RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/759 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2016 in de zaak tussen [naam] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: H. van Drunen), en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigde: mr. M.L. Batting). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] ., te Delft. Procesverloop Bij besluit van 27 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) documenten aan eiser verstrekt. Bij besluit van 8 januari 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 10 april 2015 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit I gewijzigd. Eiseres heeft nadere gronden ingediend tegen het bestreden besluit II. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Pietermaat, [betrokkene] , juridisch adviseur bij verweerder, en [betrokkene] , coördinator Wob bij verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om [bedrijf] in de gelegenheid te stellen om als belanghebbende deel te nemen aan de procedure. Voorts heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het mandaatbesluit van de politie, waaruit volgens verweerder het door verweerder gestelde ondertekeningsmandaat aan het hoofd Juridische Zaken volgt, aan de rechtbank toe te zenden. De rechtbank heeft de zaak vervolgens naar de meervoudige kamer verwezen. Het onderzoek ter zitting is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer op 15 januari 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [betrokkene] en [betrokkene] . Overwegingen 1. Bij brief van 26 mei 2014 heeft eiser verweerder verzocht alle documenten openbaar te maken die betrekking hebben op correspondentie, contacten en contracten met [bedrijf] (of vergelijkbare namen). 2. Bij brief van 12 juni 2014 heeft verweerder eiser verzocht zijn verzoek te verduidelijken voor zover het de gevraagde correspondentie en contacten betreft. Eiser heeft hierop bij brief van 24 juni 2014 gereageerd. 3. Bij het primaire besluit heeft verweerder beslist op eisers verzoek. Er zijn bij onderzoek veertien documenten aangetroffen, aldus verweerder. Het betreft: het ARVODI (Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten) met onderliggende raamovereenkomst, vier aanvullende onderliggende contracten, diverse offertes en goedkeuringen van offertes en een drietal inkoopopdrachten. Openbaarmaking van een (groot) deel van de inhoud van de documenten is geweigerd. Hieraan heeft verweerder het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, onder c, en onder e, van de Wob, alsmede het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wob, ten grondslag gelegd. Verweerder heeft volstaan met een algemene motivering zonder in de documenten zelf aan te geven op welke passage welke weigeringsgrond van toepassing is. De reden daarvoor is dat de kans bestaat, als per pagina gemotiveerd zou worden aangegeven waarom de informatie wordt geweigerd, dat daarmee bepaalde informatie onbedoeld alsnog openbaar wordt gemaakt, aldus verweerder. 4. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij – samengevat weergegeven – verwezen naar de openbaarmakingsregeling in de Aanbestedingswet 2012 die derogeert aan de Wob. Verder heeft verweerder te kennen gegeven dat de hoorzitting met de gemachtigde van eiser niet heeft plaatsgevonden in het bijzijn van [bedrijf] , omdat om gewichtige redenen de geheimhouding was geboden op grond van artikel 7:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [bedrijf] zou de bezwaren van openbaarmaking niet kunnen uiten, zonder te verklaren over de inhoud, aldus verweerder. 5. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit I gewijzigd. Volgens verweerder is de overheidsopdracht tot levering van diensten en producten door [bedrijf] geheim verklaard. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar het meegestuurde Besluit van het algemeen bestuur vts Politie Nederland van 31 januari 2008 tot geheimhouding van diensten, leveringen en werken ten behoeve van bouw-, onderhouds- en inrichtingswerkzaamheden aan het hoogbeveiligde rekencentrum van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland (Besluit geheimverklaring). Overheidsopdrachten die geheim zijn verklaard worden op grond van artikel 2.23, eerste lid, onder e, van de Aanbestedingswet 2012 volledig onttrokken aan het regime van de Europese aanbestedingsrichtlijnen en aldus aan het regime van de Aanbestedingswet 2012. Vanwege de geheimverklaring van de inkoop van infrastructuur voor de verwerking van (staats)geheime informatie, is het openbaarheidsregime van de Aanbestedingswet 2012 dan ook niet van toepassing op de documenten betreffende de levering van ICT-producten en diensten door [bedrijf] . Dit betekent dat de Wob in volle omvang van toepassing is op het verzoek van eiser. De documenten die onder de reikwijdte van het verzoek van eiser vallen, zijn documenten die naar strekking en inhoud overeenkomen. De contracten, inkoopopdrachten en offertes bevatten telkens informatie over aanbod en aanvaarding van de levering van ICT-producten en –diensten van [bedrijf] aan de politie. Aan de geweigerde passages liggen steeds dezelfde weigeringsgronden ten grondslag. Een motivering per (onderdeel van een) document dient derhalve geen redelijke doel, aldus verweerder. Verweerder heeft de openbaarmaking van de betreffende passages geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder b en onder c, artikel 10, tweede lid, onder a, b, c, e en g, en artikel 11 van de Wob. Ten slotte heeft verweerder erop gewezen – naar aanleiding van eisers opmerking dat eiser in aanwezigheid van [bedrijf] gehoord zou moeten worden – dat [bedrijf] heeft aangegeven geen behoefte te hebben om te worden gehoord. 6. Verweerder heeft ter zitting op 15 januari 2016 verklaard dat bij het bestreden besluit II de motivering van het bestreden besluit I is gewijzigd en dat het bestreden besluit I niet als ingetrokken moet worden beschouwd. Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn beroepsgronden die betrekking hebben op de Aanbestedingswet 2012 niet langer handhaaft. Eiser handhaaft wel de beroepsgrond over schending van artikel 7:6 van de Awb en zijn verwijzing naar de bezwaargronden over de Wob. Deze gronden van eiser komen ook in het bestreden besluit II aan de orde en de rechtbank zal die gronden, die overeenkomen met de aanvullende gronden van eiser van 29 mei 2015, in het kader van de beoordeling van het bestreden besluit II behandelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit I en zal eisers beroep tegen het bestreden besluit I dan ook niet-ontvankelijk verklaren. 7.1. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder artikel 7:6 van de Awb heeft geschonden, nu [bedrijf] niet in zijn bijzijn is gehoord. Verweerder heeft verzuimd [bedrijf] uit te nodigen voor de hoorzitting in de bezwaarprocedure. Volgens eiser is het niet ondenkbaar dat [bedrijf] wel was verschenen als hij tijdig was uitgenodigd voor de hoorzitting. 7.2. Op grond van artikel 7:6, eerste lid, van de Awb worden belanghebbenden in elkaars aanwezigheid gehoord. De rechtbank stelt vast dat [bedrijf] niet is uitgenodigd voor de hoorzitting op 5 november 2014 en ook overigens niet is gehoord in het kader van de bezwaarprocedure. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat [bedrijf] is ingelicht over het bezwaar van eiser, maar dat [bedrijf] geen behoefte had om te worden gehoord. Dat volgt volgens verweerder ook uit telefoonnotities en correspondentie per e-mail tussen verweerder en [bedrijf] , die zich ook in het dossier bevinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan het vereiste in artikel 7:6, eerste lid, van de Awb. Evenmin is gebleken dat verweerder [bedrijf] met een beroep op artikel 7:6, tweede lid, van de Awb afzonderlijk van eiser heeft gehoord. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit II. Deze laatste bepaling strekt er immers toe dat belanghebbenden weten wat er buiten elkaars aanwezigheid is verhandeld. Verweerder heeft hierin voorzien door eiser na de hoorzitting bij brief van 18 november 2014 alsnog de telefoonnotities en correspondentie tussen verweerder en [bedrijf] over de bezwaarprocedure toe te sturen, waarin wordt aangegeven dat [bedrijf] op de hoogte is van de bezwaarprocedure. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek aan informatievoorziening van de zijde van verweerder hiermee voldoende is hersteld en eiser hierdoor niet is benadeeld. Tevens is genoegzaam gebleken dat [bedrijf] geen noodzaak zag om een zienswijze in te dienen dan wel in bezwaar te worden gehoord. De rechtbank passeert het geconstateerde gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. 8.1. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit II onbevoegd is genomen, nu dit is ondertekend door het hoofd Juridische Zaken en de bevoegdheid hiertoe niet aan hem is gemandateerd. Het hoofd Juridische Zaken is op grond van het Mandaatbesluit Politie maart 2015 (het Mandaatbesluit) wel bevoegd om te beslissen op verzoeken op grond van de Wob, maar niet op bezwaarschriften gericht tegen besluiten op dergelijke verzoeken. 8.2. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Mandaatbesluit wordt het volgende mandaat verleend aan de directeur Korpsstaf en bij diens ontstentenis aan het hoofd Juridische Zaken: ondertekeningsmandaat voor de besluiten van de korpschef op verzoeken op grond van de Wob als bedoeld in artikel 2.1, sub m. 8.3. De rechtbank is van oordeel dat het hoofd Juridische Zaken op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b slechts mandaat heeft verkregen voor het ondertekenen van een besluit op een verzoek op grond van de Wob. Uit het artikel, noch uit het daarin genoemde artikel 2.1, sub m, van het Mandaatbesluit, blijkt dat aan het hoofd Juridische Zaken tevens mandaat is verleend om beslissingen op bezwaar tegen dergelijke verzoeken te ondertekenen. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat er geen specifieke bepaling in het Mandaatbesluit is opgenomen ter zake van beslissingen op bezwaar in dit kader, maar dat artikel 5.1. van het Mandaatbesluit zo moet worden gelezen dat dit ook het ondertekeningsmandaat betreft voor beslissingen op bezwaar tegen besluiten op Wob-verzoeken. De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog, nu dit niet blijkt uit het Mandaatbesluit noch uit enig ander stuk. Dit betekent dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt. 8.4. Nu uit de proceshouding van verweerder blijkt dat hij het bestreden besluit voor zijn rekening neemt ziet de rechtbank aanleiding het gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb te passeren. 9. Eiser heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat het hem ten aanzien van zijn Wob-verzoek in beroep uitsluitend nog gaat om openbaarmaking van de contracten en niet (langer) om de correspondentie en contacten die hij in zijn aanvankelijke Wob-verzoek heeft genoemd. 10.1. Eiser heeft aangevoerd dat het Besluit geheimverklaring niet de openbaarmakingsregeling in de Wob terzijde kan schuiven. Volgens eiser stelt verweerder dat sprake is van staatsgeheime informatie, hetgeen eiser bestrijdt, want geen van de (deels) verstrekte stukken is gerubriceerd op basis van het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst, de regeling met betrekking tot staatsgeheime informatie. 10.2. De rechtbank begrijpt dat verweerder het Besluit geheimverklaring in de besluitvorming niet heeft genoemd als weigeringsgrond, maar dat hij slechts naar dit Besluit heeft verwezen ter motivering van de toepasselijkheid van de weigeringsgronden. Verweerder heeft deze verwijzing dus niet gebruikt om de Wob terzijde te schuiven. Verweerder heeft dit ter zitting op 15 januari 2016 desgevraagd bevestigd. Het Besluit is genoemd om aan te geven dat de Aanbestedingswet niet van toepassing is omdat de levering van producten en diensten van [bedrijf] onder het Besluit vallen en om de hoge mate van vertrouwelijkheid van de niet openbaargemaakte informatie te benadrukken. Omdat de beroepsgrond berust op een onjuiste lezing van het standpunt van verweerder, slaagt deze niet. 11.1. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte in de openbaargemaakte documenten ten aanzien van de weggelakte passages niet inzichtelijk heeft gemaakt welke passages op welke grond van de Wob zijn geweigerd. Dit is in strijd met de motiveringsplicht. 11.2. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting op 15 januari 2016 telefonisch en per brief (van 6 januari 2016) meegedeeld dat de rechtbank vooralsnog van oordeel is dat het noodzakelijk is dat verweerder bij de weggelakte passages in de openbaar gemaakte stukken – per passage – aangeeft welke weigeringsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.