RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/680154-16 Datum uitspraak: 23 december 2016 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] , gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.
(5218661)de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gevorderd. De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag. De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de bij verdachte inbeslaggenomen goederen. 10Benadeelde partij Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit € 540,86 (vijfhonderdveertig euro en zesentachtig eurocent), bestaande uit € 320,86 (driehonderdtwintig euro en zesentachtig eurocent) aan materiële schadevergoeding en € 220,00 (tweehonderdtwintig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat zij reeds opdracht heeft gegeven om enkele posten die de benadeelde partij in de vordering als materiële schade heeft opgevoerd, te weten de rugtas, de videocamera en de computermuis, aan hem te retourneren. De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 388,88 (driehonderdachtentachtig euro en achtentachtig eurocent), bestaande uit € 168,88 (honderdachtenzestig euro en achtentachtig eurocent) aan resterende materiële schade en € 220,00 (tweehonderdtwintig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 334,40 (driehonderdvierendertig euro en veertig eurocent), bestaande uit € 114,40 (honderdveertien euro en veertig eurocent) aan materiële schade en € 220,00 (tweehonderdtwintig euro) aan immateriële schade kan worden toegewezen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering wegens onvoldoende onderbouwing, aldus de raadsman. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 subsidiair ten laste gelegde schuldheling van de rugtas en de videocamera. Nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangegeven reeds opdracht te hebben gegeven om onder andere voornoemde goederen aan verdachte te retourneren, zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover die ziet op de rugtas en de videocamera, worden afgewezen. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade zal (gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde schuldheling. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij heeft zijn verzoek tot immateriële schadevergoeding onderbouwd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij zich sinds de inbraak moeite heeft om een veilige plek te vinden waar hij zich thuis voelt. Voorts blijkt uit de onderbouwing dat er bij de inbraak goederen zijn weggenomen die voor hem emotioneel zeer waardevol zijn. Nu verdachte blijkens hetgeen in rubriek 4 is vermeld zal worden vrijgesproken van de onder 5 primair ten laste gelegde inbraak en zal worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde schuldheling, is niet komen vast te staan dat de immateriële schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal derhalve ten aanzien van de immateriële schadevergoeding in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 10] De benadeelde partij [persoon 10] vordert als gevolg van het onder 7, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde € 768,00 (zevenhonderdachtenzestig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van verdachte heeft zich, gelet op zijn tot vrijspraak strekkende pleidooi, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Voor het geval de rechtbank zijn primaire standpunt tot vrijspraak niet volgt, heeft hij geen inhoudelijke opmerkingen. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 7 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 december 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. In het belang van [persoon 10] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 63, 311, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht. 12Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 4, 5 primair en 8 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 5 subsidiair, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels; Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking; Ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van schuldheling; Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde opzetheling; Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd en poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden. Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, groot 7 (zeven) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt. Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft. Stelt als bijzondere voorwaarden: Meldplicht Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die Reclassering Inforsa hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 11] . Hierna moet hij zich gedurende bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Inforsa dit noodzakelijk acht. Behandelverplichting – Ambulante behandeling Veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen en begeleiden door het ACT (Assertive Community Treatment)-team van Mentrum. Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang Veroordeelde wordt verplicht om vanaf de plaatsingsdatum bij [naam] , op het adres [adres 12] , of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Locatiegebod Verdachte zal vanaf de plaatsingsdatum bij [naam] op door de reclassering vooraf vastgestelde tijdstippen aldaar aanwezig zijn. Aan de reclassering wordt opdracht gegeven om per ommegaande de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van Elektronisch Toezicht op die locatie te onderzoeken. Bij gebleken haalbaarheid en uitvoerbaarheid wordt het locatiegebod gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel voor de duur van maximaal 6 (zes) maanden. Het verblijfsadres is vanaf de plaatsingsdatum bij [naam] , [adres 12] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De aansluiting van het elektronische controlemiddel kan plaatsvinden op het moment dat verdachte geplaatst wordt bij [naam] . Andere voorwaarden het gedrag betreffende Indien Reclassering Inforsa dit geïndiceerd acht, wordt veroordeelde aangemeld bij Indaad en werkt hij mee aan interventies, gericht op zijn financiële problematiek. Veroordeelde wordt in dat kader aangemeld bij schuldhulpverlening en/of een instantie voor bewindvoering. De rechtbank geeft opdracht aan Reclassering Inforsa om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: 2.00 STK Sleutel 5215110 4.00 STK Sleutelbos 5218661 Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor zover deze ziet op de materiële schadeposten rugtas en videocamera, ten bedrage van in totaal € 126,98 (honderdzesentwintig euro en achtennegentig eurocent). Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige deel van de vordering, bestaande uit de overige materiële schadeposten en de immateriële schade, niet-ontvankelijk. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [persoon 10] , wonende op het adres [adres 13] , tot een bedrag van € 768,00 (zevenhonderdachtenzestig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 december 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [persoon 10] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 10] , te betalen de som van € 768,00 (zevenhonderdachtenzestig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (25 december 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Spoel, voorzitter, mrs. M.A.E. Somsen en G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december
- De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.