RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/6303 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder. Procesverloop Bij beroepschrift van 3 oktober 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op de aanvraag van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten. Overwegingen 1.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank om, in afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 8:42, eerste lid van de Awb, binnen twee weken de op procedure betrekking hebbende stukken te overleggen en een verweerschrift aan de rechtbank te doen toekomen. De rechtbank zal dan ook uitspraak doen op basis van de door eiser overgelegde stukken. 1.2 Eiser heeft bij faxbericht van 14 juli 2016 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wob minuten aan eiser te verstrekken. 1.3 Eiser heeft verweerder vanwege het uitblijven van een besluit op de aanvraag bij faxbericht van 15 september 2016 in gebreke gesteld en verweerder verzocht om alsnog op de aanvraag te beslissen. 1.4 Tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag heeft eiser bij beroepschrift van 3 oktober 2016 beroep ingesteld en de rechtbank verzocht verweerder op te dragen alsnog de verzochte informatie te verstrekken op straffe van een dwangsom. Ook heeft eiser verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsommen vast te stellen. Tevens is verzocht te bepalen dat verweerder de proceskosten aan eiser dient te vergoeden. 2.1 Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. 2.2 Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 2.3 Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet noodzakelijk is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. 2.4 Artikel 8:55c van de Awb bepaalt dat indien het beroep gegrond is, de rechtbank desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vaststelt. 2.5 Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. 2.6 Ingevolge artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, verbindt de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. 3.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser van 14 juli 2016, blijkens het door eiser overgelegde faxrapport van dezelfde datum, heeft ontvangen. Bij brief van 9 augustus 2016 heeft verweerder de beslistermijn van vier weken, zoals bepaald in artikel 6, eerste lid, van de Wob, op grond van het tweede lid van dit artikel verlengd met vier weken. Dit brengt met zich dat verweerder uiterlijk 8 september 2016 een beslissing op de aanvraag van eiser had moeten nemen. De rechtbank constateert dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. 3.2 Eiser heeft verweerder bij faxbericht van 15 september 2016 in gebreke gesteld, hetgeen blijkens het door eiser overgelegde faxrapport op dezelfde datum door verweerder is ontvangen. Het beroepschrift van eiser is op 3 oktober 2016 door de rechtbank ontvangen. Er zijn meer dan twee weken verstreken na de ingebrekestelling alvorens eiser het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingesteld. Aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan en niet is gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser. 3.3 Gelet op het vorenstaande is het beroep derhalve kennelijk gegrond. 4.1 De rechtbank stelt gelet op het verzoek van eiser daartoe, op grond van artikel 8:55c van de Awb de door verweerder ingevolge afdeling 4.1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.