exploitation of the Joint Works, [gedaagde] agrees to pay [eiser] during the term of this Agreement, a royalty equal to 20 % (twenty percent) of the total proceeds (including VAT), calculated over the net income for each Reproduction sold. The net income is the gross income of [gedaagde] after the deduction of the direct production costs. 6.2 In the event that efforts of [eiser] lead to the sale of the Joint Works, [gedaagde] shall pay [eiser] a rebate of 13 % (thirteen percent) of the total proceeds for each work. The remaining 87% (eighty-seven percent) of the proceeds shall be apportioned between [eiser] and [gedaagde] pursuant the apportionment key as provided for in article 6.1. 6.3 [gedaagde] , or a third party appointed by her, shall pay to [eiser] the royalties he is entitled to within 30 (thirty) days after the receipt of the payment by [gedaagde] or her agent. The third party to be appointed is [naam 1] in New York (US). 6.4 [gedaagde] shall submit to [eiser] a quarterly statement in writing, setting forth with respect to the preceding period the quantities of Reproductions and sales. (…) 10Applicable law 10.1 This Agreement, and any dispute arising as a result thereof or in connection therewith, shall be governed by the laws of The Netherlands. The competent courts in the district of Amsterdam, the Netherlands shall have sole jurisdiction. 2.8. [gedaagde] heeft vanaf 2007/2008 verschillende nieuwe edities van gezamenlijke werken gemaakt en verkocht. [gedaagde] biedt het gezamenlijke werk aan via diverse galerieën en online via Electronic Arts Intermix (hierna: EAI) en LIMA (voorheen het Nederlands Instituut voor Media Kunst, hierna: NIMK). 2.9. [gedaagde] heeft [eiser] ter zake de gerealiseerde verkopen van gezamenlijke werken een bedrag van totaal € 31.105,00 betaald, bestaande uit vijf betalingen tussen mei 2008 en december 2012. [gedaagde] heeft [eiser] op 26 november 2014 en op 15 juli 2015 een overzicht verstrekt met betrekking tot door haar gerealiseerde verkopen van gezamenlijke werken. Het eerste overzicht ziet op verkopen en betalingen na juli 2007 en het tweede overzicht ziet op verkopen en betalingen over de periode januari 2015 tot en met juni 2015. 2.10. [gedaagde] heeft [eiser] vanaf maart 2006 diverse e-mailberichten gestuurd waarin de verdeling van de verkoopopbrengst aan de orde is gekomen. 2.10.1. In een e-mailbericht van 6 maart 2006 heeft [gedaagde] aan [eiser] onder meer bericht: (…) For all of the other photo-works in the new editions, as I bought the rights from you, the works will be sold in the following way: 50% Gallery 30% [gedaagde] 20% [eiser] This is after all production costs are deducted (…) 2.10.2. In een e-mailbericht van 14 april 2008 heeft [gedaagde] [eiser] als volgt bericht: (…) The Gallery take 50 %. 30 % is for me. 20 % is for you. (…) PRICE: € 80.000 APPLIED DISCOUNT: € 24.000 (30%) GALLERY FEE: 50% PRODUCTION COSTS: € 3,159.96 ARTIST AMOUNT: € 24.840 [eiser] 20 %: € 4968 (…) 2.10.3. [gedaagde] heeft [eiser] bij e-mailbericht van 12 januari 2012 onder meer geschreven: (…) REPORT OF WORKS SOLD: 1. Work: “Rest Energy” Price: 80.000,00 EUR – given discount Final Price: 70.000,00 EUR Less Production Costs and Shipping (5000,00 EUR): 65.000,00 EUR Divided by two: 32.500,00 EUR ( [gedaagde] ) Conversion: 41.275,00 USD (…) You can see how the price is broken down. My portion is 41.275,00 US Dollars (at a 1.27 conversion rate). 20% of the total of 65.000,00 before my portion is 13.000,00 Euros. So with the same exchange rate of 1.27 I owe you 16.510,00 US Dollars. I have only been paid 1/3 of my portion so far, but I want to pay you the full amount as soon as you will tell me where to transfer the money. I hope it comes at a good time. (…) 2.11. [gedaagde] heeft in een tweetal publicaties, te weten een interview en haar biografie, ook uitlatingen gedaan over de verdeling van de verkoopopbrengst van gezamenlijke werken. 2.11.1. In een interview met [gedaagde] door [tijdschrift] van 1 november 2010 is opgenomen: (…) So he [ [eiser] , de rechtbank] wanted to have cash money, and he got cash money. But the contract was really tough for me because everything, our work together, he always gets 20 percent from every sale. And I can’t sell without a gallery. So if we have 100 percent, the gallery would get 50 percent, I’d get 50 percent. From this 50 percent, he’d get 20. I’d get 30. (…) 2.11.2. In de in 2010 verschenen biografie van [gedaagde] getiteld “When [gedaagde] dies”, geschreven door [naam 2] , is opgenomen: (…) On April 29, 1999, [gedaagde] finally bought the entire archive (…). [gedaagde] gained complete control over the reproduction, exhibition, and sale of the work, though when she did sell it, [eiser] was guaranteed 20 percent of the net proceeds. Taking into account [naam 1] standard 50 percent dealer’s share from sales, [gedaagde] would be left with only 30 percent of the proceeds from each sale. (…) 2.12. [eiser] heeft [gedaagde] , voor zover relevant, in mei 2008 een tweetal e-mailberichten gestuurd. 2.12.1. Op 10 mei 2008 schreef [eiser] [gedaagde] als volgt: (…) one last question, when am i supposed to get one exemplar from each of the editions you re-make or reproduce from our joint works, like AAA-AAA (one of the two A.P.’
- s)please hand those over with a certificate or dedicate these to me personally. these works dear [gedaagde] , will remain as long as i am able to in my personal collection, to eventually pass on to my legal heirs ( [naam 3] , [naam 4] and [naam 5] ). (…) 2.12.2. Op 13 mei 2008 schreef [eiser] [gedaagde] het volgende: (…) if i can sell something which by any means is related to our joint oeuvre, i will at any time first inform and consider you, also for the works in my possession. that’s a promise. (…) 2.13. In 2014 heeft [gedaagde] ter gelegenheid van het WK voetbal in samenwerking met Adidas Work Relation, 2014 gemaakt, een heruitvoering van het gezamenlijke werk Work Relation. Adidas heeft het werk op de videowebsite Youtube geplaatst met het volgende commentaar: Work Relation 2014 – A film by [gedaagde] , in collaboration with Adidas(…) First performed in 1978 by [gedaagde] and her partner at the time [eiser] , the original “Work Relation” was a groundbreaking form of performance art (..) The original peace – seen reenacted in this film for the first time since 1979 – consisted of three sequences, each presenting a unique model for transporting stones form one end of a room to another. Using only buckets and human labor, the three models compare and contrast systems of cooperation and efficiency, with the participants’ bodies serving as the medium. (…)Based on the original “Work Relation” by [gedaagde] and [eiser] (…) 2.14. Ter illustratie zijn enkele stills uit de video opgenomen: 2.15. [eiser] heeft medewerking verleend aan de totstandkoming van het in september 2014 verschenen boek getiteld “ [boek] : [eiser] on [eiser] ”, een biografie over het leven van [eiser] , geschreven door [naam 6] en [naam 7] . Het boek bevat een aantal foto’s van gemeenschappelijke werken. In het boek staat onder meer een interview met [gedaagde] . Ook is een aantal uitlatingen van [eiser] opgenomen over [gedaagde] . 2.16. De uitgever van het boek heeft [gedaagde] voorafgaand aan de publicatie op 18 maart 2014 onder meer bericht: (…) We are almost in the final phase of the editing, correcting and typesetting of [eiser] ’s book and I think it would be a good idea that you have a look at it before it goes into print. I understand that you and [eiser] have mutual copyright agreements on images of specific periods of time, and therefore I would want to send you the latest pdf of the book in order to inform you how we have dealt with all courtesies for citations and copyrights. (…) 2.17. Bij e-mailbericht van 26 maart 2014 heeft de advocaat van [gedaagde] de uitgever onder meer geschreven: (…) For all those reasons, defamation, violation of reproduction and moral rights, my client does not give you her consent for this publication, and asks me to give you a legal formal notice to respect her rights. (…) 2.18. Naar aanleiding van de hiervoor weergegeven en ook nadere correspondentie, is een aantal foto’s van gezamenlijke werken niet in het boek gepubliceerd. In plaats daarvan zijn roze vlakken opgenomen. In het boek is daarover de volgende verklaring opgenomen: 2.19. [eiser] heeft in januari 2015 in het Stedelijk Museum te Amsterdam een performance gegeven, genaamd “Skeleton in the Closet”, waarbij hij voor een groot roze vlak stond en de nummers opschreef van de pagina’s uit het boek [boek] : [eiser] on [eiser] waar roze vlakken zijn opgenomen: 2.20. In 2016 heeft [eiser] zijn medewerking verleend aan een tentoonstelling in het Nederlands fotomuseum, getiteld “ [eiser] | Polaroids”. Bij deze tentoonstelling is (onder meer) een filmdocumentaire van [naam 8] (hierna: [naam 8] ) en [naam 9] getoond, getiteld “ [filmdocumentaire] ”. In deze filmdocumentaire van 22 minuten, wordt aan het einde gedurende 26 seconden gezamenlijk werk van [eiser] en [gedaagde] getoond. De documentaire is vanaf 24 januari 2016 in het Nederlands fotomuseum getoond. 2.21. Op 24 februari 2016 schreef de advocaat van [gedaagde] aan [naam 8] : (…) My client is the owner of the worldwide exclusive exploitation rights to all the joint work of [gedaagde] / [eiser] , among others the filmed and photographed performances. (…) You did not receive her consent. (…) Herewith I ask you, demand you if necessary, to confirm to me that you will delete all joint works of [gedaagde] / [eiser] you have in your possession and delete them from the films/documentaries. (…) 2.22. Op 25 maart 2016 heeft de advocaat van [gedaagde] [naam 8] onder meer bericht: (…) Through you and this argumentation, [eiser] , who gave you illegal access to all the Joint Works that you illegally used in the film, tries to challenge the monopole he granted to [gedaagde] . (…) For all these reasons, [gedaagde] will sue you if you make any new use of your films. You decided to force her hand for the short version broadcasted in the Dutch Fotomuseum. My client takes good note that the damage is done. (…) 2.23. In een e-mail van 23 maart 2016 van de advocaat van [gedaagde] aan de directeur van het Musée d’art et d’histoire te Genève is onder meer opgenomen: (…) Vous annoncez que [eiser] “revient sur les traces de sa performance Balance Proof qui s’est tenue au MAH il y a 39 ans avec [gedaagde] ». Cette présentation impropre – puisque ce n’est pas sa performance mais une oeuvre de collaboration – inquiète ma cliente qui est seule détentrice des droits d’exploitation sur les oeuvres communes, et qui est co-titulaire du droit moral sur l’oeuvre Balance Proof. (…) 2.24. Na het uitbrengen van de dagvaarding in de onderhavige zaak is op 11 november 2015 over het geschil in The Guardian een artikel verschenen. Hierin is onder meer vermeld: (…)[gedaagde] sued by former lover and collaborator [eiser] (....) This month, it faces its greatest crisis: in the law courts, where [eiser] claims that [gedaagde] has been writing him out of his own history. In this lawsuit he alleges that she has withheld money from him for 16 years, and failed to give him proper credit for their joint legacy. Those numbers in A Skeleton in the Closet? They refer to the collaborative works which, he says, [gedaagde] has censored. She vigorously contests the claims, and says she is confident she will win the case. (…)He says he has received surprisingly little money- no more, he reckons, than half of what he should have received. (…) [eiser] claims she has paid him only four times – and that [gedaagde] argues he should receive only 20% of her 30% profit (…) [eiser] explains what he hopes to achieve through litigation: “The points I’m asking of her are: every six months, a statement on sales and my royalties. And I’m asking for absolute proper mentioning of my name. (…)What concerns [eiser] more, though, is his sense that [gedaagde] is trying to write him out of art history. He claims their contract stipulates that their works must be joint credited, but that [gedaagde] has been claiming sole authorship. “She has deliberately misinterpreted things, or left my name out,” he says. (…)Their relationship remained cordial and might have continued so, he says, had [gedaagde] not interfered with the publication of his 2014 book, [boek] : [eiser] on [eiser] . (…) When I was working with her, she was great. But then, you know, the direction she went to, to become a star, is something I do not envy. It’s far away from my intentions (…) it went to her head.”[curator] , who organized [eiser] ’s first show in Slovenia, points out that, until recently, [eiser] showed no interest in maintaining a position in the contemporary art world. Now he is represented by the MOT International gallery, and will have a solo exhibition in London (…) “That meant he started to enter [gedaagde] ’s symbolic space, space until now she ruled over. (…)”When approached to comment on the case, [gedaagde] ’s lawyer replied: “Mrs [gedaagde] totally disagree[s] with [eiser] ’s allegations. My client doesn’t want to comment on them, they are libelous. (...)” 2.25. Ook andere media hebben naar aanleiding van de publicatie van The Guardian over het geschil tussen [eiser] en [gedaagde] bericht. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert na eiswijziging bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat artikel 6.1 van de overeenkomst aldus dient te worden uitgelegd, dat de royalty van 20% die [eiser] toekomt berekend dient te worden over de opbrengst van een werk na aftrek van (alleen) de directe productiekosten van het werk, maar vóór aftrek van enige andere kosten zoals de afdracht aan een galerie; 2. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis een volledige en juiste schriftelijke opgave te verstrekken van (
- i)de verveelvoudigingen van gezamenlijke werken die zijn gemaakt in de periode tussen 1 juli 2007 en het laatste volledige kwartaal voorafgaand aan het te wijzen vonnis, voor zover deze nog niet conform de overeenkomst aan [eiser] zijn gerapporteerd; (
- ii)de verkopen van deze reproducties die zijn gerealiseerd in de periode tussen 1 juli 2015 en het laatste volledige kwartaal voor het te wijzen vonnis en de daarbij behaalde verkoopprijs, alsmede in de periode daarvoor voor zover die verkopen niet eerder conform de overeenkomst aan [eiser] zijn gerapporteerd; en (iii) de royalty’s die [eiser] ter zake van de onder (
- ii)bedoelde verkopen toekomen, met inachtneming van de verklaring voor recht onder 1; zulks steeds op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft; 3. [gedaagde] te veroordelen om steeds binnen een maand na het einde van elk volledig kalenderkwartaal vanaf betekening van het in dezen te wijzen vonnis (en dus steeds uiterlijk 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober), een volledige en juiste schriftelijke opgave te verstrekken van (
- i)de reproducties van gezamenlijke werken die zijn gemaakt voor zover die nog niet eerder zijn gerapporteerd; (
- ii)de verkopen van reproducties die zijn gerealiseerd in het voorgaande kwartaal, of die zijn gerealiseerd in eerdere kwartalen maar nog niet waren gerapporteerd; en (iii) de royalty’s die [eiser] ter zake van de onder (
- ii)bedoelde verkopen toekomen, met inachtneming van de verklaring voor recht onder 1; zulks steeds op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft; 4. [gedaagde] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] door haar getekende Artist’s Prints te leveren van de edities Expansion in Space (video, edition of 5), Light Dark (video, edition of 5) en Rest energy (video, edition of 5), alsmede van andere edities die zij blijkens het onder 2. te verstrekken overzicht heeft gemaakt maar waarvan zij aan [eiser] nog geen Artist’s Print heeft geleverd; steeds tegen vergoeding door [eiser] van de daadwerkelijke en redelijke productiekosten; en steeds op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere dag, en iedere Artist’s Print, dat zij dit bevel niet volledig naleeft; 5. [gedaagde] te veroordelen om, steeds nadat zij in de toekomst een nieuwe editie van een gezamenlijk werk maakt, [eiser] binnen twee weken schriftelijk in de gelegenheid te stellen om daarvan een Artist’s Print te verkrijgen tegen betaling van de productiekosten en, indien hij aangeeft daar prijs op te stellen, deze Artist’s Print vervolgens daadwerkelijk binnen vier weken nadien te leveren, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] dit bevel niet volledig nakomt; 6. [gedaagde] te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis te betalen aan [eiser] de nog niet betaalde de royalty’s van € 252.825,60 (tweehonderdtweeënvijftigduizend achthonderdvijfentwintig euro en zestig cent) alsmede $ 23.156,00 (drieëntwintigduizend honderdzesenvijftig US dollar), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) telkens vanaf 30 dagen nadat de betreffende royalty verschuldigd is geworden; 7. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na verstrekking van het onder 2. bedoelde overzicht aan [eiser] de niet reeds betaalde royalty’s te betalen waarop hij blijkens dat overzicht recht heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW telkens vanaf 30 dagen nadat de betreffende royalty verschuldigd is geworden; 8. [gedaagde] met onmiddellijke ingang na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te verbieden om inbreuk op de aan [eiser] toekomende auteursrechtelijke persoonlijkheids- en exploitatierechten, in het bijzonder door (
- a)het zonder toestemming van [eiser] opvoeren van gezamenlijke werken in gewijzigde vorm, (
- b)het op andere wijze zonder toestemming van [eiser] verveelvoudigen in gewijzigde vorm van gezamenlijke werken, alsmede (
- c)het verveelvoudigen of openbaar maken van werken waarop uitsluitend [eiser] het auteursrecht bezit zonder dat [eiser] daarvoor toestemming heeft gegeven of een auteursrechtelijke beperking daarop van toepassing is, steeds op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 (tienduizend euro) voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod schendt en iedere dag dat een schending voortduurt; 9. [gedaagde] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] ten titel van gederfde licentievergoeding een bedrag te betalen groot $ 75.000,00 (vijfenzeventigduizend US dollar) althans ten titel van winstafdracht een vergoeding te betalen van $ 50.000,00 (vijftigduizend US dollar); alsmede steeds om hem een schadevergoeding te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro), dit geheel vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 9 juli 2014; 10. [gedaagde] te gebieden om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan alle galerieën en andere derden die in opdracht van [gedaagde] gezamenlijke werken verkopen of aanbieden, of dit hebben gedaan, per aangetekende post een brief te versturen (met gelijktijdige verzending van kopie daarvan aan de advocaat van [eiser] ), op haar gebruikelijke briefpapier, met uitsluitend de volgende tekst: “Dear sirs, By decision of [DATE] 1 have been ordered by the District Court of Amsterdam to instruct you as follows: Together with [eiser] , 1 made a large number of copyrightedworks in the period from 1976-1987 (hereinafter: the Joint Works). [eiser] and 1 are the joint owners of the copyright in these works. [eiser] has granted me the right to reproduce and sell these Joint Works. One of the conditions in our agreement is that the Joint Works are accredited as follows: “ [eiser] / [gedaagde] ” for Joint Works from 1976-1980 “ [gedaagde] / [eiser] ” for Joint Works from 1981-1987 Your organization is offering or selling such Joint Works on my behalf. Please ensure that you accredit our Joint Works pursuant to the above instructions with immediate effect. Yours sincerely, [gedaagde] ” op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft; 11. [gedaagde] te gebieden het ertoe te leiden dat de door haar of het [gedaagde] Institute aangestelde galerieën, waaronder in elk geval de in Producties 22 t/m 25 genoemde galerieën, binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis deze instructie daadwerkelijk naleven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere publieke aanprijzing van een gezamenlijk werk in strijd met deze instructie en iedere dag dat deze schending voortduurt; 11. [gedaagde] te gebieden om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan EAI per aangetekende post een brief te versturen (met gelijktijdige verzending van kopie daarvan aan de advocaat van [eiser] ), op haar gebruikelijke briefpapier, met uitsluitend de volgende tekst: “Dear sirs, By decision of [DATE] 1 have been ordered by the District Court of Amsterdam to instruct you as follows: Together with [eiser] , I made a large number of copyrighted works in the period from 1976-1987 (hereinafter: the Joint Works). [eiser] and I are the joint owners of the copyright in these works. [eiser] has granted me the right to reproduce and sell these Joint Works. One of the conditions in our agreement is that the Joint Works are accredited as follows: “ [eiser] / [gedaagde] ” for Joint Works from 1976-1980 “ [gedaagde] / [eiser] ” for Joint Works from 1981-1987 Your organization is offering or selling such Joint Works on my behalf. Please ensure that you accredit our Joint Works pursuant to the above instructions with immediate effect. Furthermore, your organization is offering the work “There is [solowerk] ” as part of the Performance Anthology (1975-1980) on my behalf. Copy right of this work is owned exclusively by [eiser] . 1 have no right to reproduce and sell this work. Please remove this work from your catalogue with immediate effect. Yours sincerely, [gedaagde] ” op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere dag dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft; 13. [gedaagde] te gebieden om aan een ieder aan wie zij toestemming verleent een auteursrechtelijk voorbehouden handeling te verrichten met betrekking tot een gezamenlijk werk, de volgende naamsvermeldingsinstructie te geven: “Accreditation The copyright to this work is jointly owned by [eiser] and [gedaagde] . When displaying the work, it must be accredited as follows: “ [eiser] / [gedaagde] ” for works from 1976-1980 “ [gedaagde] / [eiser] ” for works from 1981-1987” op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (duizend euro) voor iedere keer dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft; 14. te verklaren voor recht dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd, dat zij [eiser] toestaat om zijn rechten uit de overeenkomst en zijn intellectuele eigendomsrechten – zijn aandeel in de auteursrechten op de gezamenlijke werken daaronder begrepen – over te dragen aan een derde partij, onder algemene en bijzondere titel; althans voor recht te verklaren dat artikel 5.2 van de overeenkomst door [eiser] rechtsgeldig vernietigd is; althans daarvan de nietigheid uit te spreken; althans voor recht te verklaren dat artikel 5.2 niet van toepassing is op een overdracht van vorenbedoelde rechten aan de Stichting [eiser] ; althans te bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van de wilsovereenstemming van [gedaagde] met de overdracht van rechten aan de Stichting [eiser] ; 14. [gedaagde] te veroordelen in de redelijke en evenredige kosten van deze procedure, te voldoen binnen zeven dagen na de datum van het te wijzen vonnis; althans [gedaagde] te veroordelen in de redelijke en evenredige kosten van deze procedure voor zover deze strekt tot handhaving van intellectuele eigendomsrechten, en haar voor het overige te veroordelen in de proceskosten volgens liquidatietarief; steeds te voldoen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de derde werkdag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 14. te verklaren voor recht dat het [eiser] is toegestaan om ten behoeve van tentoonstellingen gezamenlijke werken openbaar te (doen) maken en te (doen) verveelvoudigen; 14. te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door zich tot derden te wenden met de stelling althans suggestie dat zij de exclusief rechthebbende is met betrekking tot de gezamenlijke werken, en/of de stelling althans de suggestie dat deze derden inbreuk maken op haar auteursrechten en/of rechten uit haar overeenkomst met [eiser] terwijl zij wist of behoorde te weten dat van inbreuk door die derden op haar rechten geen sprake was; 14. [gedaagde] te verbieden zich tot derden te wenden met de stelling althans suggestie dat zij de exclusief rechthebbende is met betrekking tot de gezamenlijke werken, en/of de stelling althans de suggestie dat deze derden inbreuk maken op haar auteursrechten en/of contractuele rechten terwijl zij weet of behoort te weten dat van inbreuk op haar rechten geen sprake is, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 (tienduizend euro) voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt; 14. te verklaren voor recht dat [eiser] zijn verplichtingen op grond van artikel 3.2 van de overeenkomst is nagekomen en dat [gedaagde] ter zake van de betaalde koopsom geen voor te behouden aanspraak op [eiser] heeft; 14. voorwaardelijk, voor zover de overeenkomst zodanig uitgelegd moet worden dat deze [eiser] verbiedt om enige drager van een gezamenlijk werk in zijn bezit te hebben, de overeenkomst in zoverre te vernietigen; 14. voorwaardelijk, voor zover de overeenkomst zodanig uitgelegd moet worden dat deze [gedaagde] een exclusief recht verleent, de overeenkomst in zoverre te vernietigen; althans subsidiair, voor zover de overeenkomst zodanig uitgelegd moet worden dat deze [gedaagde] een exclusief recht verleent en de overeenkomst in zoverre niet vernietigbaar is, voor recht te verklaren dat de [gedaagde] verleende exclusiviteit alleen van toepassing is op verveelvoudigingshandelingen ten aanzien van gezamenlijke werken; 14. voorwaardelijk, voor zover uit de overeenkomst een verbod volgt voor [eiser] om gezamenlijke werken tentoon te stellen die niet uit het archief van [gedaagde] afkomstig zijn, de overeenkomst in zoverre te vernietigen. 3.2. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] . [gedaagde] verzoekt subsidiair, indien de rechtbank enige vordering van [eiser] toewijst, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en om geen dwangsommen op te leggen. Indien en voor zover [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, verzoekt zij te oordelen dat deze verrekend dan wel gecompenseerd dient te worden met de door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde schadevergoeding en de betaling daarvan te gelasten wanneer deze schadevergoeding in kracht van gewijsde vaststaat en gelijktijdig met de definitieve, in kracht van gewijsde gegane, vaststelling van de schadevergoeding die [eiser] aan [gedaagde] verschuldigd is. Tevens verzoekt [gedaagde] [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen in alle door [gedaagde] gemaakte redelijke en evenredige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde] vordert na diverse eiswijzigingen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht te verklaren dat artikelen 6.1 en 6.2 van de overeenkomst aldus dienen te worden uitgelegd, dat de royaltyvergoeding van 20%, respectievelijk 33% die [eiser] toekomt berekend dient te worden over de netto-inkomsten van [gedaagde] (=bruto-inkomsten van [gedaagde] verminderd met de directe productiekosten) bij de exploitatie van gemeenschappelijk werk en in de overeenkomst gespecificeerd solo werk, waarbij inkomsten van [gedaagde] moeten worden uitgelegd als de inkomsten die zij letterlijk ontvangt, zodat het de bruto-inkomsten betreft die zij ontvangt van de galeriehouders of beheersorganisaties of andere derden die zij inschakelt bij de (bemiddeling
- in)de verkoop of bij andere commerciële exploitatie van het werk, waarvan de commissie of vergoeding van deze derden is afgetrokken; voor recht te verklaren dat het [eiser] op grond van de overeenkomst niet is toegestaan het gemeenschappelijk werk, met uitzondering van de bij aanvang van de overeenkomst aan hem verstrekte 49 foto’s, zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van [gedaagde] te (doen) gebruiken en/of te (doen) exploiteren, waaronder onder meer wordt verstaan het (doen) verveelvoudigen, (doen) openbaarmaken, (doen) verhandelen, (doen) verkopen; voor recht te verklaren dat het [eiser] niet is toegestaan gemeenschappelijk werk te gebruiken voor tentoonstellingen, dat niet afkomstig is uit het archief van [gedaagde] ; voor recht te verklaren dat artikel 4.6 van de overeenkomst inhoudt dat [eiser] bij elke nieuwe editie van een gemeenschappelijk werk recht heeft op een ongenummerd getekend exemplaar bestemd voor privégebruik door [eiser] en uit hoofde van dat artikel, of uit hoofde van de overeenkomst, geen recht heeft op een Artist’s Print; voor recht te verklaren dat [eiser] op grond van de overeenkomst geen ander gemeenschappelijk werk in zijn bezit mag hebben dan de 49 aan hem bij de overeenkomst verstrekte foto’s, het in hiervoor onder E. (de rechtbank begrijpt: D) genoemde ongenummerde getekende exemplaar van een nieuwe editie en gemeenschappelijk werk dat hij of een derde rechtmatig heeft gekocht, doordat dit met toestemming van [gedaagde] op de markt is gebracht en waarop het auteursrecht is uitgeput, en gemeenschappelijk werk waarmee geen reproductie in de zin van de overeenkomst gemaakt kan worden; voor recht te verklaren dat het strijdig met de overeenkomst is dat [eiser] een digitaal archief van het gemeenschappelijk werk in zijn bezit heeft waarmee een reproductie in de zin van de overeen komst gemaakt kan worden; voor recht te verklaren dat het [eiser] niet vrij staat om het gemeenschappelijk auteursrecht en de rechten en plichten uit de overeenkomst over te dragen aan zijn Stichting [eiser] of een derde, zonder uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde] ; voor recht te verklaren dat [eiser] in strijd met de overeenkomst heeft gehandeld door de 39 foto’s genoemd in de conclusie van antwoord, dan wel die foto’s van het gemeenschappelijk werk genoemd in de conclusie van antwoord die gebruikt zijn in het boek [boek] , dan wel die foto’s van het gemeenschappelijk werk, die de rechtbank in goede justitie bepaalt, te gebruiken, dan wel te laten gebruiken, in het boek [boek] en in strijd met de overeenkomst heeft gehandeld door foto’s en films van het gemeenschappelijk werk te verstrekken, ter beschikking te stellen, althans te laten gebruiken, voor de filmdocumentaire ‘ [filmdocumentaire] ’ korte en lange versie; I. [eiser] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden iedere inbreuk op het gemeenschappelijk auteursrecht, in het bijzonder eiser te verbieden zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van [gedaagde] verveelvoudigingen van het gemeenschappelijk werk te (doen) aanbieden en/of te (doen) verhandelen en/of in voorraad te (doen) houden en/of te (doen) verkopen en/of te (doen) leveren en/of te (doen) importeren en/of te (doen) exporteren en/of te (doen) verhuren en/of uit te (doen) lenen en/of op welke titel dan ook te (doen) verhandelen en/of in het verkeer te (doen) brengen en/of tentoon te stellen en/of te (doen) verspreiden via (direct)mailings en/of via e-mails, en/of via een catalogus en/of via een website of sociale media die vrij toegankelijk zijn voor het publiek dan wel op een andere wijze, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 10.000,00 voor elke overtreding en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt; [eiser] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan mr. N.D.R. Nefkens, Herengracht 582, 1017 CJ Amsterdam, onder overlegging van kopieën van offertes en/of facturen en/of bankafschriften en/of andere relevante documenten of bescheiden, een schriftelijke, door een onafhankelijk registeraccountant gecontroleerde en gewaarmerkte opgave te verstrekken van: a. het aantal in strijd met de overeenkomst vervaardigde en/of ingekochte en/of verkochte gemeenschappelijke werken, waaronder de Artist’s Prints; b. de kostprijs, de inkoopprijs en de verkoopprijs van deze gemeenschappelijke werken, alsmede de door [eiser] met de verkoop van de gemeenschappelijke werken gemaakte bruto en netto winst, waaronder wordt verstaan zijn bruto-inkomsten verminderd met de directe productiekosten; c. de namen, adressen, telefoon- en faxnummers, web- en e-mailadressen van de galerieën of andere ondernemingen of tussenpersonen die [eiser] heeft ingeschakeld voor de in sub a. genoemde vervaardiging, verhandeling of exploitatie in andere vorm, van de gemeenschappelijke werken en ook indien [eiser] rechtstreeks verkocht heeft, de namen en adressen van de kopers; d. het aantal en de volledige en gedetailleerde beschrijving van de gemeenschappelijk werken, in fysieke of digitale vorm, op film of op video, in het bezit van [eiser] , dan wel in strijd met de overeenkomst in het bezit van [eiser] ; e. het aantal verkochte exemplaren van het boek [boek] , het aantal nog in voorraad zijnde onverkochte exemplaren van het boek [boek] en de door [eiser] met de verkoop van het boek [boek] genoten bruto en netto winst; [eiser] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te gebieden alle digitale kopieën van het gemeenschappelijk werk in het bezit van [eiser] te vernietigen en alle fysieke exemplaren van gemeenschappelijke werken die zich in zijn opdracht ter verhandeling of exploitatie in andere zin onder derden bevinden, terug te halen bij deze derden, en al deze fysieke exemplaren van gemeenschappelijke werken en alle fysieke exemplaren van gemeenschappelijk werken die zich in strijd met de overeenkomst in het bezit van [eiser] bevinden, waaronder de twee DVD’s met video compilaties en de fysieke vastlegging van alle video’s van het gemeenschappelijk werk verkregen van galerie [galerie 1] , binnen dertig dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [gedaagde] af te staan, zonder dat [gedaagde] daarvoor een vergoeding verschuldigd is; [eiser] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis bewijs over te leggen van de eventueel nog onverkochte door [gedaagde] aan [eiser] verstrekte Artist’s Prints in het bezit van [eiser] of derden: het gevorderde onder I, J, K en L op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 5.000,00 voor elke overtreding en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt; [eiser] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis primair de door [eiser] gemaakte winst met de verkoop of de exploitatie in andere zin van de Artist’s Prints en van het gemeenschappelijke werk gemaakte winst aan [gedaagde] af te dragen voor zover het een werk betreft dat zonder de toestemming van [gedaagde] is gemaakt of verveelvoudigd, waaronder de winst die [eiser] heeft genoten ten gevolge van de verkoop van het boek [boek] , subsidiair 80% van de door [eiser] gegenereerde netto-inkomsten (= de bruto-inkomsten verminderd met de directe productiekosten) met de hiervoor genoemde verkoop of exploitatie aan [gedaagde] af te dragen; [eiser] te veroordelen de schade van [gedaagde] te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; voor recht te verklaren dat [eiser] bij het doen van openbare mededelingen en mededelingen aan de pers en media, zoals opgenomen in de door [gedaagde] genomen akte van 4 mei 2016, genoemd in 10.
- a)t/m
- f)onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld en [gedaagde] schade heeft toegebracht; [eiser] binnen 24 uur na betekening van het vonnis in deze te veroordelen om de in de akte van 4 mei 2016 onder 10.
- a)t/m
- f)genoemde mededelingen en soortgelijke mededelingen over [gedaagde] te staken en gestaakt te (doen) houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [eiser] deze veroordeling overtreedt; [eiser] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in deze alle door [gedaagde] gemaakte redelijke en evenredige buitengerechtelijke- en proceskosten ex artikel 1019h Rv te vergoeden, dan wel [eiser] te veroordelen in de proceskosten volgens liquidatietarief. 3.5. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad, waarbij voor de aan bestrijding van de tot auteursrechthandhaving strekkende vorderingen wordt uitgegaan van de volledige redelijke en evenredige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In verband met de onderlinge verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk en onderverdeeld naar thema beoordelen. De beoordeling is als volgt opgebouwd: bevoegdheid en toepasselijk recht (4.2 e.v.) royalty’s (4.5 e.v.); rekening en verantwoording (4.13 e.v.); Artist’s Prints (4.19 e.v.); gebruik (gezamenlijk) werk door [gedaagde] (4.25 e.v.): (
- i)heruitvoering Work Relation (4.26 e.v.); (
- ii)aanbieden van werk onder (uitsluitend) de naam van [gedaagde] (4.38 e.v.) ; (iii) naamsvermelding bij verkoop via galerieën (4.42 e.v.); overdracht rechten (4.49 e.v.); bezit digitaal archief [eiser] (4.53 e.v.) gebruik gezamenlijk werk door [eiser] (4.59 e.v.); uitlatingen [gedaagde] (4.71 e.v.); uitlatingen [eiser] (4.74 e.v.); voorwaardelijke vorderingen [eiser] (4.78); bevoegdheid tot verrekening en opschorting door [gedaagde] (4.79) ; proceskosten (4.80 e.v.); uitvoerbaar bij voorraad (4.89). Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.2. Gelet op het feit dat [gedaagde] woonachtig is in de Verenigde Staten en een aantal vermeende auteursrechtinbreuken buiten Nederland heeft plaatsgevonden, heeft de onderhavige zaak een internationaal karakter. De rechtbank zal ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is. Bevoegdheid 4.3. Nu de vordering is ingesteld na 10 januari 2015 dient de rechtbank voor de beoordeling van haar (internationale) bevoegdheid uit te gaan van de Verordening (EG) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de herschikte EEX-Verordening). Ingevolge artikel 25 van de herschikte EEX-Verordening geldt dat, indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht in beginsel - behoudens hier niet toepasselijke uitzonderingen - exclusief bevoegd is. In artikel 10.1 van de overeenkomst is bepaald dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is van geschillen tussen [eiser] en [gedaagde] voortvloeiend uit of samenhangend met de overeenkomst kennis te nemen. [eiser] en [gedaagde] hebben de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, meer in het bijzonder de rechtbank Amsterdam overigens ook niet betwist. De rechtbank Amsterdam is dan ook bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen. Toepasselijk recht 4.4. In artikel 10.1 van de overeenkomst is voorts bepaald dat op geschillen tussen [eiser] en [gedaagde] voortvloeiend uit of samenhangend met de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is. Een dergelijke rechtskeuze is toelaatbaar ingevolge artikel 3 lid 1 van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Partijen hebben daarnaast ter zitting een rechtskeuze voor Nederlands recht gedaan, voor zover aan de vorderingen in conventie en in reconventie vermeende auteursrechtinbreuken ten grondslag liggen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Ook ten aanzien van niet-contractuele verbintenissen is een rechtskeuze toegestaan ingevolge artikel 14 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”). Het Nederlandse recht is om die reden op het geschil van toepassing. Royalty’s 4.5. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de royaltyvergoeding van artikel 6.1 van de overeenkomst moet worden berekend. Hierin is opgenomen dat [gedaagde] aan [eiser] een royalty betaalt van 20% van de totale opbrengst (inclusief btw) berekend over de netto-inkomsten voor iedere verkochte Reproduction. Het netto-inkomen is volgens artikel 6.1 van de overeenkomst het bruto-inkomen van [gedaagde] na aftrek van de directe productiekosten. 4.6. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de hem toekomende royalty van 20% moet worden berekend over de verkoopopbrengst van een werk na aftrek van de directe productiekosten, maar vóór aftrek van de commissie aan de galerie die bij de verkoop heeft bemiddeld. De commissie van een galerie bedraagt volgens [eiser] gewoonlijk 50% van de verkoopopbrengst, zodat de verdeling van de verkoopopbrengst volgens artikel 6.1 van de overeenkomst neerkomt op 50% voor de galerie, 30% voor [gedaagde] en 20% voor [eiser] . Dat deze uitleg juist is, blijkt volgens [eiser] onder meer uit de uitlatingen die [gedaagde] heeft gedaan in het interview met [tijdschrift] , haar biografie en in haar e-mailberichten aan [eiser] van 6 maart 2006, 14 april 2008 en 12 januari 2012. [gedaagde] noemt daarin steeds de verdeling van 50% voor de galerie, 30% voor haar en 20% voor [eiser] . Tot slot blijkt de juistheid van deze uitleg volgens [eiser] uit de tekst van artikel 6.2 van de overeenkomst, betreffende de verdeling van de opbrengst ingeval de verkoop een gevolg is van inspanningen van [eiser] . In dat geval zou [eiser] 30% van de verkoopopbrengst toekomen. Dit artikel is derhalve de exacte spiegelbeeldsituatie van artikel 6.1, aldus [eiser] . 4.7. [gedaagde] heeft het standpunt betrokken dat [eiser] recht heeft op 20% van het netto-inkomen van [gedaagde] . Het netto-inkomen is volgens [gedaagde] het bedrag dat zij ontvangt van de galeriehouder - nadat deze reeds 50% van de verkoopopbrengst als commissie heeft ingehouden - minus de directe productiekosten. [gedaagde] heeft met de galeriehouder een consignatieovereenkomst gesloten. De werkwijze is als volgt: de galeriehouder verkoopt het werk in eigen naam, levert en draagt de eigendom over aan de koper en ontvangt de betaling van de koper. De galeriehouder betaalt vervolgens een gedeelte van de koopsom, na aftrek van de commissie, aan [gedaagde] . Met de uitlatingen die [gedaagde] in haar e-mailberichten van 6 maart 2006, 14 april 2008 en 12 januari 2012 heeft gedaan bedoelde [gedaagde] dat [eiser] 20% van haar deel van 50% zou toekomen. Dat derden de verdeling naar aanleiding van een interview of in haar biografie anders hebben opgeschreven, betekent niet dat [gedaagde] haar rechten heeft verwerkt. [eiser] heeft deze verdeling volgens [gedaagde] in de praktijk ook geaccepteerd. Zij heeft vijf betalingen verricht, waarvan vier conform haar eigen berekening en één conform de berekening van [eiser] . De laatstgenoemde betaling heeft zij verricht omdat [eiser] ernstig ziek was en dringend geld nodig had. De uitleg van [eiser] , dat (alleen) [gedaagde] de kosten voor de verkoop door een galerie voor haar rekening zou moeten nemen, is bovendien onredelijk. Artikel 6.2 is tot slot niet bedoeld als een exacte spiegelbeeldsituatie van artikel 6.1. Ingeval inspanningen van [eiser] tot verkoop van een gezamenlijk werk leiden, krijgt [eiser] 1/3e in plaats van 1/5e van de opbrengst van [gedaagde] , aldus [gedaagde] . 4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, komt het ingevolge de Haviltex-maatstaf aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepaling(
- en)mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vergelijk HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Ook het gedrag van partijen in de uitvoeringsfase van een overeenkomst kan voor de uitleg van die overeenkomst van belang zijn (vergelijk HR 20 mei 1994, NJ 1994, 574). 4.9. Het betreft hier een overeenkomst tussen twee niet-professionele partijen, die gezamenlijk de overeenkomst hebben laten opstellen door een advocaat. Partijen hebben verder geen inzicht verstrekt in de totstandkoming en de achtergrond van de overeenkomst en meer in het bijzonder van de artikelen 6.1 en 6.2. Hetgeen partijen in feite verdeeld houdt, is de vraag of onder “gross income of [gedaagde]” moet worden verstaan de verkoopopbrengst van het werk (neerkomend op een verdeling van 50/30/20, uitleg [eiser] ) of hetgeen [gedaagde] van de verkoopopbrengst ontvangt na aftrek van de kosten van de galeriehouder (neerkomend op een verdeling van 50/40/10, uitleg [gedaagde] ). De overeenkomst geeft geen antwoord op deze vraag. De tekst van de artikelen 6.1 en 6.2 van de overeenkomst sluit immers noch de uitleg van [eiser] noch de uitleg van [gedaagde] uit. Uit de uitlatingen van [gedaagde] (vergelijk rechtsoverwegingen 2.10 en 2.11) volgt echter dat [gedaagde] – overeenkomstig de uitleg van [eiser] – artikel 6.1 van de overeenkomst in die zin heeft opgevat dat [eiser] 20% van de totale verkoopopbrengst (vóór aftrek van de commissie) toekomt. Deze uitlatingen zijn niet voor enige andere uitleg vatbaar. De rechtbank verwerpt de stelling van [gedaagde] dat haar verklaring omtrent de verdeling door derden onjuist zou zijn opgeschreven. Aan zowel het interview als de biografie heeft [gedaagde] immers haar medewerking verleend. Bovendien komen de hierin opgenomen opmerkingen juist overeen met haar uitlatingen in haar e-mails aan [eiser] . Aan de omstandigheid dat de betalingen die [gedaagde] heeft verricht niet (allemaal) in overeenstemming zijn met de door [eiser] bepleite uitleg en dat [eiser] hierover niet heeft geklaagd, hecht de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen doorslaggevende betekenis. Daarbij is van belang dat de betalingen geen eenduidige berekening volgen. [gedaagde] heeft in ieder geval één betaling conform de hiervoor genoemde uitleg berekend en gedaan. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] dit bij wijze van uitzondering zou hebben gedaan omdat [eiser] ziek was en dringend geld nodig had. Hiervoor zijn ook geen aanknopingspunten te vinden in de stukken. Al deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat het beding moet worden uitgelegd zoals door [eiser] is bepleit. De rechtbank wijst gelet op het voorgaande de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht (conventie onder 1) toe en de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht (reconventie onder A) af. 4.10. [eiser] heeft voorts, met inachtneming van zijn uitleg van artikel 6.1 van de overeenkomst, betaling gevorderd van twee bedragen respectievelijk € 252.825,60 en $ 23.156,00 (vordering conventie onder 6). Deze bedragen zijn gebaseerd op twee overzichten die [gedaagde] aan [eiser] heeft verstrekt, waarbij [gedaagde] de verkopen van nieuwe edities t/m 30 juni 2015 heeft gerapporteerd (vergelijk rechtsoverweging 2.9). [gedaagde] heeft deze vordering van [eiser] niet afzonderlijk (gemotiveerd) betwist, zodat zij in beginsel gehouden is voormelde bedragen te betalen. 4.11. [eiser] heeft gevorderd deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf 30 dagen nadat de betreffende royalty verschuldigd is geworden. Ingevolge artikel 6.3 van de overeenkomst is [gedaagde] gehouden binnen 30 dagen na ontvangst van de royalty’s door haar of haar agent, de royalty die [eiser] toekomt te betalen. De rechtbank begrijpt de vorderingen van [eiser] aldus dat de termijn zoals genoemd in artikel 6.3 van de overeenkomst wordt opgevat als een fatale termijn, na het verstrijken waarvan wettelijke rente verschuldigd is. Hiertegen is geen verweer gevoerd. De gevorderde wettelijke rente is derhalve toewijsbaar in die zin, dat [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 30 dagen nadat de betreffende royalty door [gedaagde] is ontvangen. 4.12. [gedaagde] is gelet hierop in beginsel gehouden de bedragen van € 252.825,60 respectievelijk $ 23.156,00, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor omschreven, aan [eiser] te betalen. [gedaagde] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij een vordering op [eiser] heeft, die met de onderhavige vordering verrekend dient te worden. De rechtbank zal dit verweer in rechtsoverweging 4.79 beoordelen. Rekening en verantwoording 4.13. In artikel 6.4 van de overeenkomst is bepaald dat [gedaagde] [eiser] per kwartaal schriftelijk zal berichten over de hoeveelheid verveelvoudigingen die zijn gemaakt en de verkopen die hebben plaatsgevonden. [gedaagde] heeft na het sluiten van de overeenkomst in 1999 tweemaal, in 2014 en 2015 (zie rechtsoverweging 2.9), een overzicht aan [eiser] verstrekt, waarop (alleen) is weergegeven welke verkopen hebben plaatsgevonden tussen 1 juli 2007 en 30 juni 2015. Daarnaast heeft [gedaagde] op 12 april 2016 nog een overzicht gezonden, waarop is weergegeven dat geen gezamenlijke werken zijn verkocht. 4.14. [eiser] heeft met verwijzing naar artikel 6.4 van de overeenkomst gevorderd dat [gedaagde] veroordeeld wordt om, samengevat, een schriftelijke opgave te verstrekken van (
- i)het aantal verveelvoudigingen van gezamenlijke werken in de periode vanaf 1 juli 2007, (
- ii)de verkopen die zijn gerealiseerd vanaf 1 juli 2015 en de daarbij behaalde verkoopprijzen en (iii) de royalty’s die [eiser] toekomen. Voorts heeft hij gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om steeds binnen een maand na het einde van elk volledig kalenderkwartaal opgave te doen van voormelde drie onderwerpen, een en ander steeds op straffe van een dwangsom (vordering in conventie onder 2 en 3). 4.15. [gedaagde] heeft betwist dat zij gehouden is ieder kwartaal rekening en verantwoording af te leggen. Zij heeft naar voren gebracht dat een redelijke uitleg van de overeenkomst met zich brengt dat zij enkel indien verkopen hebben plaatsgevonden verplicht is opgave te doen. 4.16. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] de gevorderde verklaring voor recht in reconventie waarmee deze andere uitleg van de overeenkomst werd bepleit heeft ingetrokken. Voor zover [gedaagde] haar verweer in conventie echter nog wel handhaaft, wijst de rechtbank erop dat de opvatting van [gedaagde] geen steun vindt in de tekst van de overeenkomst. Dat [gedaagde] ieder kwartaal opgave dient te doen in de zin van artikel 6.4 van de overeenkomst, ook indien geen verkopen hebben plaatsgevonden, is gelet hierop onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het staat derhalve vast dat [gedaagde] ieder kwartaal een opgave dient te verstrekken. Hoewel in artikel 6.4 van de overeenkomst niet is bepaald dat [gedaagde] in de schriftelijke opgave ook dient te vermelden welke verkoopprijzen zijn gerealiseerd en welk deel daarvan aan [eiser] toekomt, brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst dit wel met zich. [gedaagde] heeft daartegen overigens, evenals tegen de verdere inhoud van voormelde vorderingen, geen verweer gevoerd. De vorderingen van [eiser] worden om die reden toegewezen. 4.17. [eiser] heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot het verstrekken van de hiervoor bedoelde opgaven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag en/of dagdeel dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft. [gedaagde] heeft daartegen verweer gevoerd, in die zin dat zij heeft toegezegd vrijwillig aan de veroordelingen van de rechtbank te zullen voldoen. Gelet op het feit dat [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomst slechts enkele malen (waarvan éénmaal tijdens de onderhavige procedure) opgave heeft gedaan aan [eiser] - waarbij uitsluitend opgave is gedaan van de verkopen, maar niet van het aantal verveelvoudigingen van de gezamenlijke werken - komt het de rechtbank geraden voor een dwangsom te verbinden aan de veroordelingen. De rechtbank ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te bepalen op een bedrag van € 500,00 per dag en te maximeren als hierna bepaald. 4.18. [eiser] heeft verder gevorderd [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na verstrekking van het hiervoor bedoelde overzicht de niet reeds betaalde royalty’s waarop hij blijkens dat overzicht recht heeft te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente (vordering in conventie onder 7). [gedaagde] heeft deze vordering niet betwist, zodat deze wordt toegewezen. Voor zover uit het door [gedaagde] te verstrekken overzicht blijkt dat [gedaagde] [eiser] royalty’s verschuldigd is, is zij derhalve gehouden deze binnen twee weken na verstrekking van het overzicht te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 dagen nadat de betreffende royalty door [gedaagde] is ontvangen. Artist’s Prints 4.19. In artikel 4.6 van de overeenkomst is bepaald dat [gedaagde] gehouden is om [eiser] one