RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 16/7224, 16/7225, 16/7226, 16/7229, 16/7231, 16/7232, 16/7340, 16/7341 en 16/7363 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 december 2016 in de zaken tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4], [verzoeker 5] en [verzoeker 6], [verzoeker 7], [verzoeker 8], [verzoeker 9] en [verzoeker 10], samen te noemen verzoekers (gemachtigde: mr. T.J. Stapel), en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr E. van Brandwijk). Procesverloop Bij afzonderlijke dwangsombesluiten van 27 oktober 2016 dan wel 14 november 2016 of 21 november 2016 heeft verweerder verzoekers gelast het hotelmatig gebruik van hun woonboten binnen een in die besluiten genoemde termijn, die neerkomt op één week, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-. Verzoekers hebben tegen de dwangsombesluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft schriftelijk toegezegd de in de besluiten genoemde begunstigingstermijn te zullen opschorten tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 3], [verzoeker 4], [verzoeker 7], zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Aan de zijde van verzoekers is als mede gemachtigde nog verschenen C.M.J. Hensen van de Vereniging Waterwonen. De overige verzoekers zijn vertegenwoordigd door deze gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder zijn nog verschenen M. Versluis (beleidsmedewerker) en S.J.G. van den Heuvel (Toezichthouder/BOA bij de Afdeling Wonen) Overwegingen 1.1 De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure - hier de bezwaarprocedure - niet kan worden afgewacht. Hij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij hij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure. Juridische en beleidsmatige achtergrond 2.1 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (het college) heeft op 7 oktober 2014 besloten dat voor de woonboten incidentele toeristische verhuur is toegestaan mits dat aan een aantal voorwaarden voldoet. Hierdoor zouden de toeristische verhuur van woonboten gelijk worden behandeld als de toeristische verhuur van woningen. Aanvankelijk is geprobeerd dit te bereiken via aanpassing van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob). Nadien heeft het college de voorwaarden voor toeristische verhuur van woonboten in de beleidsregels van 16 februari 2016 neergelegd onder verwijzing naar het bestemmingsplan. 2.2 Voorwaarde voor toeristische verhuur is onder andere dat de verhuurder tevens hoofbewoner is van de woonboot en als zodanig staat ingeschreven bij (zoals in de beleidsregels genoemd) de Gemeentelijke basis administratie (GBA) en de vakantieverhuur niet meer dan 60 dagen per jaar bedraagt. Voor het voeren van bed and breakfast (B&B) in een woonboot stelt verweerder de voorwaarde dat daarvoor maximaal 40% van de oppervlakte van de woonboot wordt gebruikt. Ook geldt hier dat de verhuurder de hoofdbewoner is en staat ingeschreven in het GBA. Verder geldt voor beide typen verhuur onder meer dat er niet meer dan vier personen tegelijk mogen worden ontvangen. Concrete aanleiding voor het optreden van verweerder 3.1 Verzoekers zijn allen eigenaar van een woonboot die is afgemeerd in het centrum van Amsterdam. 3.2 Verweerder heeft meldingen ontvangen over het gebruik van die woonboten. Daarna is onderzoek gestart. Zo heeft verweerder via internet uitgezocht of de woonboten werden aangeboden voor verhuur. Tevens heeft verweerder na het ontvangen van een melding uitgezocht of er een ligplaatsvergunning was afgegeven en aan wie die was afgegeven. Verder heeft verweerder de GBA geraadpleegd en gecontroleerd welke personen op de betreffende adressen waren ingeschreven. Uit de GBA gegevens bleek dat op een aantal adressen geheel geen personen stonden ingeschreven en op sommige adressen stonden wel personen ingeschreven maar niet de eigenaar. Voor twee adressen geldt dat de eigenaar daar wel staat ingeschreven. 3.3 Toezichthouders van verweerder hebben daarna een buitenonderzoek gedaan door de woonboten te bezoeken. Van wat zij daar hebben aangetroffen hebben zij rapporten van bevindingen (rapporten) opgemaakt. Uit die rapporten blijkt dat er op de woonboten toeristen verbleven. Deze toeristen hebben allen verklaard de woonboot te enige tijd te huren en te hebben geboekt via een boekingswebsite. Ook hebben zij de medewerkers de boekingsbewijzen laten zien, met daarop bedragen die variëren van € 770,- voor drie dagen tot € 3.500,- voor zeven dagen. De toezichthouders van verweerder hebben de indeling en de inrichting van de woonboten bekeken. De toezichthouders hebben daarbij geen persoonlijke spullen van de eigenaren aangetroffen in de woonboten. Verweerder trekt mede daaruit de conclusie dat geen van de eigenaren er daadwerkelijk woont. Voor een aantal adressen heeft verweerder aan de hand van de rapporten vastgesteld dat er werd verhuurd aan meer dan vier personen. De handhavingsbesluiten van verweerder 4.1 Verweerder heeft in de dwangsombesluiten overwogen dat de woonboten worden gebruikt in strijd met het “bestemmingsplan Water” (bestemmingsplan) en in strijd met het beleid. Verzoekers wonen volgens verweerder niet zelf in hun woonboten, maar zij verhuren die voornamelijk aan toeristen. Bij zeven van de negen woonboten staan verzoekers niet in het GBA ingeschreven op het adres van de woonboot. Ook zijn er in de woonboten geen persoonlijke spullen van verzoekers aangetroffen. Ook is in een aantal gevallen gebleken van een verhuur aan meer dan vier toeristen. Daarom heeft verweerder verzoekers gelast het als hotelmatig aangeduide gebruik te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 50.000,-. Het spoedeisend belang 5.1 Verzoekers stellen dat van een spoedeisend belang sprake is. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij de beoordeling van de door hen verzochte voorlopige voorziening. Het gaat in de kern om een financieel belang. Daaraan heeft verweerder wel toegevoegd dat het hier voor verweerder niet gaat om een zwaarwegend punt, omdat niet alleen verzoekers, maar ook verweerder gebaat is bij een inhoudelijk oordeel van de voorzieningenrechter. 5.2 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. Daarbij wijst hij er nog op dat in zaken waarbij de hotelmatige verhuur in woningen aan de orde was, een dergelijk belang ook is aangenomen. De gronden van verzoekers 6.1 Ter zitting hebben verzoekers toegelicht dat het optreden van verweerder hen in een onzekere situatie brengt. De door verweerder gehanteerde criteria zijn voor hen onduidelijk. Verweerder treedt hun rechten als woonbooteigenaren met voeten. Een speciale machtiging was nodig voor het betreden van de woonboten. Er is gecontroleerd zonder “informed consent”. Een woonboot kan ook niet op dezelfde manier worden behandeld als een woning, want hij verschilt daarvan in vele opzichten. De dwangsom van € 50.000,- hangt als een zwaard van Damocles boven verzoekers. Zij weten niet meer wat te doen. Het logeren van een familielid kan hen al kapitalen kosten. Er wordt nu ook gedacht om de woonboot te gaan verkopen. 6.2 Verweerder meent dat zijn besluiten wel duidelijk zijn en juridisch deugdelijk onderbouwd. 6.3 De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het verleden onbetwist sprake was van een grijs gebied waar het betrof de tijdelijke verhuur op woonboten aan toeristen. Dat betekent echter niet dat verweerder thans niet zou mogen optreden. Op grond van de rechtspraak van de hoger beroepsrechter in zaken als deze, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6886, en vele daarna gewezen uitspraken) rust op de overheid de beginselplicht tot handhaving van de wet. Dat verweerder handhavend wenst op te treden in een illegale situatie, is op zich dus in overeenstemming met het recht. De illegale situatie 7.1 Verweerder meent dat sprake is van een illegale situatie. Verzoekers menen echter dat verweerder hun rechten als woonbooteigenaren met voeten treedt. Daarbij hebben zij met name gewezen op hun rechten als eigenaar en bewoner van de woonboten. 7.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het eigendomsrecht en het huisrecht fundamentele rechten zijn, die hun verankering vinden in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 7.3 Het eigendomsrecht is verankerd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarin is het volgende bepaald. Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Deze bepaling biedt dus uitdrukkelijk ruimte aan de nationale wetgever om regulerend op te treden. Wel zal de overheid de kern van het recht op eigendom dienen te respecteren, maar van een onvoorwaardelijke immuniteit tegen overheidsoptreden tegen eigendommen is dus geen sprake, eens te minder wanneer het optreden plaats vindt in het kader van het reguleren van eigendom, en niet het ontnemen daarvan. 7.4 Verweerder meent dat verzoekers niet woonachtig zijn op de woonboten. Of verzoekers ten aanzien van de woonboten een beroep op het (in artikel 8 van het EVRM neergelegde) huisrecht toekomt, is dus nog maar de vraag. De voorzieningenrechter overweegt dat zelfs indien een dergelijk beroep wel zou kunnen slagen, dient te worden opgemerkt dat in artikel 8 van het EVRM weliswaar een recht op respect voor eenieders woning is neergelegd, maar dat ook daar de mogelijkheid is geschapen voor de nationale wetgever om daarop bij wet beperkingen aan te brengen. Ook in dit opzicht is dus uiteindelijk de wettelijke grondslag van verweerders handelen van wezenlijk belang. De wettelijke grondslag 8.1 Verzoekers menen dat een deugdelijke wettelijke grondslag ontbreekt. Verweerder beroept zich vooral op beleid, en niet op de wet. Bovendien heeft onduidelijkheid bestaan over de juridische basis voor mogelijke handhaving op dat gebied: de Vob (die niet geldt voor woningen op de wal en die in de visie van verzoekers de voor de hand liggende grondslag zou zijn geweest), of het bestemmingsplan (dat geldt zowel voor woningen op de wal als voor woonboten op het water). 8.2 De voorzieningenrechter constateert dat onder het kopje “Geldende wet- en regelgeving” in de voornemens voor de thans in geding zijnde besluiten uitdrukkelijk is verwezen naar zowel de Vob, als naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), als naar het bestemmingsplan. Bij de hier in geding zijnde besluiten tot oplegging van een dwangsom heeft verweerder verwezen naar dezelfde juridische grondslag als in het voornemen. 8.3 Verzoekers hebben aangevoerd dat hen eerst bij de eerste zitting van de voorzieningenrechter in volle omvang helder werd dat het bestemmingsplan als grondslag voor handhaving werd gebruikt. De voorzieningenrechter overweegt dat, dat dan echter niet kan worden toegeschreven aan een onvoldoende motivering van de voornemens of de lasten. Er is verder ook geen rechtsregel die verweerder verbiedt om te veranderen van handhavingsgrondslag. Wel geldt de eis dat de gekozen grondslag ook feitelijk van toepassing is. 8.4 Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan is wettelijk verboden. Dat verbod is neergelegd in het (door verweerder ook aangehaalde) artikel 2.1, aanhef en onder c van de Wabo, dat niet alleen betrekking heeft op bijvoorbeeld woningen, maar ook op woonboten. 8.5 In zijn beleid heeft verweerder ook uitdrukkelijk verwezen naar het bestemmingsplan. De in de beleidsregels geformuleerde voorwaarden wettigen volgens verweerder de aanname dat in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan (en dus met artikel 2.1, aanhef en onder c, van de Wabo) wordt gehandeld. Er is dan ook geen reden om die regels op voorhand buiten beschouwing te laten wegens het ontbreken van een voldoende wettelijke grondslag. 8.6 Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de controles aan boord heeft gehandeld zonder voldoende wettelijke grondslag. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd als toezichthouder bevoegd te zijn tot de controles, gelet op het bepaalde in artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het eerste lid daarvan is het volgende bepaald: een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. 8.7 De handhavingsambtenaren hebben in alle gevallen van binnentreden daartoe toestemming verkregen van de aanwezige toeristen. Dat de toeristen bij die toestemming niet voldoende zijn geïnformeerd over het doel van het bezoek, is niet gebleken. Met name is niet aannemelijk dat bij die bezoeken niet (ook) is vermeld dat het ging om gemeentelijke controles naar het gebruik van de woonboten. 8.8 Deze toestemming is voldoende. In de memorie van toelichting bij de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) staat dat toestemming tot binnentreden door een bewoner zelf of namens hem door een ander kan worden gegeven, bijvoorbeeld door iemand die op de woning past. Van de ambtenaar die wenst binnen te treden, kan niet worden verlangd dat hij onderzoekt of degene die hem te woord staat, bevoegd is hem binnen te laten. Hij zal er in de regel van uit mogen gaan dat degene die hem te woord staat bewoner is of namens deze kan spreken. 8.9 Mede naar aanleiding van hetgeen verweerder ter zitting heeft opgemerkt, voegt de voorzieningenrechter hier nog het volgende aan toe. De regels over het binnentreden van woningen zien op bescherming van het huisrecht en niet op bescherming van de belangen van de huiseigenaar. Een niet bewonende eigenaar kan daarop dan ook niet met succes in rechte een beroep doen. 8.10 Verzoekers hebben ook nog aangevoerd dat de toezichthouder op het moment dat de woonboot werd betreden, een machtiging nodig had, wanneer voor dat betreden geen toestemming was gegeven. Ook dit argument slaagt niet. Weliswaar spreekt artikel 5:16 van de Awb van betreden van een woning, maar die bepaling kan niet los worden gezien van de Awbi, die in het bijzonder betrekking heeft op woningen. Het eerste lid van artikel 2, van de Awbi bepaalt het volgende: voor het binnentreden in (en dus niet: het betreden van) een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist. Voordat de controleurs zijn binnengetreden in de woonboten, hadden zij in alle gevallen toestemming van de aanwezige toeristen. Van strijd met de wet is dus ook in dit opzicht geen sprake. 8.11 Ook in dit opzicht is sprake van een voldoende wettelijke grondslag. De inhoud van de handhavingscriteria 9.1 Bij brieven van 16 februari 2016 heeft verweerder zijn keuze om te gaan handhaven en de daarbij geldende criteria uitdrukkelijk gecommuniceerd aan verzoekers. De voorzieningenrechter kan verzoekers dan ook niet volgen voor zover zij hebben gesteld dat verweerder nog steeds feitelijke onduidelijkheid heeft laten bestaan over de volgens verweerder feitelijk geldende regels. 9.2 In artikel 4.1 van de voorschriften van het (zowel in het voornemen als in het primaire besluit genoemde) bestemmingsplan is bepaald dat de in dat plan voor 'Water' aangewezen gronden (voor zover hier van belang) zijn bestemd voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.