RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummers: 13/701045-17 (A) + 13/703337-16 (B) Datum uitspraak: 3 mei 2017 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] te [woonplaats] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam penitentiaire inrichting] ” te [plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1 Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2017. 1.2 De rechtbank heeft ter terechtzitting de voeging bevolen van de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. 1.3 De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.C. van Dijk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.M. Beg, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging 2.1 Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan Zaak A: 1. diefstal van een fiets door middel van braak en/of verbreking, toebehorende aan [slachtoffer A] , op 9 januari 2017 te Amsterdam; 2. diefstal door middel van braak en/of verbreking, in de periode van 15 maart 2016 tot en met 12 december 2016 te Amsterdam, van: 40 euro toebehorende aan [slachtoffer B] ; 130 euro toebehorende aan [slachtoffer C] ; 390 euro toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf 1] schoenen; een hoeveelheid geld en/of meerdere goederen toebehorende aan stomerij [naam bedrijf 2] ; 3. poging tot diefstal van geld en/of goederen toebehorende aan [slachtoffer D] door middel van braak en/of verbreking op 10 december 2016 te Amsterdam; 4. vernieling van ruiten/toonbanken/vuilnisbakken/een kluis en een vensterbank, toebehorende aan [slachtoffer E] op 14 maart 2016 te Amsterdam; Zaak B: 1. Primair: diefstal van geld en/of goederen toebehorende aan het bedrijf ‘ [naam bedrijf 3] ’ door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming op 16 december 2016 te Amsterdam; Subsidiair: poging tot diefstal van geld en/of goederen toebehorende aan het bedrijf ‘ [naam bedrijf 3] ’ door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming op 16 december 2016 te Amsterdam. 2.2 De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Vrijspraken Ten aanzien van het in zaak A onder 2 sub d ten laste gelegde De rechtbank stelt vast dat enkel het proces-verbaal van relaas melding maakt van een aangetroffen bloedspoor van verdachte dat hem zou kunnen plaatsen op het plaats delict. In het proces-verbaal van relaas staat dat de processen-verbaal en het NFI-rapport worden nagezonden. Dat is niet gebeurd. Nu de rechtbank niet beschikt over een proces-verbaal waarin de veiliggestelde sporen staan vermeld en evenmin over een NFI-rapport, kan niet worden vastgesteld of er een match is met het DNA-profiel van verdachte en het aangetroffen bloedspoor. Anders dan door de officier van justitie bepleit biedt het proces-verbaal van bevindingen (pagina 73) voor die vaststelling ook onvoldoende grondslag. Dit brengt mee dat, nu ander toereikend bewijs ontbreekt, niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde Van de poging tot inbraak bij kapsalon [naam bedrijf 4] zijn camerabeelden gemaakt. Hiervan bevinden zich afdrukken (‘stills’) in het dossier. Verbalisant [naam verbalisant] heeft alleen de stills bekeken en heeft verklaard dat de man op de stills qua uiterlijke kenmerken zeer sterk overeenkomt met verdachte. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de stills van onvoldoende kwaliteit zijn om verdachte daarop te kunnen herkennen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4.2 Bewijsoverwegingen Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde fietsendiefstal, omdat verdachte een aannemelijke verklaring heeft afgelegd voor hetgeen door de verbalisant is waargenomen. De fiets waarop verdachte wegreed, had hij een week of zes voor die tijd op straat gekocht. Die fiets had hij enkele dagen voor 9 januari 2017 zonder slot neergezet in de buurt van het Concertgebouw. Hij wist niet meer precies waar hij de fiets had neergezet. Dat was de reden om verschillende fietsen te bekijken. De breekgeluiden die door de verbalisant zijn waargenomen toen verdachte geknield bij de fiets zat, betrof het geluid van de ketting die er door verdachte weer werd opgelegd, aldus steeds verdachte. De rechtbank acht de door verdachte afgelegde verklaring ongeloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat een fiets zonder slot dagenlang in Amsterdam staat zonder dat iemand anders deze meeneemt en dat het erop leggen van een fietsketting dezelfde geluiden maakt als het verbreken van een slot. Ook is het niet aannemelijk dat de eigen fiets van verdachte pas na uitgebreide bestudering door hem zou worden herkend. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 11 e.v.) is door verbalisant duidelijk beschreven dat verdachte uitgebreid diverse fietsen in het fietsenrek bekeek, daarna op zijn hurken ging zitten bij de bewuste fiets, dat breekgeluiden van het slot te horen waren, dat verdachte op voornoemde fiets wegfietste en verderop een andere fiets bekeek en deze ook probeerde mee te nemen. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, dan ook bewezen dat verdachte de fiets heeft gestolen. Ten aanzien van het in zaak A onder 2 sub a ten laste gelegde De raadsman heeft betwist dat de stills van de camerabeelden van de inbraak bij kapperswinkel [naam bedrijf 5] van voldoende kwaliteit zijn om verdachte daarop te kunnen herkennen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen (pagina 44) blijkt dat verbalisant niet alleen de stills, maar ook de camerabeelden heeft bekeken. De herkenning van verdachte op basis van bewegende beelden acht de rechtbank zeer goed mogelijk. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de herkenning van verdachte door verbalisant [naam verbalisant] , te meer nu hij verdachte op 9 januari 2017 ook in levenden lijve heeft gezien en heeft bevestigd dat verdachte bij zijn aanhouding dezelfde pet droeg als de persoon op de beelden. Zelfs verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij “zeer sterk lijkt” op de persoon op de stills. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan. Ten aanzien van het in zaak A onder 2 sub c ten laste gelegde De verdediging heeft gesteld dat verdachte slechts één keer bij schoenenwinkel [naam bedrijf 1] heeft ingebroken. Dat was volgens verdachte op 17 november 2016 en niet in de nacht van 21 op 22 november 2016. Nu de aangifte alleen ziet op de inbraak van 17 november 2016 acht de rechtbank deze inbraak wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde De raadsman heeft het verweer gevoerd dat sprake is van een poging tot diefstal en niet van een voltooide diefstal. De rechtbank overweegt als volgt. Van een voltooide diefstal is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort en/of dat goed aan de feitelijke heerschappij van die ander heeft onttrokken. Uit het dossier blijkt dat verdachte (munt)geld uit de kassalade heeft gepakt en dit in zijn handschoen heeft gestopt. Door aldus te handelen heeft verdachte dit geldbedrag zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken en er zelf – weliswaar kortdurend – als heer en meester over beschikt dat sprake is van een voltooide wegneming. Dat verdachte deze handschoen daarna (klaarblijkelijk) in het museum heeft achtergelaten doet hier niet aan af. Het primair ten laste gelegde is dan ook bewezen. 4.3 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde: op 9 januari 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking; Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde: in de periode van 15 maart 2016 tot en met 12 december 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: a. een hoeveelheid contant geld, toebehorende aan [slachtoffer B] en b. 130 euro, toebehorende aan [slachtoffer C] en c. 390 euro, toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf 1] schoenen; waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot dat weg te nemen geld heeft verschaft door middel van braak; Ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde: op 16 december 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand aan [adres 2] heeft weggenomen geld, toebehorende aan het bedrijf ' [naam bedrijf 3] ', waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft gebracht door middel van braak, immers heeft verdachte de ruit van de toegangsdeur tot dat pand verbroken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A onder 1, 2, 3 en ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft hierbij verzocht om aan de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht bij Inforsa, een behandelverplichting bij FAZ verslavingszorg met een kortdurende klinische opname, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het meewerken aan een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft in een relatief korte periode vier bedrijfsinbraken gepleegd, waarmee hij veel schade en overlast voor die bedrijven heeft veroorzaakt. Dat dergelijke feiten veel overlast en schade veroorzaken blijkt ook uit de vorderingen van de benadeelde partijen. Bovendien dragen feiten als de onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte was bij het plegen van deze feiten enkel uit op eigen financieel gewin. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een fietsendiefstal. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte (zie de Justitiële Documentatie van 28 maart 2017) dat hij eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten, waaronder bedrijfsinbraken, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden zich wederom aan dergelijke feiten schuldig te maken. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze wijzen, gelet op de veelvoud aan inbraken en de recidive (die grenst aan frequente recidive), op een gevangenisstraf tussen de negen en zeventien maanden. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 10 april 2017, opgemaakt door [naam reclasseringsmedewerker] . Het rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: Verdachte is sinds 1981 veelvuldig veroordeeld en in aanraking geweest met justitie. In het verleden heeft hij de SOV-maatregel en ISD-maatregel doorlopen. Hij voldoet wederom aan de harde ISD-criteria. Hij heeft op dit moment geen dagbesteding en er is sprake van schuldenproblematiek. In het verleden was ook sprake van ernstige middelenproblematiek. Het ging een tijdje goed toen hij bij Exodus Nederland woonde en daar een dagbesteding had, maar sinds hij zijn werk heeft verloren is hij teruggevallen. De reclassering acht interventies op het gebied van dagbesteding, schuldhulpverlening en een behandeling gericht op het middelengebruik noodzakelijk om het recidiverisico te verminderen. De reclassering adviseert om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen. Een meldplicht bij Inforsa, een behandelverplichting bij FAZ verslavingszorg met een kortdurende klinische opname, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het meewerken aan een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden en dat hij bereid is om daaraan mee te werken. Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar passend en geboden met oplegging van de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd. De proeftijd van drie jaren is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden gelet op de hoeveelheid en ernst van de bewezenverklaarde feiten. 9Beslag Onder verdachte zijn in zaak A de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1 1 STK Schroevendraaier VANADIUM chrome 5318019 2 1 STK Schroevendraaier VANNADIUM chrome 5318018 Voornoemde inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het in zaak A onder 1 bewezen geachte is begaan. Onder verdachte zijn in zaak B de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1. STK Gereedschap beitel 5304639 2 1.00 STK Gereedschap, kleur: plastic vierkant stuk plastic (fiets onderdeel) 5304648 3 1 STK Gereedschap, kleur: blauw/zwart klauwhamer 53404640 4 2 STK Kleding, kleur: zwart handschoen 56304641 5 2 STK Kleding, kleur: zwart grijs handschoen 5304642 6 1 STK Gereedschap hamer 5304643 7 1.00 STK Gereedschap, kleur: grijs oranje schroevendraaier 5304644 8 2 STK Gereedschap, kleur: rood plast.flip stuk plastic om mee te flipperen 5304645 9 1 STK Gereedschap priem 5304646 10 1 STK Gereedschap zaag 5304647 Voornoemde inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het in zaak B onder 1 primair bewezen geachte is begaan. 10Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [naam bedrijf 5] (vertegenwoordigd door [slachtoffer B] ) vordert € 1.602,10 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening. De vordering bestaat uit de volgende posten: eigen risico per inbraak (2x €500,00) € 1.000,00 raamstickers € 484,00 kassalade € 118,10 + € 1.602,10 De vordering is door de verdediging betwist. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 2 sub a bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Anders dan door de raadsman bepleit, levert de behandeling van de vordering niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering is voldoende concreet omschreven en, behoudens met betrekking tot het gevorderde eigen risico, onderbouwd met facturen. Het gevorderde eigen risico heeft blijkens de bijgevoegde offerte van € 3.811,86 betrekking op glasherstel. De verdediging heeft niet betwist dat kosten voor glasherstel zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het niet onwaarschijnlijk is dat de benadeelde partij hiervoor verzekerd is en ter zake een eigen risico van € 500,00 geldt, zodat de schade op € 500,00 kan worden begroot. Nu slechts één inbraak (is tenlastegelegd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.