vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/601033 / HA ZA 16-87 Vonnis van 22 maart 2017 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. O.F.J. Moorman van Kappen te Nijmegen, tegen naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eisers gezamenlijk] (mannelijk meervoud) en ABN AMRO of de Bank worden genoemd. Eiser sub 1 zal afzonderlijk [eiser sub 1] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 13 januari 2016 met producties; de conclusie van antwoord met producties het tussenvonnis van 15 juni 2016, waarbij een comparitie is bepaald; het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2016 met de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De Bank heeft jarenlang als huisbankier van [eisers gezamenlijk] gefungeerd. [eisers gezamenlijk] hebben op 1 juni 2003 de aandelen van hun onderneming [bedrijf] voor een bedrag van € 815.000,- verkocht. 2.2. Vervolgens hebben [eisers gezamenlijk] bij drie verschillende banken, te weten Van Lanschot, de Rabobank en ABN AMRO, advies gevraagd over de manier waarop zij het vrijgekomen bedrag en een deel van hun gespaarde vermogen (bij elkaar opgeteld een bedrag van ongeveer € 1.200.000,-) zouden kunnen beleggen, op zodanige wijze dat zij van de opbrengsten ervan zouden kunnen leven. 2.3. In dit verband zijn [eisers gezamenlijk] in het najaar van 2003 door de Bank geïntroduceerd bij [naam 1] (hierna: [naam 1] ), beleggingsadviseur bij de Bank. Op 14 november 2003 heeft [naam 1] [eisers gezamenlijk] (thuis) voorgelicht over de mogelijkheden van beleggen via de Bank. Bij die gelegenheid is [naam 1] aan de hand van een PowerPointpresentatie ingegaan op de verschillen tussen beleggingsadvies en vermogensbeheer. [eisers gezamenlijk] zijn hierbij met het oog op risicospreiding gewezen op de ‘asset mix’: spreiding van het te beleggen vermogen over aandelen, obligaties, onroerend goed en liquiditeiten. 2.4. Op 5 december 2003 heeft de Bank een schriftelijk beleggingsvoorstel aan [eisers gezamenlijk] uitgebracht. Hierin staat het volgende vermeld: “(..) Uitgangspunten In dit voorstel houden wij rekening met de volgende uitgangspunten, namelijk: Uw belegbaar vermogen bedraagt circa EUR 1.200.00,-; U wenst een inkomen van minimaal EUR 48.000,- per jaar te genereren uit uw beleggingen, middels vastrentende waarden; U wenst het kapitaal zoveel mogelijk in stand te houden; U wenst te beleggen conform een defensieve strategie (te weten portefeuillemodel II); Uw beleggingshorizon is niet gedefinieerd. Rendement, risico en samenhang (..) Het kenmerk van een risicovolle belegging is dat uitschieters, zowel in negatieve als positieve zin, groot kunnen zijn. Beleggingen met een gering risico daarentegen kenmerken zich door een resultaat dat nooit al te ver van het te verwachten resultaat zal afwijken. In het algemeen geldt dat naarmate het verwachte rendement van een belegging groter is, het erbij behorende risico ook groter is. Portefeuillemodellen Een portefeuillemodel van ABN AMRO adviseert u geld te spreiden over de verschillende beleggingscategorieën, in die combinatie die het best bij u past. Er zijn 6 modellen, variërend van zeer defensief (model I) tot zeer offensief (model VI). De omschrijving van de modellen is als volgt: I. (..) II. U realiseert zich dat beleggen bij vermogensopbouw op langere termijn verstandig is, maar u wilt de risico’s zoveel mogelijk beperken (defensief). III. (..)”. Uit het verdere voorstel blijkt dat de Bank bij het defensieve model II doorgaans een mix van aandelen (17%), onroerend goed (4%), obligaties (50%) en liquiditeiten (29%) adviseert. In dit geval heeft de Bank [eisers gezamenlijk] evenwel voorgesteld om, uitgaande van een beschikbaar vermogen van € 1.200.000,-, een bedrag van € 1.175.000,- in obligaties te beleggen en een bedrag van € 25.000,- liquide te laten. In dit kader is voorgesteld om de kern van de obligatieportefeuille te laten bestaan uit Nederlandse staatsobligaties (met een nominale hoofdsom van € 250.000,-), aangevuld met twee perpetuele obligaties: Aegon perp., met een couponrente van 6,875% en een nominale hoofdsom van € 225.000,-, en Credit Agricole Perp., met een couponrente van 6,125% en een nominale hoofdsom van € 175.000,-. Op basis van de voorgestelde obligatie- en liquiditeiten-portefeuille zouden de totale inkomsten voor [eisers gezamenlijk] naar verwachting jaarlijks € 64.707,- bedragen. Daarmee zou het gemiddeld bruto rendement jaarlijks 5,39% zijn. 2.5. [eisers gezamenlijk] hebben [naam 1] vervolgens telefonisch laten weten dat zij het door de Bank geadviseerde rendement te laag vonden. 2.6. Bij brief van 9 december 2003 heeft [naam 1] [eisers gezamenlijk] hierop een gewijzigd voorstel toegezonden. In dit voorstel zijn de Nederlandse staatobligaties met een nominale hoofdsom van € 250.000,- vervangen door (risicovollere) perpetuele obligaties AVIV 015 Perp 5,70%. Blijkens de begeleidende brief van [naam 1] was met betrekking tot Credit Agricole Perp. vastgesteld dat de coupon geen 6,125%, maar 6,0% zou bedragen. Om die reden is in het voorstel de nominale waarde van deze obligaties gewijzigd in € 200.000,- (in plaats van de aanvankelijke € 175.000,-). De aan te houden liquiditeiten van € 25.000,- zijn hiermee komen te vervallen. Op basis van dit voorstel zouden de totale inkomsten voor [eisers gezamenlijk] naar verwachting jaarlijks € 70.031,25,- bedragen. 2.7. Naar aanleiding van dit voorstel heeft er op 12 december 2003 een overleg tussen [eiser sub 1] en [naam 1] plaatsgevonden. [eiser sub 1] heeft [naam 1] vervolgens laten weten dat zijn vrouw en hij ook met de voorgestelde wijzigingen geen genoegen namen en heeft in dit verband gewezen op een voorstel dat zij van Van Lanschot hadden ontvangen. In het voorstel van Van Lanschot waren perpetuele obligaties Resparcs Funding II Perp. 7,5% (hierna: Resparcs en de Resparcs-obligaties) opgenomen, waarmee een hoger jaarlijks rendement zou worden behaald. [eiser sub 1] heeft [naam 1] gevraagd om naar Resparcs te kijken om te bezien of een belegging in die obligaties wat voor hen zou zijn en om een nieuw voorstel, vergelijkbaar met dan wel beter dan dat van Van Lanschot, uit te brengen. 2.8. [naam 1] heeft [eisers gezamenlijk] vervolgens op 16 december 2003 het volgende bericht: “(..) Naar aanleiding van ons prettige gesprek d.d. 12 december jongstleden, alsmede ons telefoongesprek van hedenochtend zenden wij u bijgaand een nieuw financieel overzicht betreffende het obligatievoorstel. (..)”. Blijkens het bijgevoegde financiële overzicht zijn in dit obligatievoorstel de perpetuele obligaties AVIV 015 Perp 5,70% vervangen door Resparcs-obligaties (met opnieuw een nominale hoofdsom van € 250.000,-), hetgeen betekende dat voor een bedrag van € 525.000,- in (gewone) obligaties en voor een bedrag van € 675.000,- in perpetuele obligaties zou worden belegd. Op basis van deze portefeuille zouden de totale inkomsten voor [eisers gezamenlijk] jaarlijks € 74.531,25 bedragen. Het gemiddeld bruto rendement zou per jaar (afgerond) 6,21% zijn. 2.9. Omdat [eisers gezamenlijk] zich in deze uitkomst konden vinden, hebben zij eind december 2003 een effectenrekening met kredietfaciliteit bij de Bank geopend, waarna op 6, 7, 9 en 14 januari 2004 beleggingen zijn gerealiseerd.Blijkens een obligatieoverzicht hadden [eisers gezamenlijk] op 19 februari 2004 de volgende (perpetuele) obligaties in portefeuille: 4,5% AAB ’13 BB, met een nominale waarde van € 100.000,-; 4,75 AAB ’14, met een nominale waarde van € 80.000,-; 6,875% AEGON PERP AO, met een nominale waarde van € 225.000,-; 6,25% AHOLD USA ’06, met een nominale waarde van fl. 440.000,-; 6,0% CRED AGR PERP, met een nominale waarde van € 200.000,-; 4,5% ESSENT ’13, met een nominale waarde van € 159.000,-; 7,5% RESP FUN PERP, met een nominale waarde van € 250.000,-. Totaal: € 1.014.000 + (fl. 400.000,- =) € 181.510 = € 1.195,510,-. 2.10. Op 15 juni 2005 heeft [eiser sub 1] [naam 1] per e-mail het volgende bericht: “(..) Is de nieuwe obligatie: Robeco Diversified Income Juli 05/15 iets voor ons voor € 200.000,00? Wat zijn jouw verwachtingen hiervan? (..)”. 2.11. [naam 1] heeft [eiser sub 1] diezelfde dag per e-mail het volgende geantwoord: “(..) De Robeco Div. Income Obligatie is een mooi product, maar heeft als nadeel dat vooraf niet kan worden bepaald hoeveel coupon er halfjaarlijks wordt uitgekeerd. Dit is afhankelijk van de prestaties van de onderliggende portefeuille. Voordelen zijn dat het een AAA-rating heeft en een historisch gesimuleerd jaarrendement van 8,8% heeft. Desalniettemin zou ik hier niet voor EUR 200.000,- maar maximaal voor EUR 100.000,- op inschrijven. De AAB lening is verkocht en heeft EUR 89.700,- opgebracht, welke samen met tlv de spaarrekening over te boeken EUR 10.300,- wordt herbelegd in de 5,25% Royal Bank of Scotland Perp. De herbelegging heeft als valutadatum 28-6, dus ik verzoek je de overboeking uiterlijk 27-6 te laten plaatsvinden. (..)”. 2.12. Op 23 juni 2015 heeft [eiser sub 1] [naam 1] , voor zover hier van belang, het volgende per e-mail bericht: “(..) Ik zou graag de Obligatie 4,5% Essent 13 nominaal € 159.000,00 met de huidige koerswinst willen verkopen. (..) Vervolgens wil ik € 170.000,00 herbeleggen in de Obligatie: Robeco Diversified Income Jul 05/15. Ondanks jouw zeer gewaardeerde advies om hier maar voor maximaal € 100.000,00 in te stappen, begrijp ik jouw mening wel, maar wil ik toch voor mijn eigen risico hier voor € 170.000,00 in stappen. (veilige belegging en ik ben eigenwijs) Zou jij a.u.b. e.a. z.s.m. kunnen regelen en mij iets laten weten? (..)”. 2.13. Op 29 juni 2005 hebben [eisers gezamenlijk] op advies van de Bank perpetuele obligaties van Royal Bank of Scotland (hierna: RBS en de RBS-obligaties) met een couponrente van 5,25% en een nominale hoofdsom van € 100.000,- aangekocht. 2.14. Per e-mail van 10 februari 2006 hebben [eisers gezamenlijk] de Bank bericht dat zij een drietal obligaties, waaronder hun Robeco-obligaties, wensten te verkopen. [eiser sub 1] schrijft in deze e-mail: “(..) Wij zoeken vaste gegarandeerde couponopbrengsten van ongeveer 6% of meer, daar is onze portefeuille op gebaseerd bij aanvang omdat wij van onze couponopbrengsten willen leven en het kapitaal in stand willen houden. Wij weten dat dit op dit moment moeilijk is, ik wil dit graag ook zelf uitzoeken, maar kan dit niet omdat ik de vele voorwaarden en haken en ogen van obligaties niet zelf kan achterhalen. (..) De 2 beleggingen van Robeco worden steeds minder waard en hebben geen couponopbrengst dus misschien beter nu het verlies nemen en opnieuw starten? De belegging van Aegon heeft veel te lage couponopbrengst voor ons. (..)”. 2.15. Op 21 april 2006 hebben [eisers gezamenlijk] opnieuw RBS-obligaties aangekocht met een couponrente van 5,25% en een nominale hoofdsom van € 50.000,-. 2.16. Op 10 januari 2008 heeft de Bank [eisers gezamenlijk] gebeld met het verzoek op korte termijn een afspraak in te plannen om de in de portefeuille aangehouden perpetuele obligaties te bespreken, nu zij op dat moment voor € 700.000,- in deze obligaties hadden belegd en daarmee verhoudingsgewijs dus meer risico liepen. [eiser sub 1] heeft de Bank hierop laten weten dat hij zijn portefeuille niet wilde veranderen en rustig wilde afwachten totdat hij kon aflossen. In een gesprek dat op 7 juli 2008 heeft plaatsgevonden heeft [eiser sub 1] de Bank opnieuw laten weten dat hij tevreden is met het rendement en dat hij weinig tot niets zal wijzigen in het depot, omdat de koersen laag staan en hij kiest voor rente. 2.17. Bij brief van 31 december 2008 heeft de Bank [eisers gezamenlijk] het volgende bericht: “In het kader van onze zorgplicht willen wij onze effectendienstverlening zo goed mogelijk afstemmen op uw persoonlijke situatie. (..) Het portefeuillemodel geeft een aanbevolen spreiding voor uw beleggingsportefeuille over aandelen, obligaties, onroerend goed en liquiditeiten (spaartegoeden). (..) Om uw beleggingsportefeuille goed te laten aansluiten bij het door u gekozen portefeuillemodel, geven wij u in overweging: uw belang in aandelen met circa EUR 37.900,- uit te breiden. uw belang in obligaties met circa EUR 146.000,- te reduceren. uw belang in onroerend goed ongewijzigd te laten. uw belang in liquiditeiten met circa EUR 108.000,- uit te breiden. (..)”. Bij deze brief was een obligatie-overzicht per 31 december 2008 gevoegd waarop onder meer de slotkoers van de aangehouden (perpetuele) obligaties te zien was. 2.18. Naar aanleiding van deze brief hebben [eisers gezamenlijk] de Bank op 28 januari 2009 gebeld met de vraag waarom de koersen van zijn perpetuele obligaties zo laag stonden. In 2009 is de koers van de Resparcs-obligaties (van 110% in 2005) gedaald naar (minder dan) 5%. 2.19. Op 30 juni 2009 werd de couponrente van de Resparcs-obligaties (ad € 18.750,-), anders dan in de voorgaande jaren, voor het eerst niet uitbetaald. 2.20. Begin juli 2009 heeft [eiser sub 1] hierover eerst telefonisch en later schriftelijk bij de Bank geklaagd. Hij schrijft: “(..) Wij hebben in 2003 ons bedrijf verkocht om met de opbrengst ervan en spaargeld onbezorgd te kunnen gaan leven. (..) Wij wilden absoluut geen of zo weinig mogelijk risico’s lopen dat ons kapitaal verloren ging en wilden gegarandeerde rente inkomsten per jaar. Aandelen, onroerend goed en obligaties met variabele coupons kwamen zeker niet in aanmerking omdat dit voor ons te risico gevoelig was en dit niet bij ons profiel paste. Ze brachten misschien veel hogere opbrengsten zeker in die tijd maar wij kozen voor zekerheid en mindere opbrengsten maar dan wel gegarandeerd ieder jaar. Op jullie advies kwamen we toen bij obligaties met vaste gegarandeerde coupons terecht. Deze waren van aanschaf wel duurder maar beter door zekerheid. Wij wilden alleen maar veilige obligaties met zeer goede ratings en wat voor ons zeer belangrijk was dat die obligaties vaste gegarandeerde coupon opbrengsten gaven waarvan wij konden leven. (..) Wij hebben bij het afsluiten van onze portefeuille en verschillende keren bij gesprekken daarna duidelijk aan jullie gevraagd wat er met de coupon opbrengsten van onze portefeuille kan gebeuren en of deze altijd gegarandeerd uit zouden betalen want wij hebben altijd aangegeven voor zekerheid te gaan en niet te gokken. Jullie antwoord hierop was altijd dat ze altijd gegarandeerd de afgesproken coupon uit zouden betalen. BEHALVE ALS ZE OM ZOUDEN VALLEN MAAR DAN ZOU HEEL NEDERLAND FAILLIET ZIJN. Dit waren jullie letterlijke woorden. Voor ons was dit enige risico aanvaardbaar. (..)”. Ten aanzien van de Resparcs-obligaties heeft [eiser sub 1] in deze brief nog het volgende opgenomen: “(..) Er werd voor ons een portefeuille samengesteld waaronder ook o.a. Resparcs Funding II (..). Bij eerdere navraag bij ABN-Amro wist niemand iets van de voorwaarden en of deze wel uit gaat betalen. Dat vonden wij raar omdat wij deze obligatie van jullie gekocht hebben en dat jullie dan ook de voorwaarden wel dienden te weten, sterker nog jullie konden Resparcs Funding II (..) helemaal niet. (..)”. 2.21. Bij brief van 27 november 2009 heeft de Bank hierop de volgende reactie gegeven: “(..) Allereerst benadrukken wij nogmaals dat in de relatie tussen u en de bank alle transacties in beginsel voor uw eigen rekening en risico worden verricht, ook indien deze op advies van de bank zijn aangegaan. Ons is niet gebleken van vermogensbeheer. U geeft in uw advies aan dat u de belegging in Resparcs heeft uitgevoerd op advies van de bank. In het aan u uitgebrachte beleggingsvoorstel is deze belegging echter niet opgenomen. Klaarblijkelijk is deze belegging na het uitbrengen van het voorstel besproken. De bank en u verschillen van mening over op wiens initiatief deze belegging is besproken. Belangrijk hierbij is dat u uiteindelijk zelf de beslissing heeft genomen om een deel van uw vermogen in deze obligatie te beleggen, waarbij u voor eigen rekening en risico heeft gehandeld. (..)”. 2.22. Op 28 november 2009 heeft [eiser sub 1] bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (het KiFiD) een klacht ingediend tegen de Bank. De klacht hield in dat [eiser sub 1] in 2004 onjuist of onvolledig is geadviseerd over zijn obligaties: de Bank zou hebben meegedeeld dat op alle obligaties in de portefeuille gegarandeerd een coupon zou worden uitbetaald. De Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft de klacht op 1 maart 2010 onbemiddelbaar geacht. De (substituut) Ombudsman heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen dat de stellingen diametraal tegenover elkaar staan, nu de Bank heeft ontkend dat aan [eiser sub 1] is gegarandeerd dat de coupon te allen tijde zou worden uitbetaald. Omdat thans niet meer is na te gaan wat de Bank tegen [eiser sub 1] heeft gezegd, kan geen oordeel worden geveld over de klacht. Hierbij is ten overvloede opgemerkt dat in de regel nooit garanties worden gegeven, dat het risico op niet uitbetalen een risico is dat voor rekening van de belegger komt en dat banken uitbetaling van de coupon nimmer zullen kunnen garanderen, omdat zij daar geen invloed op hebben. 2.23. Op 18 december 2009, 7 maart 2011 en 25 augustus 2011 heeft Resparcs bericht dat de couponrentes van 30 juni 2010, 30 juni 2011 en 30 juni 2012 zijn komen te vervallen. In het jaarverslag 2012, 2013 en 2014 van Resparcs staat vermeld dat ook de couponrentes van 30 juni 2013, 30 juni 2014 en 30 juni 2015 komen te vervallen. In het laatste jaarverslag wordt verder de verwachting uitgesproken dat betaling van de couponrente op zijn vroegst kan worden hervat in 2018. 2.24. Op 20 mei 2010 heeft NYSE Euronext bekend gemaakt dat met betrekking tot de RBS-obligaties op 21 mei 2010 en 21 mei 2011 geen couponrente (voor [eisers gezamenlijk] een bedrag van € 7.875,-) zal worden betaald. Op 10 mei 2012 bericht NYSE Euronext dat de uitbetaling van de couponrente van de RBS-obligaties per 14 mei 2012 zal worden hervat. 3Het geschil 3.1. [eisers gezamenlijk] vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.