RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751950-15 (EAB I) RK nummer: 15/7548 Datum uitspraak: 22 november 2016 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 november 2015 door the Law Enforcement Group of the Székesfehérvár Court of Law (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1973, laatst opgegeven woonadres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 januari 2016, 2 februari 2016, 7 juli 2016 en 8 november
- Deze laatste zitting heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is op de zitting van 8 november 2016 niet verschenen. Wel is verschenen de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens, advocaat te Maastricht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen: een vonnis van 10 maart 2011 van the Szekszárd Court of Law, met kenmerk: 2.Fk.509/2010/48; een vonnis van the Székesfehérvár Court of Law, effective as of 12 January 2009 met kenmerk: 6.Fk.31/2008/
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 maanden (vonnis 1) en 8 maanden (vonnis 2), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf van vonnis 1 resteert nog volledig. Van de straf van vonnis 2 resteert volgens het EAB nog een straf van 2 maanden. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen. De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd medeplegen van opzetheling 5Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Uit een schrijven van 6 juli 2016 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in de penitentiaire inrichting van Szombathely of Tiszalök. De rechtbank heeft op 4 augustus 2016 in een zaak (ECLI:NL:RBAMS:2016:4966), waarin sprake was van plaatsing in dezelfde justitiële inrichtingen, geoordeeld dat geen bewijzen zijn dat een reëel algemeen gevaar bestaat dat personen die in die inrichtingen zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Zij heeft geconcludeerd dat zij om die reden niet toekomt aan de tweede stap (punt 92 en volgende) van het in het arrest Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU) gegeven toetsingskader en de overlevering toegestaan. De raadsman heeft gewezen op het feit dat tegen de opgeëiste persoon een drietal EAB’s is uitgevaardigd, waarvan het laatste EAB (parketnummer: 13/751032-16) ziet op een strafrechtelijk onderzoek. Dit brengt volgens de raadsman mee dat de opgeëiste persoon in het kader van het nog lopende onderzoek mogelijk in een ander detentiecentrum terecht zal komen dan de twee penitentiaire inrichtingen van Szombathely of Tiszalök. Er is derhalve nog altijd onvoldoende duidelijkheid over de detentieomstandigheden in Hongarije, zodat de overlevering moet worden geweigerd, aldus de raadsman. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank ziet – gelet op het schrijven van 6 juli 2016 van de uitvaardigende justitiële autoriteit – geen reden te twijfelen aan het feit dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in detentiecentrum Szombathely of Tiszalök. De rechtbank komt overeenkomstig haar oordeel in de voornoemde zaak tot de conclusie dat er geen bewijzen zijn dat een reëel algemeen gevaar bestaat dat personen die in voornoemde twee inrichtingen zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Artikel 4 Handvest staat niet in de weg aan de overlevering. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 311, 350 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Law Enforcement Group of the Székesfehérvár Court of Law (Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. A.C. Enkelaar, voorzitter, mrs. M. Woerdman en A.K. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 november
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.